Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


[5:]

HOOFDSTUK I.

Het was ten tijde der minderjarigheid van koning Lodewijk XV van Frankrijk in het eerste kwart der 18e eeuw.
In den omtrek van Chalons, een zeer boschrijke streek in 't Noorden van Frankrijk, verhief zich het kasteel Soigny, bewoond door graaf d'Armentières, die er jaarlijks met zijn jonge vrouw Diana de Soigny eenige maanden doorbracht.
Het kasteel, hoewel tamelijk eenzaam gelegen, was nooit stil; de graaf en gravin waren jong en levenslustig en als zij daar verblijf hielden, verschenen er gewoonlijk vele gasten. Dag op dag waren er feesten, jachtpartijen, rijtochten - waaraan schitterend gekleede ridders en hun dames deelnamen.
Nu echter, op een fraaien Septemberdag, heerschte daar nog meer beweging en vroolijkheid dan anders. Alle adellijke familiën van den omtrek waren uitgenoodigd op een groot bal, dat gravin Diana hun wilde aanbieden om den terugkeer te vieren van haar eenigen broer, den baron Raoul de Soigny, een zee-officier, die jarenlang afwezig was geweest om voor zijn koning en zijn land te strijden.

[6:]

De gasten waren er reeds verzameld, toen een bode aan kwam rennen met het bericht, dat zijn meester binnen eenige uren op het kasteel zou aankomen.
De gravin was buiten zichzelf van blijdschap. Dat zou eerst een mooi feest worden, zij hield innig van haar broer, maar was er niet minder trotsch op hem te toonen welk een lieve gastvrouw zij was en hoe zij er slag van had haar huis voor ieder aantrekkelijk te maken.
"Wat zal hij opzien, die goeie jongen", zeide zij tot haar vriendinnen; "in zoovele jaren heeft hij niets gezien dan wilde vrouwen in boomschors gekleed met geen andere sieraden dan schelpen. Wat zal hij oogen opzetten als hij hier al die mooie dames in haar prachtige kleeding en haar schitterende diamanten ziet."
En toen verzocht zij hun:
"Doet me 't genoegen en maakt u zoo mooi mogelijk ter eere van mijn broer. 't Zal goed aan hem besteed zijn en dan - ik wil het u wel toefluisteren - Ik zou zoo gaarne willen, dat hij dien akeligen zeedienst opgaf, zich een vrouw koos en hier bij ons in ons mooi Frankrijk bleef. Dus lieve meisjes, zorgt dat gij er allen even aardig en elegant uitziet."
Nu, dit lieten zich de jonge freules geen twee malen zeggen, al zouden zij het zich zelf en haar vriendinnen voor geen geld ter wereld bekend hebben, dat zij een bijzonder doel hadden met het maken van meer toilet dan anders.
Menigeen wierp een steelschen blik op het portret

[7:]

van den jongen zee-officier, dat de eereplaats innam in de groote zaal.
Het was wel de moeite waard zich mooi te maken voor hem, want hij zag er niet alleen knap en dapper uit, maar ook goed en vriendelijk; hij leek veel op zijn zuster Diana en dat was zeker geen ongeluk.
Een paar uren voor het bal reed een zware reiskoets de ophaalbrug over en hield op de groote slotplaats vóór het marmeren bordes stil.
Raoul wipte er uit en de gasten, die achter de ramen verscholen, hem opnamen, moesten bekennen dat het portret hem niet gevleid had; wel zag hij er bruiner en forscher uit, maar dit stond juist goed en vormde een gunstige tegenstelling met de blanke, fijne, geparfumeerde jonkers, die niet verder waren geweest dan Versailles.
De graaf en gravin kwamen hem tegemoet en verwelkomden hem hartelijk.
Zoodra was de begroeting afgeloopen of zij merkten een grooten, flinken matroos op, die de koffers van den markies uit den wagen tilde en met het grootste gemak op den grond zette.
"Je zorgt voor mijn goed, nietwaar Jean!"
"Ja, kommandant," antwoordde de matroos.
"Is dat je eenige kamerdienaar," vroeg Diana een beetje spottend.
"Ja; een beste, trouwe jongen, die mij meermalen het leven heeft gered en geen andere belooning wenscht dan mij levenslang te mogen dienen. Hij is eerlijk en slim; nog voor dat ik

[8:]

een woord zeg, raadt hij reeds mijn wenschen."
"Nu dan is hij mij dubbel welkom! en ik zal mijn bedienden zeggen, dat zij hem goed en vriendelijk behandelen."
"Best! Laat hen vooral hem niet bespotten, want je begrijpt dat hij niet precies een huisknecht is en liever een apennoot eet dan een patrijs. Maar als hij begint is hij niet gemakkelijk."
Zoo pratende bracht de gravin haar broer op zijn voor hem gereedgemaakte kamers en zei de hem toen op vleienden toon:
"Hoor eens, broertjelief! Ik wil je verrassen; van avond is er groot feest op het kasteel, wij hebben over de zestig gasten."
"Wat zeg je, gasten!"
"Natuurlijk; ik moest toch je terugkomst behoorlijk vieren."
"Een aardige manier om ze te vieren. Begrijp je dan niet, zus, dat ik niets op die vreemde menschen gesteld ben! Ik was zoo blijde je hier op dit eenzame kasteel te vinden en hoopte dat je er alléén zou zijn met je man."
"O foei, hoe kan je dat verlangen!"
"Lieve kind! Ik heb zoo'n behoefte aan rust en kalmte en familieleven, na zoolang onder vreemden in verre landen te hebben gezworven. Ik had mij voorgesteld met jou en den graaf stil en huiselijk te leven, en nu moet ik dadelijk weer onder vreemde menschen verkeeren..."
"O neen, Raoul! Zij zijn niet vreemd, er zijn zulke goede vrienden onder!"

[9:]

"Ik ben ze allen vreemd geworden, 't zal moeite kosten mij tusschen beschaafde menschen weer thuis te voelen. Neen Diana, je hadt beter gedaan die menschen niet te verzoeken en de eerste dagen ten minste onder ons te blijven."
"Ik dacht juist dat je het een voorrecht zou vinden onze europeesche beschaving in haar volle schoonheid en glans te mogen genieten."
"Dat genot is mij de moeite en den last niet waard mijn uniform aan te trekken."
"Nu, ik beloof je een groot, schitterend succes!"
"Ja, zooals aan een menagerie-leeuw of een kermisbeer te beurt valt."
"Foei, Raoul! Wat ben je knorrig! Dat verdienen onze vrienden niet, die zich zeer verheugen kennis met je te maken."
"Maar ik hoop toch dat het feest zich beperken zal tot een diner!"
Diana schudde het hoofd.
"Niet! Wat dan! Een soirée?"
"Neen, ook niet!"
"Nog meer dan dat!"
"Een bal."
"Een bal! Maar Diana, wat verzin je, een bal! Moet ik werkelijk gaan dansen, en mij vertoonen in de kleeding der Sioux om voor plezier van die lui een Indianendans uit te voeren!"
"Ik meende goed te doen!" zeide Diana teleurgesteld het hoofdje buigend.
Haar berouwvolle toon verteederde den marine

[10:]

officier dadelijk; hij streek haar liefkoozend langs de wangen en zeide:
"Nu dan, je hebt met de beste bedoelingen gehandeld en je kunt niet weten dat je broer zoo menschenschuw is geworden. Ik zal mij opfrisschen en met mijn toilet beginnen. Laat Jean boven komen met mijn kisten. Ik zal hem de cadeaux laten uitpakken, die ik voor je heb mee gebracht. Misschien vind je die leelijk, maar ik heb ze toch met de beste bedoelingen gekocht!"
"Beste jongen! Ik dank je zeer!"
"Wacht met je dankbaarheid totdat je alles gezien hebt!"
De gravin ging naar beneden en weldra bracht Jean haar de kostbare geschenken door zijn meester,voor zijn bloedverwanten medegebracht.
Het waren vreemde voorwerpen, die echter nu nog door een zeeofficier zouden kunnen worden medegebracht uit de vreemde streken, waar hun schepen landen.
Chineesche zijdestoffen en muiltjes, reusachtige Japansche vazen en sierlijke waaiers, Ceylonsche kastjes, Javaansche sieraden, kunstig gesneden ivoren bekers en snuisterijen, oostersche reukwerken, cachemirea en nog veel meer.
De jonge gravin was kinderlijk blijde bij het zien van al deze schatten; zij hielp Jean ze op de voordeeligste wijze tentoontestellen, zij drapeerde de cachemires en sluiers over de meubels, ademde den geur der parfumerieën in en wist niet wat het eerst of het meest te bewonderen.

[11:]

Toen reikte zij haar mooi blank handje aan Jean en zei de hem met diep bewogen stem: "Je hebt mijn broer het leven gered! Ik dank je zeer en hoop dat het kasteel je bevallen zal."
"'t Zal wel wennen," antwoordde Jean; "maar 't is hier een heel ander soort schip dan het onze."
"Je houdt veel van mijn broer, nietwaar?"
"Nu, dat zou ik denken; wie zou er niet van mijn kommandant houden?"
Dit was waar, Raoul de Soigny stond hoog aangeschreven bij zijn ondergeschikten, hoewel of misschien juist omdat hij onverbiddelijk streng was op alles, wat met den dienst in betrekking stond. Overigens was hij goed, hartelijk en vooral strikt rechtvaardig jegens hen. Zijn dapperheid was spreekwoordelijk, daar konden de Engelschen van meepraten; zijn voorbeeld bezielde zijn ondergeschikten en blijde gingen zij met hem naar den dood of de overwinning.
Hij streed aan hun hoofd, overal, waar het gevaar het meest dreigde.
"Voor God, jongens!'" riep hij hun toe, "en voor den koning!"
Nauwelijks was de strijd voorbij of zonder zich eenige rust te gunnen, dikwijls - wanneer hij zelf gewond was, zelfs zonder zich te laten verbinden, begaf hij zich naar de gekwetsten, zorgde er voor, dat zij goed verpleegd werden, had voor allen een woord van opwekking of troost, een belofte van belooning of een ruime gift en eerst als voor allen gezorgd was, gunde hij zich den tijd ook aan zich zelf te denken.

[12:]

Geen wonder dat Diana trotsch was op haar eenigen broer. Zij hadden hun ouders vroeg verloren, waren tezamen door hun grootmoeder opgevoed op het stille kasteel en hadden daardoor meer van het familieleven leeren kennen dan gewoonlijk in de hooge kringen van dien tijd het geval was.
Een uur later riep de klok van den slottoren blij galmend alle gasten aan de feestelijk versierde eeretafel; en hier deed Raoul vergezeld van zijn zuster en zwager zijn intrede tusschen de rijk gekleede heeren en dames, die hem in zijn fraaie uniform met bewondering en sympathie aanzagen en begroetten.
Het feestmaal was uitgezocht en fijn, de kok had zich zelf overtroffen; achter Raoul's stoel stond de stoere Jean, die het aan niemand anders overliet zijn meester te bedienen.
Op het diner volgde het bal; de genoodigden hadden Diana's wensch trouw opgevolgd; zij hadden groot toilet gemaakt en de aanblik der ruime helder verlichte zaal met haar vele gasten was indrukwekkend en schitterend. Met blijdschap zag de gravin dat haar broer zich meer en meer thuis voelde in die rijke omgeving; hij had oude bekenden ontmoet, die hem over zijn tochten ondervroegen en met wie hij zich levendig en opgewekt onderhield. De jonge dames zagen hem over haar waaiers heen bewonqerend aan en ieder vleide zich in stilte dat op haar zijn keuze mocht vallen om dien avond mee te dansen en misschien later - wie weet welke illusieën zij zichal niet vormden?

[13:]

De violen gaven het sein tot den dans, en de paartjes vormden zich langzamerhand voor de deftige menuet; deze bevallige en toch statige dans was er bijzonder voor geschikt de fraaie manieren en de goede houding der gasten tot hun recht te doen komen. Het is wel jammer dat deze dans geheel uit de mode is geraakt, daar hij veel sierlijker en gepaster is dan onze tegenwoordige dansen.
Ook Raoul gaf zijn zuster de hand om met haar den dans te openen; de allerliefste muziek van Lulli deed het voorspel hooren, de dames zetten zich in postuur, de heeren bogen hoffelijk, toen plotseling een schrille kreet door de lucht weerklonk en allen elkander verschrikt aanstaarden.


inhoud | volgende pagina