Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


[37:] V.

De blijdschap van het boschmeisje duurde niet lang; spoedig bemerkte zij tot haar ontzetting dat zij gevangen was in een tamelijk eng vertrek en nu kende haar woede geen grenzen meer.
Zij vloog, eerst haar instinkt volgend, naar het raam, waardoor zij den blauwen hemel zag, maar de traliën ziende die het afsloten, schudde zij er vergeefs aan en merkte toen dat het raam van buiten nog door ruiten was afgesloten. Woedend stompte zij er met haar vuisten tegen en kletterend vielen de glazen op den grond; het ongewoon geluid en de wonden door de glasscherven op haar handen veroorzaakt, verbijsterden haar voor een oogenblik, maar dadelijk snelde zij weer naar de traliën en trachtte uit al haar macht ze te verwrikken.
Vergeefs! Vergeefs!
Toen greep dolle razernij haar aan; schreeuwend en tierend wierp zij zich op alles wat zich in de kamer bevond, scheurde de gordijnen, gooide de meubels omver, beet in de kussens, liep met het hoofd tegen den muur, wanhopend, gillend en kreunend, zoodat de gasten in het kasteel bevreesd en angstig in de gang bleven staan om naar hartelust te kunnen genieten van het akelig interessante geval, dat hen deed griezelen en toch zulk een welkome afwisseling bracht in de gewone sleur van hun vermakelijkheden.
Zoolang ging het meisje te keer totdat haar aanval van razernij van zelf bedaarde, en zij de vruchte

[38:]

loosheid inzag van haar pogingen toen de natuur haar rechten liet gelden en haar uitgeput deed neervallen.
Wanhopig snikkend zakte zij in een hoek der kamer ineen, bedekte het gelaat met de handen en scheen de kracht te missen op te staan; beurtelings kwamen de graaf en de gravin en hun vrienden en vriendinnen door het sleutelgat naar haar zien.
Zij voelde zich overwonnen, dat zag men aan haar geheele houding; zij, die zich in de bosschen als koningin had gevoeld, voor wie geen boom te hoog, geen rots te steil, geen afgrond te diep was geweest, die de herten in hun loop inhaalde, die wolven doodde en zich met hun bloed laafde, hazen levend verslond, vogels door haar gezang lokte, bergstroomen doorwaadde - zij voelde zich binnen deze vier muren machteloos.
Alles drukte haar neer, de zoldering van het vertrek hoe hoog ook, beroofde haar van het uitzicht op den oneindigen blauwen hemel; geen tien stappen kon zij doen of zij stiet tegen de muren. De eenige opening, waardoor lucht en licht tot haar kwamen, was door ijzeren staven voor haar gesloten. Het wollige van het tapijt gaf niet het zachte, frissche gevoel van het bedauwde gras - het bed was haar te zacht en te warm, zij, die nooit anders had geslapen dan op mos en droge bladeren.
Wat was er met haar gebeurd?
Zij kon het zich niet goed voorstellen, zij wist alleen, dat zij niet meer kon doen, wat zij wenschte, zich niet uitslaan, niet vluchten als er gevaar

[39:]

naderde in hooge boomen, of zich verbergen in rotsspleten - het scheen alles een droom; zou dit heerlijke vrije leven, het eenige dat zij kende, voor goed geëindigd zijn?
Wie kan zeggen welke verwarde gedachten opkwamen in haar aan geregeld denken zoo weinig gewende hersens en wat er in haar duistere ziel omging, terwijl zij daar neerhurkte in den hoek van de kamer, bijna geheel gewikkeld in den donkeren mantel van haar haren, de oogen woest heen en weer rollend, de handen druipend van bloed, aan haar lippen brengend om ze uit te zuigen.
Er waren dames genoeg, die uit medelijden haar wilden verbinden en troosten, maar de dokter verbood het ten stelligste.
"Men moet haar laten uitrazen; tot bezinning doen komen, dan eerst zullen wij tusschenbeide mogen treden," zeide hij.
"Maar als zij zich nu pijn doet of verwondt en misschien in haar gevangenis sterft?" vroeg Raoul.
De dokter schudde het hoofd.
"Wees niet bang! Zoover zal het niet loopen. Voorloopig kan zij zich geen ernstig kwaad doen. Alles wat wij zouden beproeven om haar te helpen, maakt haar nog boozer; zij begrijpt niet, dat wij het goede met haar voor hebben. Eerst langzamerhand zal dit denkbeeld in haar opkomen en aangroeien en dan kunnen wij pas handelen. De wilde natuur moet eerst uitvieren."
Een allerliefst meisje, een nichtje van den graaf d'Armentières, Simone, stond met betraande oogen

[40:]

niet ver van de deur - eindelijk kon zij het niet langer uithouden, en liep luid snikkend weg.
Nieuwsgierig volgde haar Raoul en haalde haar in de groote voorhal van het kasteel in.
"Wat scheelt u, jonkvrouw?" vroeg hij belangstellend, en bleef staan voor het meisje, dat bitter schreiend op een bank was neergevallen.
"Och", antwoordde zij, "ik heb zoo'n diep, diep medelijden met het arme boschmeisje; ik vergelijk haar lot met het mijne. Ik heb mijn lieve ouders wel niet gekend, maar ik heb een goede opvoeding ontvangen bij de Zusters van Sainte Thérèse en nu mag ik bij oom en tante d'Armentières blijven. Zij hebben geen kinderen en tante is voor mij als een moeder en oudste zuster tegelijk - waarom moet ik alles hebben en dit arme meisje, dat misschien zoo oud is als ik, heeft niets - niets..."
"Ja, zij is wel ongelukkig. Zij is nauwelijks mensch."
"Och ja! Zij kan niet praten als wij; zij weet niets van de meest gewone dingen, zij kan niet bidden, zij weet niet eens dat er een Onze lieve Heer in den Hemel leeft, die ook haar Vader is, zij schijnt niet veel meer te zijn dan de dieren in het bosch - en nu is zij opgesloten en heeft zooveel verdriet..."
"Maar lieve Simone! Dat zal het begin van een nieuw leven voor haar worden. Wij willen van haar een mensch maken, zooals gij en uw vriendinnen zijt. En gij moet haar helpen om mensch te worden."
"Ik?"
"Ja zeker, niemand zal het beter kunnen doen dan meisjes van haar leeftijd, die door liefde en

[41:]

zachtheid haar vertrouwen moeten zien te winnen."
"Zou ik dat kunnen?"
"Als gij het wilt, Simone!"
"O willen!"
Haar betraande oogen schitterden en zij vouwde de handen in vrome verrukking.
"Ik zou niets liever doen, maar hoe?"
"Lieve jonkvrouw! Dat kan ik u niet zeggen, uw hart zal het u moeten leeren!"
"Ik zou niets liever willen dan naar haar toe te gaan, haar te troosten en te liefkoozen, haar te zeggen dat ik zoo'n diep medelijden met haar heb en dat wij allen niets anders wenschen dan haar gelukkig te zien, maar u hoorde zelf wat de dokter zeide."
"De dokter is een verstandig man. Hij zal ons waarschuwen als het juiste oegenblik gekomen is om het boschmeisje met haar gelijken in aanraking te brengen."
"O mijnheer Raoul En zou ik dan met haar mogen spreken, met haar spelen en haar leeren?"
"Als uw tante het toestaat... "
Juist kwam gravin Diane met eenige van haar gasten druk pratend en redeneerend in de hal.
Simone vloog naar haar toe en kuste met het stijve ceremonieel uit die dagen, haar hand.
"Lieve tante," vroeg zij vleiend, "mag ik de goede vriendin worden van het boschmeisje?"
"Als zij zelf er niets tegen heeft, Simone - maar ik vrees dat zij op het oogenblik geen vriendin noodig heeft en haar vrienden van het bosch be

[42:]

treurt. Zij zou in staat zijn je te behandelen, zooals zij van morgen den wolf behandeld heeft."
"Maar, in geen geval mag de jonkvrouw er nu nog bij," verklaarde de dokter.
"Maar later?"
"O later, dat zullen wij zien!"
"Dan zal zij voelen dat ik van haar houd, dat ik haar geen kwaad zal doen en het beste met haar voorheb!" riep Simone.
"Zoo'n dweepstertje!"
En haar tante tikte haar vriendelijk tegen de frissche, nog niet door blanketsel ontsierde wang.
"Ik geloof ook," ging de dokter voort, "dat zóó zij later tot kalmte is gekomen, niemand beter eenigen invloed op haar zal kunnen uitoefenen dan een meisje van haar leeftijd en grootte, zij zal dan inzien dat die over haar geen macht kan verkrijgen door lichamelijke kracht, want u moet begrijpen dat alleen het instinkt haar voorloopig nog leidt."
"Hoe is het nu met haar?"
"Zij ligt nog rustig in haar hoekje; zij heeft de oogen gesloten, misschien dat de slaap haar overmant."
"En zou zij geen pijn hebben aan haar vingers?"
"De wonden zijn niet hevig. maar toch zal het bloedverlies en dat razen en tieren haar wel afgemat hebben - zij is nu machteloos!"
De graaf kwam binnen en verhaalde:
"Zij slaapt nu bepaald - soms krijgt zij een schok, schijnt op te schrikken. maar dadelijk valt zij weer terug in een soort van verdooving."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina