Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[122:]

MAILBRIEVEN.

Sedert het gevaar, waaraan haar Charlie was ontsnapt, kreeg mevrouw Van Helden een afkeer van haar woonplaats. Men had Sarimans spoor niet kunnen vinden; de Javanen fluisterden onder elkander, dat hij als hadji verkleed, de kusten had bereikt en toen op kosten van Demang Sitroh den pelgrimstocht naar Mekka ging maken. Katjong en Mira, onmiddellijk van het erf der familie Van Helden verwijderd, kregen weldra een anderen dienst - en na eenigen tijd diep getreurd te hebben over haren voortvluchtigen echtgenoot, verzocht en verkreeg Mira een scheidingsbrief van haar geestelijk opperhoofd den pangoeloe, waarna zij met den koetsier eener aanzienlijke familie in den echt trad om daarna op nieuw een echt Javaansch geluk te smaken onder de oogen van haar tevreden papa, die den ruil
Doch 't begon Van Helden te zeer te vervelen en hij vond dat 't overbodig was altijd in de nabijheid- zijner fabrieken te wonen. 't Volk werd oproerig; Demang Sitroh hitste hen op, en nu Cato toch in de wereld moest verschijnen, was 't veel beter haar entrée te maken in een der hoofdplaatsen. Hij wilde ook eens rusten, en de zaken aan zijn kundigen administrateur overlaten. 't Was altijd mevrouw, die deze zijne redenen blootlegde; mijnheer sprak er nooit over, doch zij des te meer; persoonlijk was zij tegen een verhuizing, doch hij wilde het, en wat kon men tegen den wil van den heer en meester doen?
Zij was niet bang voor de Javanen: zij verachtte hen te veel om ze te vreezen; te X had zij zoo veel lieve kennissen,

[123:]

ze had nooit iets anders gekend van de Indische samenleving; zij had er altijd gewoond, ze was er zoo thuis. Cato zou daar even goed kunnen trouwen als elders. Kwam het tot een engagement met den een of ander, zoo zouden de jongelui elkaar nooit beter leeren kennen dan in een stil, gemoedelijk plaatsje als X. En toch, wie bewonderde de gehoorzame vrouw niet? Vertrok zij niet louter om haar man pleizier te doen met hem naar Soerabaya, om een geschikte woning uit te kiezen en zich dan daar te vestigen? Ieder was er verwonderd over dat een vrouw, zoo fier en trotsch als mevrouw Van Helden, zoo aan haar man wilde onderworpen zijn. Hij was een akelig, lastig mensch: dat was wel aan hem te zien, en mevrouw handelde hoogst verstandig door hem steeds zijn zin te geven.
Vele mannen dachten, dat, wanneer hunne echtgenooten op de lieve mevrouw Van Helden geleken, zij heel anders zouden handelen dan die oude brompot; eenige dames verzekerden, dat zij nooit zoo onderworpen zouden zijn; anderen verklaarden, dat die gehoorzaamheid slechts voorgewend was en dat zij haar zwakken man geheel verdrukte.
Zoo kreeg dus op den bepaalden tijd mijnheer of mevrouw Van Helden, juist zooals men de zaak wilde opnemen, zijn of haar zin. 't Prachtige huis werd verhuurd en in de notabele wereld van Soerabaya ging een nieuwe ster op.
Cato, nu zestien jaar oud, kreeg de lange kleeren aan en deed haar eerste verschijning op een bal in de societeit met hare mama of gouvernante. Het kon niet anders of haar optreden tusschen twee zulke schoone vrouwen maakte weinig indruk. Mevrouw gevoelde dit en zij was een oogenblik in tweestrijd of het niet beter zou zijn Eugenie voortaan thuis te laten; doch na rijpe overweging besloot zij tot het tegendeel. Sedert Charlies ongeluk was zij dankbaarheid aan juffrouw De Lody verschuldigd; 't beste middel om zich daarvan te kwijten was haar gelegenheid te geven tot een goed huwelijk, dat dan bij haar aan huis plechtig moest gevierd worden en waarbij ze dan tot opluistering een prachtig cadeau zou voegen. Gebeurde dit, dan was haar huis voorgoed van alle mogelijke gouvernantes bevrijd. Leentje kon alles wat haar nog aan kennis ontbrak, aanvullen door privaatlessen; voor Charlie zou zij een gouverneur nemen.
Voor hem wenschte zij ook, dat Eugenie heenging. Sedert zij hem het leven had gered, was hij nog inniger aan haar gehecht geraakt. De verwende knaap, die naar niemand

[124:]

luisteren wilde, was aan Eugenie gehoorzaam en onderworpen; voor haar wilde hij zelfs 't abc leeren, en hij verhaalde haar dikwijls in 't geheim, dat zij veel liever was dan zijn mama en zusters. Dit hinderde mevrouw geweldig; zij werd jaloersch op Eugenie en zij verwenschte de verplichting, die haar belette 't meisje zonder plichtplegingen haar afscheid te geven.
Eugenie moest naar elke comedie, elk concert, elk bal, dikwijls tot haren grooten tegenzin, want die herhaalde uitgaven voor haar toilet schoten een geduchte bres in het beursje, waarin zij hare spaarpenningen zorgvuldig bewaarde.
Zij maakte veel opgang; ze vereenigde ook alles in zich wat een meisje aantrekkelijk maakt: aristocratische houding, fraaie oogen, vriendelijke glimlach, prachtig haar, smaakvol en toch eenvoudig toilet, geestige repliek, een groot talent voor de piano en - zuchtten velen - “toch geen hart.”
“Gij zijt te veeleischend,” zei mevrouw eens half ernstig, half schertsend tot haar, toen zij van een rozenrood briefje van een jong officier een scheepje maakte voor Charlie. “Pas toch op, dat gij, om het onderste uit de kan te willen hebben, niet het lid op den neus krijgt.”
“Beter nooit een, dan een die mij niet of slechts half aanstaat.”
“Maar, mijn hemel, dan hebt gij een positie! ’t Aanstaan komt later.”
“Nu heb ik ook een pollitie en die heb ik aan mij zelve te danken. Trouw ik, dan komt alles van mijn man.”
En toch zag Eugenie vol schrik uit naar den dag, waarop de dienstbaarheid haar zou vervelen en het heimwee haar aangrijpen naar een eigen huis en haard, naar een gelukkigen kring, waarvan zij 't middelpunt zou zijn. Wie verzekerde haar, dat op zulk een oogenblik zich een partij zou voordoen, die haar zelfs maar half beviel!
In de eerste dagen, die zij te Soerabaya doorbracht, kwam per mail een brief van haar voogd, eenige korte, diep ontroerde letteren, waarin hij haar meldde dat zijn trouwe gade hem ontvallen was en dat hij haar had moeten toevertrouwen aan den vreemden grond, waarvan zij zoo afkeerig was.
Diep bedroefd herlas Eugenie die woorden; zij had hare beste vriendin verloren. Zoo was zij dan dood, die goede, lieve vrouw, ver van haar schoon vaderland, door onmetelijke zeeën gescheiden van de plek, waar steeds haar hart

[125:]

woonde: Eugenie zag naar buiten: de zoo vaak door mevrouw Gravenheerd betreurde zon schitterde en brandde in dien verterenden gloed, welken zij ginds zoo miste en die alleen haar wellicht gezondheid en leven had teruggeschonken. Weer was een band verbroken, die haar aan 't leven hechtte; eerst haar vader, toen Hartwig (hij was immers dood voor haar) en nu eindelijk ook zij! Ach, wat was toch het leven!
“Wat draait het rad der fortuin toch!” Die opmerking was niet van Eugenie, maar van mevrouw, die ook hare brieven had gelezen en ze toen Van Helden overhandigde.
“Onze goede broeder en zuster zijn totaal failliet.”
“Wie, Carel failliet?”
“Goed en deugdelijk, en ze komen naar de Oost en ze rekenen op de lieve Fanny, die zoo rijk en edelmoedig is, opdat zij bij haar man spreke van hulp of plaatsing. Carel moet zijn carrière op nieuw van onder af beginnen Maar juffrouw Lody, trek u dat zoo niet aan, ik geloof dat u schreit.”
“Ik heb een treurige tijding ontvangen, mevrouw; mijn voogd heeft zijn vrouw verloren.”
“Zoo? Ik condoleer u wel. Och ja, er komt nooit een mail of de een of ander ontvangt een treurig bericht. Dat ziet u aan ons: mijn eenige zuster is nu zoo goed als arm, door treurige omstandigheden buiten de schuld van haar man, en nu ben ik er gelukkig nog om alles goed te maken. Wat zeg je er van, Van Helden? Je bent de baas, je moet het maar weten.”
“Ik zeg dat Ferner een flink werktuigkundige is en ik hem best op mijn fabriek Sarayang zal kunnen plaatsen; Melanie kan natuurlijk bij ons logeeren.”
“Als je 't zoo regelt vind ik het heel goed. Om je de waarheid te zeggen, ben ik erg verlangend Mely te zien. ’t Is toch mijn eenige, naaste bloedverwant; Geloof je 't ook niet?”
Van Helden zweeg en streek met de linkerhand langs voorhoofd en oogen.
“Wij hebben aan ons eigen genoeg, Fanny.”
“O, dat is zeker, beste, en ik ben er zoo blij om!” Maar dit was weer met de lippen gezegd, op een manier, die Eugenie altijd onaangenaam trof. Zij verliet de achtergalerij en ging naar de studeerkamer; zij dacht niet enkel aan mevrouw Gravenheerd: een naam speelde haar door het hoofd.
“Leentje,” vroeg zij, bij hare leerling gekomen, “zeg me eens hoe je mama van zich zelve heet.”

[126:]

”Weet u dat niet eens, juffrouw?”
“Ja, maar niet zeker. Is 't niet Varsini?”
“Dat zou men denken door mama's schrift, maar 't is zo niet, zij heet eigenlijk Van Senne.”
Eugenie schrikte hevig.
“Hartwig van Senne?” vroeg zij.
“Neen, niets dan Van Senne.”
Leentje maakte haar thema verder af.
“Hoe komt u aan dien naam van Hartwig?” hernam zij na een poos.
“Ik heb die namen wel eens zoo bij elkaar gehoord.”
Cato, die aan het naaien was, kwam naderbij.
“Wij weten niets van mama's familie,” sprak zij een weinig geheimzinnig, “mama spreekt er nooit van en ik nog minder; maar eens vonden we tusschen mama's boekjes een heel klein cahier en daar stond een soort van hoe heet het ook Leen?”
“Een stamboom? Voorzichtig Cato, als men't toch hoogerop hoorde!”
“U houdt het voor u, nietwaar juffrouw? In den stamboom stond bovenaan: Edmond van Senne en Cunigonda Hartwig.”
“En toen, en toen?” drong Eugenie aan met schitterende oogen en kloppend hart.
De goede Cato was blijde, dat zij zooveel belangstelling opwekte. Leentje bestudeerde zwijgend elke spier van Eugenies gelaat.
“Getrouwd den zooveelsten, en dan was er zoo’n haakje gemaakt, zooals u ze zoo netjes teekent, en daaronder stonden eerst een paar namen en dan: Hartwig van Senne, daarnaast Fanny, dat was mama, dan Eugenie, die is overleden - en eindelijk Melanie, dat is tante Ferner. Dit is alles wat we van mama's familie weten. Van dien oom hebben we nooit iets gehoord. 't Spijt mij wel, 't is zoo prettig een oom te hebben.”
“Juffrouw, klap toch niets over!” bad Leentje.
“Maar heb ik dit dan ooit gedaan, Leen? Daarbij, wat gaat het mij aan of uw mama één of geen broer heeft!”
Geen der meisjes vermoedde het belang dat Eugenie in die genealogie stelde. Eindelijk was het haar duidelijk: bijna twee jaar lang was ze bij Hartwigs zuster geweest, zonder het te vermoeden; nu wist ze ook waarom hij haar niet meer schrijven wilde, waarom haar alles in mevrouw Van Helden aan hem deed denken. Zij was ongetwijfeld het meisje, welks

[127:]

portret hij niet had en dat volgens de kleine schilderij op den grond zat te spelen. Zij telde de dagen, welke nog moesten verloopen voor Ferner en zijn vrouw aankwamen; misschien was mevrouw Ferner het evenbeeld harer zuster, doch wellicht ook van haren broeder.
Eens op een middag was zij uit rijden geweest met mevrouw en de meisjes; altijd moest ze naast mevrouw zitten, een reden tot groote jaloezie van Leentje, die onophoudelijk trachtte om Cato tegen haar gouvernante op te zetten, maar deze was te goedhartig om ijverzuchtig te wezen. Zij hield veel van Eugenie en vond het zeer natuurlijk, dat men meer werk maakte van zulk een mooi geestig meisje, dan van haar. Zij had immers iets wat meer waarde had dan alle talenten en schoonheid van juffrouw De Lody geld. Nu hare pogingen bij Cato mislukten, begon Leentje haar mama te bepraten om de gouvernante weg te doen. Ofschoon mevrouw Van Helden er niets van liet merken, versterkten Leentjes woorden haar in het opgevat besluit; zoodra de kans gunstig stond moest Eugenie uit het huis.
Zoover waren de zaken toen het rijtuig het erf weer opreed en Van Helden sneller dan zijn gewoonte was, naar het portier ging en zijn vrouw toefluisterde:
“Ferner en Melanie zijn aangekomen.”
“Waar is ze?” riep Cato. “Ach, ik ben zoo nieuwsgierig eindelijk eens een oom en tante te zien.”
“Maar Cato, schreeuw toch zoo niet,” zei mevrouw op dien ijskouden toon, welke op het vuur van Cato's geestdrift de uitwerking had van een stortvloed koud water over gloeiende kolen.
“Houd je vooral bedaard en wees voorkomend, bescheiden en vriendelijk.”
En zelve 't voorbeeld van de grootst mogelijke kalmte gevende, stapte mevrouw uit, ging de galerij door naar de pianokamer, waar het licht reeds was opgestoken. De meisjes bleven in de voorgalerij staan, verlegen om binnen te treden.
“Ach Fanny, lieve Fanny!” riep een stem en Eugenie zag een allerliefst, klein gracieus figuurtje naar mevrouw Van Helden toesnellen, zich aan haar hals werpen en hoorde haar hartstochtelijk snikken. Mevrouw liet haar begaan, zelve even koud blijvend als ging die omhelzing haar niet aan. Onwillekeurig dacht Eugenie aan den broeder, op wiens schoot diezelfde mevrouw Ferner zoo vertrouwelijk had gezeten. Zou die herinnering geheel uit haar geest zijn geweken?

[128:]

Mijnheer Ferner wachtte op het einde der aandoening zijner vrouw om op zijn beurt zijn schoonzuster den welkomstkus te geven. Hij was een knap man met een aangenaam open voorkomen, blonden naar het rood overgaanden baard en niettegenstaande zijn reiscostuum eenigszins in de war was, zag men er duidelijk uit, dat hij met die smaakvolle eenvoudigheid was gekleed, welke de volmaaktheid is in een heerentoilet. Mevrouw maakte zich eindelijk los; mijnheer Van Helden riep de meisjes binnen, maar nog voor deze schoorvoetend aan dit bevel en Eugenies aandringen gehoorzaamden, was Melanie naar hen toegevlogen en wierp zich om Eugenies hals.
“En gij zijt Cato, nietwaar? Ach, wat lijkt ge veel op mijn lieve, arme Eugenie.”
“Excuse, mevrouw!” zeide Eugenie beleefd; “ik ben uw nichtje niet, ik ben de gouvernante.”
“Och, neem me niet kwalijk. Ik ben zoo ontroerd,” en nu wendde zij zich tot de twee anderen. Cato lachte, Leentje keek als een spin. Uit bescheidenheid verwijderde Eugenie zich en eerst aan tafel zag zij het gezelschap terug. Haar eerste blik gold Melanie Ferner. Onmiddellijk had het jonge vrouwtje haar hart gewonnen; zij had niets van de indrukwekkende schoonheid harer zuster, niets van de krachtige persoonlijkheid haars broeders; zij was fijn, lief, zacht gebouwd en als men niet wist dat zij bijna dertig jaar telde, zou men haar er nog geen twintig geven. Wellicht brachten de lichtbruine, korte krulletjes er veel toe bij om haar dat voorkomen van jeugd te schenken. Hare oogen, die van dezelfde nuance waren als het haar, hadden iets naïefs, beschroomds, iets onschuldigs. Melanie was meer een meisje dan een vrouw of liever nog een kind dat men verwende en vertroetelde. Mevrouw Van Helden was heel op haar gemak, vriendelijk tegen haar zusje, schoon zij volstrekt niet toegaf aan eenig uiterlijk liefdebetoon, beleefd tegen haar zwager en statig als altijd tegenover hare kinderen.
“Wat lijkt de juffrouw op Eugenie,” zeide Melanie reeds in het eerste oogenblik.
“Zij heeft ten minste haar naam,” merkte mevrouw eenigszins spottend op.
“Och, dat ook al?”
“U is de eerste niet, die dat opmerkt,” wilde Eugenie zeggen, maar zij zweeg, niet wetende waartoe die opmerking zou kunnen leiden. Er kwam een zonderlinge gedachte bij

[129:]

haar op; zij stelde zich voor lid geworden te zijn van die familie, bij voorbeeld door haar huwelijk met Hartwig.
't Was zot; zij moest er zelve om lachen, maar 't was ook slechts een idee.
Hoe zou mevrouw Van Helden haar minachtend aanzien. Waarom minachtend? Was zij dan door hare geboorte niet hun gelijk? Was zij geen jonkvrouw De Lody en wierp een eerlijk bestaan dan een smet op een adellijken naam?
Den volgenden avond was het ijs reeds wat gebroken. Mevrouw had het druk met een jong ambtenaar van de rechterlijke macht, zekeren Scheller, die juist alles in zich vereenigde wat zij wilde zien in een schoonzoon, maar die, helaas, veel meer geboeid scheen door de gouvernante dan door Cato. Ferner zat met Eugenie te praten, Melanie keuvelde als een jong meisje met Cato en Leentje; naar gewoonte las Van Helden de courant, zich om niemand bekommerende.
“Heb ik uw naam niet meer gehoord, juffrouw Lody?” vroeg Ferner.
“Wel mogelijk, mijnheer; mijn papa was majoor van het Oost-Indische leger.”
“Neen, zoo bedoel ik 't niet. In de nabijheid van ’t stadje Groenendam werd mij eens een ijzeren hek gecommandeerd door een jonkvrouw De Lody.”
“Dat was zeker mijn grootmoeder,” antwoordde Eugenie een weinig blozend; zij begreep dat het hek zeker niet de gieterij had verlaten.
“Ik heb den naam onthouden, omdat ik nog een heele correspondentie heb gehad over dat hek, waarvan ’t einde was, dat ik er mee bleef zitten.”
“Dat dacht ik wel; 't kasteel behelpt zich nog met een heining.”
“Maar de familie De Lody is zeer oud. Stamt u daarvan af?”
“Ik geloof dat ik de laatste ben van 't geslacht.”
“Is u dan van adel, juffrouw, of laat me liever zeggen, freule?” vroeg Scheller.
“Zeker, wist u dat niet?”
“U heeft er nooit iets van gezegd,” zei mevrouw.
“Och, ik geef niets om dien Habenichtsadel,” antwoordde Eugenie op een toon, waarin Hartwig een groote mate van trots zou hebben gevonden.
“'t Klinkt toch wel mooi zoo'n adellijken titel,” meende Melanie.

[130:]

Mevrouw was niets gesticht over die ontdekking, waardoor Eugenie onwillekeurig in Scheliers achting zou rijzen.
“Kent u de douairière Van Dinteloord?” vroeg Ferner, die een weinig bekend was in Groenendam. 't Gesprek liep een poos over de Groenendammers; duizendmaal zweefde over Eugenie's lippen de vraag:
Kent u ook den Heer Hartwig van Senne?” Maar mevrouw Van Helden hoorde alles wat ze zeide en zij was bevreesd dien naam in hare tegenwoordigheid te uiten, zij wist zelve niet waarom.
Twee of drie dagen gingen voorbij zonder dat zij die vraag; welke op hare lippen brandde, kon uitspreken. Met mevrouw Ferner was zij op den besten voet. 't Was niet mogelijk een schepsel zoo lief, zoo zacht als Melanie te kennen en haar niet lief te hebben. Degelijkheid was niet in de verste verte bij haar te vinden; zij kon niets alleen, alles moest Ferry doen. Hij verwende haar en toch was ze bang voor hem; ze durfde niets, want dan zou Ferner knorren. De grootste ramp was een zuur gezicht van hem; een hard woord zou zij hebben bestorven. Melanie was bang voor de zwarte Javanen, bang alleen in de kamer te zijn, bang als zij in het rijtuig zat en de paarden te hard liepen; zij werd bleek als Charlie schreeuwde, vuurrood als Fanny hare dochters of de bedienden beknorde, onrustig als Ferry te lang uitbleef.
Zij was gewoon dat ieder haar lief vond en als kind behandelde en toch, dat alles haar wil volgde. Zij had haar vermogen verloren en toen even hard geschreid als op de dagen, toen de regen een prettig uitstapje onmogelijk maakte; maar toen Ferner haar zeide dat er nog volstrekt geen noodzakelijkheid was in een armoedig huisje te gaan wonen en droog brood te eten, dat zij naar de Oost gingen, waar Fanny woonde en waar het nooit koud was, droogde zij hare tranen en beknorde Ferry, die haar gezegd had, dat ze nu arm waren. Misschien zou hij wel soms verlangd hebben een vrouw te hebben, die hare roeping trouw, hem opbeuren en sterken kon door woord en voorbeeld, maar hij had de zijne lief zooals ze was en nooit duurde zijn spijt over de haar ontbrekende eigenschappen langer dan een poosje.
Eugenie zag in, dat Hartwig, voor wien de zwakheid zooveel aantrekkelijks had, dit jongste zusje evenals alle anderen het deden moest hebben vertroeteld. Maar hoe dacht zij over hem? Eindelijk was ze met beiden alleen. Handig bracht Eugenie het gesprek op Groenendam en verhaalde van haar kasteel.

[131:]

Melanie begreep niet hoe men van angst in zulk een ruïne kon slapen. Ferner vroeg of zij geen buren hadden; mooier gelegenheid bestond er niet en heel natuurlijk gaf zij ten antwoord:
“Slechts één, kent u dien ook, mijnheer Hartwig van Senne?”
Zij zag niet op; ze was bang zich te verraden, want zij voelde welk hoogrood hare wangen dekte.
“Neen,” antwoordde Ferner ijskoud, “zulke menschen ken ik niet.”
Hij twijfelde nog of zij iets wist van de famiiebetrekking tusschen hen. Melanie zeide niets, maar ze was bleek als een doek en haar oogen zagen vol angst Ferner aan.
“We hadden een heel prettigen buur aan hem,” ging Eugenie onschuldig voort, “een zeer bereisd man.”
Ferner stond op en ging de kamer op en neer. Een oogenblik later vroeg hij iets over de suikerfabriek te X en zoo was 't gesprek afgeloopen. Eugenie was erg geïntrigeerd; maar na de ontvangst, welke die vraag had gevonden, was haar moed verdwenen om dat onderwerp nog eens aan te roeren. 't Was dan ook niet noodig: 's middags, toen mevrouw met de meisjes een zeer deftige visite aflegde, wandelde zij alleen in den tuin. Daar zag ze Melanie aankomen.
“Juffrouw De Lody,” vroeg zij, “mag ik u zoo kortweg Eugenie noemen?”
“Wel zeker, mevrouw, 't zal me zeer aangenaam zijn.”
“Noem mij dan ook Melanie, maar laat Fanny het niet hooren; zij vindt het misschien niet goed.”
“O neen, mevrouw, 't past mij niet de zuster mijner meesteres bij den naam te noemen.”
“Ach, wat zijt ge toch nederig.”
Eugenie lachte.
“Ik geloof dat dit meer trots dan nederigheid is,” antwoordde zij.
“Ik moet u spreken, lieve Eugenie! Wacht even; als Ferry 't hoort zal hij ernstig boos wo,rden, laat ons wat opwandelen, Zou hij niet kunnen luisteren?”
“En hij is nog in huis.”
“Dat is waar ook. Wij zullen maar goed kijken dat hij ons niet verrast. Zeg eens, Eugenie, is 't waar dat gij Edmond kent?”
“Wien bedoelt mevrouw?”
“Och ja; ik noem hem alleen zóó, ik vond zijn naam zoo leelijk, Wolfgang ‘t staat zoo wolfachtig.”
“Maar wie is dat dan, mevrouw?”

[132:]

“Vanmorgen hebt gij over hem gesproken?”
“Ik?”
“Ja zeker. Ach, wees zoo onbegrijpelijk niet! Hij was immers uw buurman!”
“Spreekt u van den heer Hartwig?”
“Nu ja, zoo heet hij ook. Hij heeft vier namen.”
“Kent u hem dan ?”
“Ik zou hem niet kennen! Hij is mijn broer, mijn eenige broer. Is 't nu niet hard, Eugenie? Ik mag nooit over hem spreken, of ze kijken zoo streng en zoo boos.”
“Maar waarom toch? Uw broeder is geen man voor wien men zich moet schamen. Ik heb nooit een man gezien, zoo begaafd, zoo geheel edelman, zoo...”
“Eugenie, wat houd ik toch veel van je, nu je zoo spreekt. Ach ja, Edmond is zoo'n goede jongen; hij hield zoo veel van mij, maar Fanny en Van Helden en zelfs Ferner willen niets van hem weten.”
“Dat is geen reden voor u om het ook te doen.”
“Oordeel niet zoo gauw, Eugenie. Kom hier, ik zal ’t je vertellen, maar 't is een groot geheim. Weet je wat ze van Edmond zeggen?”
“Zeker, doch ik geloof 't niet.”
“Ik ook niet, neen, volstrekt niet. Ik heb 't altijd gezegd of gedacht: wat ze van hem vertellen is niet waar.”
“En toch schrijft ge hem nooit, toch doet ge of ook gij van zijn schuld overtuigd zijt.”
“Ach Eugenie, wat weet ge nog weinig van de zaak. Voor ik trouwde heeft Ferner mij laten beloven, dat ik hem nimmer meer zou zien of schrijven.”
“Ik had zoo'n belofte nooit afgelegd.”
“En dan was hij niet met mij getrouwd.”
“Ik zou geen man willen hebben, die ten onrechte in mijn broeder een moordenaar zag.”
“Ach Eugenie, maar ge zijt ook zoo verstandig en ferm, evenals onze Eugenie; die was eerst met Ferner geëngageerd en daar kwam die treurige geschiedenis er tusschen. Toen wilde hij ook van haar hebben, dat zij alles met Edmond zou afbreken; maar ze zei neen, kortaf neen. Wat was hij toen ongelukkig, die arme Ferry, en zij ook. Ja, ze zei ’t wel nooit, maar ze leed er veel door. Ach Eugenie, 't is zoo pleizierig uw naam te noemen: dan denk ik dadelijk aan haar; ze was mijn tweede moeder; ja, ze was heel anders dan Fanny, lang zoo trotsch niet. Waarom zijn alle goede menschen dood voor mij?”

[133:]

En zij begon te schreien.
“Heeft Ferner u toen later gevraagd?”
“Veel later; ik woonde samen met Eugenie in Arnhem. Eens stortregende het en ik stond onder een portaal te schuilen in 't eene hoekje en hij in 't andere. Daar is onze kennismaking begonnen; o, dat was zoo aardig! “Leelijk weertje, juffrouw.” “Heel leelijk, mijnheer,” en toen spraken we over den regen en toen over den zomer en eindelijk vroeg hij mij waar ik woonde. Ik zeide mijn naam. “Kent ge mij niet meer?” “He! is u dan Carel Ferner?” “Juist. Denkt Eugenie nog aan mij?” Ik antwoordde, dat zij meer aan Edmond dacht dan aan hem. Dat was heel onbeleefd, want hij zweeg dadelijk, maar daar kwam een kleine jongen aan, die zijn paraplu kwam brengen en hij vroeg of hij mij naar huis mocht geleiden en ik zei van ja. Ik was zoo bang dat ik hem boos had gemaakt. We kwamen thuis; toevallig staat Eugenie ook te schellen voor de deur: de kennis werd hernieuwd. Ferner kwam bij ons; eerst alle maanden, toen alle weken en eindelijk alle dagen. Ik vond het zoo. prettig met em te praten en te dammen. Eens waren we alleen, toen vroeg hij mij of ik zijn vrouw wilde worden, maar dan mocht ik nimmer spreken van Edmond. Ik schrikte zoo want ik had nooit aan trouwen gedacht; dadelijk ging ik naar Eugenie.
Ach, ik zie haar nog voor mij, die goede meid. Ze begon toen reeds bleek te zien en klaagde over pijn op de borst.
“Melanie,” zei ze, “gij zult gelukkig zijn met Ferner, daaraan twijfel ik niet; ik ken hem te goed. Hij wil dat gij uw eenigen broer zult verzaken, ik heb 't niet gewild eenige jaren geleden en nu we zelfs niet weten of Wolfgang leeft dan wel dood is, zou ik 't nog niet doen. Maar gij moet de inspraak volgen van uw hart. “ 't Was moeielijk alleen te beslissen, maar Ferner hielp me met zijn raad en nu zijn we toch getrouwd. Och, begin me van Edmond te vertellen. Later zal ik u 't vervolg der geschiedenis verhalen; later als we veiliger zijn. Zeg me, hoe ziet hij er uit; hij is erg lang, nietwaar?”
't Was voor Eugenie een genot, eindelijk eens over Hartwig te kunnen spreken; zij verhaalde Melanie alles wat ze van hem wist en mevrouw Ferner weende en lachte tegelijk en verklaarde, dat zij toch erg verlangde, eindelijk eens haar broer te zien. Maar daar verscheen Ferner en uit was 't gesprek.









volgende pagina | inhoud | volgende pagina