Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


XVI.

Toen het kleine gezelschap den volgenden keer bij den heer de la Condamine terugkeerde, waren slechts eenige leden van de Akademie der Wetenschappen en de heer van Oudenaarde tegenwoordig.
Zoodra het boschmeisje, dat er eerst allesbehalve zin in had in de koets mee te rijden, bemerkte, dat men bij den heer de la Condamine moest zijn, gaf zij blijken van groote voldoening en toen zij weer in het museum kwam tusschen al de bekende voorwerpen, liet zij haar gewonen kreet van blijdschap hooren.
Dadelijk begaf zij zich naar den hoek, waarin zich de voorwerpen uit den Archipel bevonden.
Het schip was weer zoo goed het kon in elkander gezet. Zij riep Simone er bij en herhaalde op blijden toon, naar het voorwerp wijzend:
"Bien, bien, bien!"
De heer van Oudenaarde begon haar te ondervragen, maar veel kon hij niet uit haar krijgen.

[121:]

Het scheen zeker, dat zij op een schip was geweest, dat schipbreuk had geleden.
De pisangs, ananassen en andere Indische vruchten, schenen haar begeerlijkheid op te wekken.
Op een gegeven oogenblik greep zij er naar, bracht ze in den mond, beet in het zachte was en liet ze toen vallen met een gebaar van teleurstelling.
Zij lachte dat zij gierde bij het zien van eenige wajangpoppen en bewoog ze heen en weer, juist zooals men in Indië daarmede doet.
Wanneer zij weer zulk een bewijs van herkenning had gegeven, werd zij vroolijk gestemd en scheen haar eigen knapheid te bewonderen, hetgeen zij uitdrukte door trotsch naar Simone te kijken en dan herhaaldelijk over haar borst te strijken.
"Zijt ge toen in het groote water gevallen?' vroeg de heer van Oudenaarde.
"Water, water!"
"Ja, de zee!"
"De zee!"
En toen wees zij naar de visschen, als om te vragen of de visschen daarin zwommen.
Op het toestemmend antwoord, gaf zij te kennen, dat het schip er op vaarde.
"En moeder?" vroeg hij haar weer.
"Moeder!"
Nu zette zij een droevig gezicht en vluchtte met een aandoenlijk gebaar naar mevrouw d'Armentieres, als om bij haar een toevlucht te zoeken en zeide op bedroefden toon:
"Dood!"

[122:]

Meteen sloot zij de oogen en liet het hoofdje hangen.
"Dat schijnt ze onthouden te hebben; de dood van haar moeder!"
Nu begon de heer van Oudenaarde allerlei namen uit den Indischen Archipel te noemen. Zij luisterde lachend toe, maar gaf geen teeken van herinnering tot hij eindelijk zeide:
"Menado!"
"Ja, ja, Menado, Menado!" sprak zij hem na.
"Dat hebben wij nu gewonnen, zij komt van Menado, eiland Celebes."
De heer de la Condamine schreef alles nauwkeurig op, wat het meisje antwoordde.
Zoover waren zij met het verhoor gekomen, toen plotseling de knecht de beide deuren der zaal open wierp en op plechtigen toon aankondigde:
"Zijn Koninklijke Hoogheid, monseigneur de Hertog van Orléans."
De hertog van Orléans was niet meer de beruchte regent van Frankrijk, Philipp, neef van koning Lodewijk XIV. Toen deze stierf, na zijn zoon, den grooten Dauphin en zijn kleinzoon, den edelen hertog van Bourgogne overleefd te hebben, liet hij niets anders na dan een achterkleinzoon van vijf jaar, die als Lodewijk XV, onder regentschap van zijn achterneef, de regeering aanvaardde.
Zoo ongeloovig en slecht van levensgedrag als de vader was geweest, zoo godsdienstig en streng van levensopvatting was de zoon. Sedert den dood zijner vrouw had hij zich bijna geheel van de wereld

[123:]

terug getrokken om zich te wijden aan liefdadigheid, oefeningen van godsvrucht en ernstige studiën.
Hij beschermde de kunsten en wetenschappen en was vooral, evenals zijn vader, een groot liefhebber van natuurkunde en natuurlijke historie.
Zijn plan was geweest, reeds den eersten avond te komen om het woudmeisje te zien, doch men had hem gewaarschuwd, dat er zoo velen zouden komen en uit bescheidenheid of verlegenheid had hij besloten zijn bezoek tot betere tijden uit te stellen.
Door den heer de la Condamine gewaarschuwd, verscheen hij nu in het kleine gezelschap.
Met den eerbied, aan een lid van het vorstelijk huis verschuldigd, begroetten de heeren hem en zijn gevolg, uit een paar edellieden bestaande.
De dames maakten hun bevalligste buiging.
De prins, die nauwelijks dertig jaar telde en met veel distinctie zijn uniform van generaal der infanterie droeg, groette het gezelschap vriendelijk en natuurlijk en wendde zich daarna rechtstreeks tot den gastheer met de woorden:
"Het is mij een aangename gelegenheid kennis te maken met u, mijnheer! Reeds sedert langen tijd heb ik er naar verlangd, maar u stelde mij daartoe niet in staat!"
"Monseigneur!" en de heer de la Condamine, die het zachte verwijt in deze woorden voelde, stond een weinig verlegen voor den hertog.
De vorst stelde hem echter dadelijk met beminnelijke waardigheid weer op zijn gemak.
"Ik maak er u geen verwijt van, mijnheer! Al

[124:]

durf ik mij op verre na niet met u op een lijn plaatsen, zoo weet ik toch wat het kost, zich los te rukken van zijn studiën om aan het hof zijn plichten te vervullen."
"Uw bezoek, monseigneur! is mij een hooge eer en een niet genoeg te waardeeren aanmoediging."
"De eer is aan mij u de hand te mogen drukken," en zich omkeerende, begroette hij de drie dames.
"Mevrouw d' Armentieres!"
"Jonkvrouw d'Armentieres!"
Zoo stelde de heer de la Condamine beide dames aan den hertog voor.
De prins boog hoffelijk voor de adellijke dames, maar zijn blik bleef onwillekeurig rusten op het andere jonge meisje, dat hem niet was voorgesteld.
Zijn blik ondervroeg den heer de la Condamine, die hem toefluisterde:
"Dat is het boschmeisje."
"Het boschmeisje!"
De Hertog vertrouwde zijn oogen niet, toen hij het bevallige. kind in haar eigenaardige kleeding zag.
"Maar dit kind is allerliefst en stellig van Europeesch ras."
"Daar ben ik overtuigd van, monseigneur."
Nu stelde hij hem Raoul de Soigny voor.
"Een marine-officier, die dapper tegen de Engelschen heeft gevochten en nu een verlof van zes maaanden heeft!"
"'t Is mij altijd een waar genoegen, met dappere dienaren van ons land kennis te maken."

[125:]

En ook tot den Hollander, dien de heer de la Condamine hem als vermoedelijken landgenoot van hun beschermeling voorstelde, zeide hij eenige vriendelijke woorden.
Nu naderde hij de groep der drie vrouwen en vroeg Diane:
"Is zij reeds gedoopt, mevrouw?"
"Nog niet, monseigneur," antwoordde de gravin, "zij is nog niet genoeg onderricht. Het is nog zoo moeilijk haar de heerlijke waarheden van ons geloof te leeren, maar zij weet toch reeds wie haar geschapen heeft, niet waar kind?"
"Ja, de goede God!" antwoordde zij duidelijk verstaanbaar en hief de oogen ten hemel met een uitdrukking van zulk een innig geloof, dat den prins de tranen in de oogen welden, terwijl hij haar vol belangstelling aanzag.
"Mag ik haar als doopgeschenk een jaargeld aanbieden, mevrouw?"
"Monseigneur, ik beloof u uit naam van het arme kind, dat zij u eens voor uw vorstelijke gave dankbaar zal zijn."
"Draagt zij nog geen naam?"
"Neen, monseigneur! Wij willen hiermede wachten totdat zij gedoopt is."
"Welnu, ik wil bij de plechtigheid tegenwoordig zijn en gij zult mij genoegen doen, haar Louise te noemen."
"Het zal ons een groote eer en een waar geluk zijn, monseigneur."
Simone had het meisje naar zich toe getrokken

[126:]

en zooals zij daar stonden op elkander geleund boden zij een lief schouwspel aan.
"Het schijnt, dat uw zuster, mevrouw -"
"Mijn nicht, monseigneur!"
"Dat zij veel van haar vriendinnetje houdt."
"Ja, monseigneur, het kind heeft een teeder liefdevol hart; iederen dag zien wij duidelijk, hoe haar waarlijk buitengewone vermogens zich in een goede richting ontwikkelen."
"Hebt ge daar bewijzen van, mevrouw?"
"De eerste dagen waren zeer moeilijk. Wij twijfelden er aan of wij haar ooit eenige beschaving zouden leeren, of wij deze wilde, woeste natuur ooit konden temmen, maar sedert zij Simone lief heeft gekregen is zij geheel veranderd."
"Men zou ten minste niet kunnen gelooven, dat zij zoo kort geleden nog als een half wild dier in de bosschen rondzwierf."
"Op Simone gelijken, Simone tevreden stellen is haar voornaamste doel."
"Vreemd, vreemd!" zei de de prins nadenkend, "welk geheim is er in dit leven verscholen? Alles in haar verraadt een goede afkomst, de bevalligheid van haar bewegingen, de vorm van haar gelaat, de kleinheid van haar voeten en handen, haar dunne polsen. Een samenloop van treurige omstandigheden moet haar toen zij nog heel klein was in het bosch hebben geworpen. Hoe bijzonder moet God haar beschermd hebben dat zij daar niet omgekomen is. Herinnert zij zich niets meer en kan zij niets

[127:]

vertellen van de wijze, waarop zij sinds jaren daar geleefd heeft?
"Men zou zeggen monseigneur, dat zij nu meer zich herinnert dan aanleert. Mijnheer van Oudenaarde heeft proeven met haar genomen, die schijnen te bewijzen dat zij van Hollandsche afkomst is."
"Maar toch veroorloof ik mij op te merken dat het kind duidelijke bewijzen draagt van Spaansche of Portugeesche afkomst te zijn. Zie maar haar blauwzwarte tint van haar haren en de matte olijfkleur van haar gelaatshuid."
"O Monseigneur, dat kan zeer goed mogelijk zijn," zeide de Hollander, "want vóór dat wij ons in Oost-Indië vestigden, hadden de Portugeezen er vasten voet en het zou geen wonder zijn, dat hun afstammelingen er nog wonen."
De prins sprak haar in het Portugeesch toe. Zij sloot de oogen zooals. altijd wanneer zij zich iets trachtte te herinneren, maar gaf toch geen echo zijn woorden.
De heer de la Condamine liet haar nu een lndisch muziekinstrument zien, een kleine g a m e l a n bestaande uit koperen bekkens, waarop men met een hamertje tikt.
De gastheer ontlokte er een paar tonen aan en het was verwonderlijk de uitwerking te zien, welke deze klank op haar maakte.
Zij stond eerst even roerloos, sprong toen wild in de hoogte en begon haar mooiste vogelliedje te zingen; intusschen nam zij het hamertje en begon op het koper te slaan.

[128:]

Eerst waren het onsamenhangende wanklanken, maar zij zocht zoolang totdat zij een soort van wijs vond, die zeker in haar hoofd weerklonk, en hoe barbaarsch ook toch zekere melodie in zich had.
"Dat is de koningsmarsch of ten minste iets, wat er op gelijkt," zeide de heer van Oudenaarde, "een marsch, die altijd gespeeld wordt bij het binnenkomen der Oostersche hoofden of vorsten."
"Nu kunnen wij niet meer twijfelen," verklaarde de heer de la Condamine, "het meisje is werkelijk geboren op een der eilanden, die onder de Republiek der Vereenigde Nederlanden staan; de blijken van herkenning, die zij geeft bij het zien der Indische vruchten en vogels, bij het hooren van de Hollandsche en Maleische taal waren reeds bewijzen genoeg, maar dat zij uit eigen beweging op dit zonderlinge hier geheel onbekande instrument een soort van melodie weet te spelen, maakt het onbetwijfelbaar."
"Den heer van Oudenaarde zal het wellicht gelukken in zijn land een tipje op te tillen van den sluier, die haar afkomst en vroegere lotgevallen verbergt," zeide de hertog.
"Monseigneur, zoodra ik in mijn land teruggekeerd ben, zal ik alle pogingen in het werk stellen om te onderzoeken wie het boschmeisje kan zijn. Ik heb vele vrienden die in Indië zijn geweest of daar betrekkingen hebben, misschien zal ik er in slagen iets zekers te weten te komen."
"Ik geloof dat wij reeds kunnen vaststellen, niet waar markies, dat het meisje door een schipbreuk op onze kusten is geworpen?"

[129:]

"Met uw goedkeuring, Monseigneur, maar hoe is zij dan in het Ardennerwoud gekomen, zoo ver van zee verwijderd?"
"Gij moet mij nog eerst in alle bijzonderheden vertellen hoe gij haar gevonden hebt en hoe zij in dat bosch leefde," vroeg de hertog.
Terwijl de heeren dit onderwerp bespraken, bleef mevrouw d'Armentieres met haar pleegdochters de overzeesche schatten bewonderen.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina