Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


II.

De muzikanten hielden stil, de dames verlieten haar plaatsen en vluchtten naar het midden der zaal en Raoul vroeg:
"Maar wat is er toch, Diana? Wie schreeuwt daar zoo? Is het een dier of een mensch? Weet je het?"
"Ik weet het en ik weet het niet," antwoordde mevrouw d'Armentières, "het is zeker het boschmeisje dat zoo schreeuwt!"
"Het boschmeisje!" riepen allen verbaasd, wie is dat? Wie heeft daar ooit van gehoord?"
"Wel, dat is een wilde vrouw, die hier in de bosschen leeft."

[14:]

"Een wilde vrouw", en Raoul lachte ongeloovig, "wij zijn hier toch niet in de amerikaansche oerwouden; hoe kan hier nu een wilde vrouw zijn?"
"Ik verzeker je toch dat het zoo is," verzekerde zijn zwager, "al heb ik haar nooit gezien."
"Zie je wel? Jullie praat er van, niemand heeft ze gezien."
"Ik zei dat ik ze niet had gezien, maar Antoine, de boschwachter wel."
"O Antoine! Hij is geen kind meer en bijgeloovig is hij ook niet en verzekert die, dat hij het wilde meisje gezien heeft, en waar?"
"Hij is de eenige niet; sedert een week of wat schijnt zij zich hier in den omtrek op te houden - de ééne heeft haar hier gezien en de andere daar - maar allen verzekeren, dat zij in het bosch een heel vlug wezentje hebben gezien, dat met ongelooflijke vlugheid van den eenen boom op den anderen sprong. Firmin, de tuinman, merkte dat zijn perziken op onrustbarende wijze verdwenen, en hij bleef op de loer. Toen zag hij een vrouwelijk schepsel duidelijk in het maanlicht van boom tot boom klauteren en de vruchten plukken. Maar hij is geen held en liep wat hij loopen kon."
"Geen wonder! Hoe griezelig!"
De jonge dames rilden o, zoo heerlijk! De heeren luisterden aandachtig toe.
"En zag niemand anders haar meer?"
"De molenaar heeft gezien dat zij zwom in het water, dat zijn molen in beweging bracht en dat zij

[15:]

met de hand onbegrijpelijk behendig allerlei visschen er uit ving."
"Verbazend, zwemmende visschen vangen!"
"Nu, dat is al een heel knap boschmeisje."
"Daar moet ik meer van weten," zeide Raoul nadenkend en als tot zich zelf.
"Wat wil je dan doen?" vroeg de graaf.
"Haar vervolgen."
"Op zoo'n arm schepsel jagen, foei!" riep Diana meewarig.
"Wees maar niet bang, zusje, ik zal haar geen kwaad doen."
"Neen, neen! Laat haar stil begaan! Wie weet of het geen - geen..."
"Tooverheks of boschnimf is," lachten allen.
"Of een bedriegster," meende Raoul; "de angst vergroot alle dingen en men overdrijft ze door het vertellen. Het zal een vruchtendief zijn, die den armen Firmin de schrik op het lijf heeft gejaagd, of 't is misschien een aap uit een kermistent weggeloopen. Wat het ook is, wij moeten het onderzoeken, en als het een mensch is, hem verlossen uit zijn treurigen toestand en hem dat geven, waarop elk mensch recht heeft, behoorlijke huisvesting en voldoende voeding."
"Ja, als ge het zoo beschouwt..."
"Mij dunkt dat het onze plicht is!"
"Juist iets voor Raoul dat zoo hoog op te nemen," fluisterde Diana een paar oude douairières toe, wier kleindochters haar zeer geschikt voorkwamen om vrouw van haar broer te worden.

[16:]

"Maar hoe wilt ge dat aanleggen?" vroegen eenige der heeren; "'t zal een moeilijke jacht worden."
"Ik zal met den boschwachter er over spreken en het bosch laten omsingelen en zoo langzamerhand haar schuilplaats zien te vinden, Het wordt geen wreede jacht, zelfs de dames kunnen er deel aan nemen, hetzij te voet of in haar koetsen."
"Heel graag!" riepen allen, "wat zal dat interessant zijn."
"En nu, dames, stel ik u voor dat wij onze menuet voortzetten, die zoo onverwachts is gestoord,"
"Neen!" riep mevrouw d'Armentières levendig uit, "de lust tot dansen is toch weg; zij hebben allen de jacht in het hoofd, Het park is geïllumineerd, ik heb een kleine loterij voor mijn lieve gasten georganiseerd en je zult mij zeker niet kwalijk nemen Raoul, dat ik eenige van je cadeautjes tot prijzen heb bestemd. Wil het gezelschap mij volgen?"
Allen gingen nu de breede, marmeren trappen af, die naar het groote, mooi aangelegde park leidden, en dat er met zijn talrijke gekleurde lichten uitzag als een toovertuin uit de sprookjes van "Duizend en Een nacht".
Op een groot rond grasperk stonden in kleine tentjes tafels met de prijzen, de jonge meisjes deelden de loten uit, de jonkers hielpen de prijzen uitzoeken en terwijl het orkest tusschen de boomen verschillende zoete melodieën deed hooren, bewonderden de gelukldge winsters haar mooie geschenken en prezen om strijd de aardige verrassing der lieve gastvrouw.

[17:]

Raoul echter nam geen deel aan het vroolijke spel. Hij was nog onder den indruk van het zonderlinge verhaal door zijn zwager gedaan en telkens weer meende hij den eigenaardigen kreet van het zoogenaamde boschmeisje te hooren.
Onwillekeurig zag hij naar boven in het dichte, gebladerte der boomen, dat een soort van koepeldak scheen te vormen over het ronde helder verlichte perk en - bedrogen zijn oogen hem niet? Er scheen iets te ritselen en te bewegen in de boomen, hij scherpte zijn oogen en ontdekte daarin een menschelijke gedaante, een fantastischen vorm, geheel gewikkeld in donkere, lange haren.
Het gezicht boog zich tusschen twee takken enscheen op het levendige tooneel onder haar neer te zien; plotseling en onverwachts barstte er boven de feestelingene een lied uit van wilde maar zoete klanken een echten wildzang en nachtegaalgetril, weIijverend met de lieflijke muziek der violen.
Allen zagen verbaasd op en dachten aan een nieuwe verrassing, maar niemand kon met meer verbazing en verwondering rondzien dan de graaf en gravin zelf.
"Het boschmeisje, het boschmeisje!" riepen allen; de lakeien namen brandende fakkels en schudden aan den boom in welks takken zich het geheimzinnige wezen bevond, maar toen verstomde eensklaps het gezang, een akelige, woeste kreet sneed door de lucht en deed de dames beven van angst en zelfs de mannen voor een oogenblik opschrikken.

[18:]

Men zag haar in een ondeelbaar oogenblik, tusschen de takken, toen nam zij haar vaart en sprong in het groen van een naburigen boom. Vlug als een vogel verscheen en verdween zij telkens weer tusschen de takken en bladeren, totdat zij eindelijk diep in het park verdween, nu en dan haar akeligen ruwen kreet doende hooren.
"Wel Raoul, geloof je nu aan het boschmeisje?" vroeg de graaf zijn zwager.
"Ja," antwoordde Raoul ernstig, "ik geloof er aan."
Het rechte vuur was uit het feest verdwenen, ieder was te veel vervuld van de vreemde verschijning en de gesprekken hadden geen ander onderwerp meer dan het boschmeisje.
Eenigen meenden dat zij een indiaansch meisje was, ontsnapt uit een der troepen van amerikaansche wilden, die zich op de kermissen vertoonden en zich met rauwe wortels en levende visschen voedden; men verzekerde zelfs dat zij rood van huid was.
"Neen," zeide Raoul de Soigny beslist, "ik heb haar maar even gezien, doch dit durf ik gerust verzekeren, een lndiaansche is zij niet."
Anderen beweerden dat zij de een of andere krankzinnige was, enkelen gingen zoover met te beweren dat zij een bovenaardsch wezen of een fabelachtig figuur moest zijn - een boschgeest, een houtnimf of wel een betooverde prinses.
Het duurde dien nacht lang vóór dat Raoul de Soigny den slaap kon vatten, hoewel hij in het groote ledekant rustte, in zijn eigen kamer, waarvan hij zoo dikwijls in verre gewesten had gedroomd en met heimwee naar verlangd.
En toen hij eindelijk in slaap viel, droomde hij van niets anders dan van het geheimzinnige, dartele meisje uit het woud.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina