Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


XXIX.

Ondertusschen was Marie Louise le Blanc door de zusters goed in een shawl gepakt, met een sluier om het hoofd in de koets gestapt, die haar afhaalde zooals zij meende om haar naar het Hotel d'Armentières te brengen.
De koetsier, die de paarden mende was niemand anders dan neef Hendrik; hij legde de zweep over de dieren en de niet zeer zware karos vloog bijna over de hobbelige steenen der Parijsche straten.
Het boschmeisje lag in de kussens gedoken en was zoo vervuld van haar gedachten, dat zij niet eens merkte hoe de weg buitengewoon lang was; ook viel het haar niet op dat het rijtuig door haar geheel onbekende straten reed.
Eindelijk begon zij te bemerken dat de straat er uitzag als een soort van buitenweg met armzalige huizen aan weerskanten, die hoe langer hoe schaarscher werden, terwijl daar buiten het open land zich kaal en doodsch uitstrekte.
Angstig tikte zij tegen de ramen, maar de koetsier scheen haar niet te hooren of te willen hooren en de koets reed steeds voort.

[183:]

Toen kun zij haar angst niet meer bedwingen; met haar krachtige vuistjes stiet zij de ruit van het portier stuk, nam het glas er voorzichtig uit en toen de opening groot genoeg was om haar lichaam door te laten, sprong zij op het kozijn, liet zich op de treeplank glijden en sprong er handig af.
Nu pas merkten de koetsier en de palfrenier; die niemand anders waren dan neef Hendrik en een waardige vriend van hem, die om zijn slechte daden Holland had moeten ruimen en nu in Parijs een kroegje hield, waar allerlei menschen van twijfelachtige reputatie tezamen kwamen, haar vlucht.
Door grof geld had Hendrik den man weten over te halen hem in zijn stout-stuk bij te staan, hetgeen de andere, die door en door in Parijs en omstreken bekend was, gemakkelijk zou kunnen.
Hun doel was het arme meisje ergens op een eenzame plaats buiten de hoofdstad te brengen en haar op de een of andere wijze het eeuwig zwijgen op te leggen.
Wie schetst echter hun verbazing, toen zij het kind eensklaps uit de koets ontsnapt op den grooten weg zagen staan.
"Wilt gij mij nu zeggen," vroeg zij duidelijk verstaanbaar, "waarheen gij mij wilt brengen?
"Naar Armentières," antwoordde Hendrik's handlanger, "op bevel van de gravin!"
"Dat is de weg niet naar Armentières. Wij hebben dien niet gevolgd, toen wij in Parijs aankwamen!"

[184:]

Hendrik sprong van den bok en wilde haar met geweld weer in het rijtuig dragen, maar snel als de gedachte stiet- het meisje hem van zich af en snelde weg; te vergeefs trachtten de mannen haar in te halen, want het wilde kind der bosschen had haar oude kunst van loopen nog niet vergeten.
Bliksemsvlug was zij uit hun oogen verdwenen, de koets met haar twee geleiders stond ledig op den grooten weg en het meisje was nergens meer te zien.
"Er is niets aan te doen, wij moeten terug naar de stad," zei de Roelf, de andere spitsboef tot Hendrik, die hijgend terugkwam van zijn poging om het ontsnapte meisje in te halen.
"En zij dan?"
"Wat kunnen wij er aan doen? Zij is weg en laat ons hopen dat zij weg blijft!"
"Maar als zij terugkomt!"
"Wees dan blijde, dat gij op mijn raad een valsche pruik hebt opgezet en zij u niet herkennen kan; anders was het met uw invloed bij de oude menschen gedaan - als zij tenminste u niet naar de galeien zenden."
"Maar wat moet ik nu beginnen?"
"Naar, de stad rijden, terugkeeren naar uw vrienden en uw best doen heel gewoon te doen en er niets van te laten merken, wat gij hebt uitgehaald."
Er zat niet veel anders op. Hendrik vond in zijn logement het bericht der aankomst van zijn oom en tante en hoewel vol ergernis en toorn over het mislukken van zijn zoo goed opgezet plan, slaagde

[185:]

de veinzaard er in zeer veel belangstelling te huichelen in de verdwijning van het Boschmeisje.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina