Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[156:]

DE ZWAGERS.

Den volgenden morgen bij 't ontbijt was Melanie niet tegenwoordig; zij was nog niet heel wel. Mevrouw sprak geen woord; haar gelaat stond strak, en zelfs Charlies zoogenaamde aardige
“Kom eens mee, Cato,” zeide ze: “ik moet je spreken.”
't Meisje werd doodsbleek en volgde mama naar papa's kantoor. Leentje wist niet wat te denken, en toen Cato in 't eerst niet terugkwam, besloot ze aan Eugenies verzoek te voldoen en aan haar werk te gaan. 't Duurde niet lang of men hoorde luid snikken; Cato kwam binnen, den zakdoek voor de oogen gedrukt en aan een bittere droefheid ten prooi.
“Wat deert u?” vroegen Leentje en Eugenie.
“Ach, die mama;... ze zegt ze zegt, dat ik in den tuin een heer..., maar 't is niet waar zij gelooft het niet...“
Leentje zag Eugenie verbleeken; zij keerde zich om en zette hare bezigheden voort. Cato huilde een poosje, toen droogde zij haar oogen, begon te haken en slechts een enkelen keer werd het werk door nieuw gesnik onderbroken.
Intusschen was mevrouw Van Helden naar hare zuster gegaan; Melanie zat voor de toilettafel zich te kappen en begroette de binnentredende met een vriendelijken glimlach, waarin het minst geoefend oog een groote verlegenheid zou hebben ontdekt.
“lk hoor, dat je niet wel zijt, Melanie?” begon mevrouw Van Helden.

[157:]

“'t Gaat nu wat beter, Fanny! Dank je voor de belangstelling. Als ik straks buiten kom, zal de hoofdpijn wel vervliegen.”
“Och, je kunt van geluk praten, dat je geen kinderen hebt; 't is wat moeder van drie te zijn! Dat weet je niet hoeveel zorgen ik heb; ach kind, als Van Helden de deur uitgaat, is alles mis. Gelukkig dat hij vandaag thuis komt.”
“En Ferner ook. Wat ben ik blij!”
Maar toch sloeg zij, van hare schuld bewust, het oog ter neer. Dit ontging hare zuster niet, die vervolgde:
“De mannen noemen zich heeren der schepping en hebben ontzaglijk veel verbeelding; maar de vrouwen geven hun daartoe het recht. Is 't nu niet verschrikkelijk Melanie, dat ik het kalm moet aanzien hoe mijn dochter rendez-vous geeft in den tuin en het later hardnekkig ontkent, ofschoon ik de bewijzen harer schuld in handen heb?” zoo sprekend haalde mevrouw Van Helden 't witte dasje voor den dag, waarvan zij wist dat Melanie het van Cato had ontvangen. “En nu kom je mij die strengheid tegenover zulke meisjes verwijten. Arme Charlie, wat beteekent zijn kinderachtigheid hierbij? Maar ik kan niets anders verwachten als een geëmancipeerde vrouw de leidster is van zoo'n onnoozel schaap als mijn Cato.”
Melanie sprak geen woord; ze beefde als een.riet en tevergeefs trachtte zij te onderzoeken of hare zuster ironisch dan wel in ernst sprak. Plotseling hoorde zij 't gerol van wielen.
“Ferner!” riep zij.
“Van Helden! O, wat begin ik, wanneer hij alles hoort!” en zij wrong de handen, schijnbaar aan groote verlegenheid ten prooi. Melanie wist niet wat te doen: alles aan hare zuster bekennen of het ontkennen. Eindelijk koos zij het gewone middel der zwakke zielen: alles aan den loop van het toeval over te laten. Een oogenblik later stonden beide zusters voor hunne echtgenooten. Ferner omhelsde hartelijk zijn lief vrouwtje; Van Helden vergenoegde zich zijn gade de hand te drukken: de kinderen kwamen ook groeten; Cato had haar oogen zoo goed mogelijk gewasschen en tot hare grootste verlichting zag papa niet, hoe bitter zij had geschreid. Leentje volgde hem op de hielen en toen hij haar vriendelijk vroeg, hoe 't met de studies ging, antwoordde zij met een diepe zucht:
“Ach papa, die arme Cato!”
Mijnheer Van Helden wilde er meer van weten en nu verhaalde zij hem de geheele geschiedenis van Eugenie en

[158:]

Scheller, 't rendez-vouz, hare waarschuwing, die mama spottend in den wind had geslagen, en nu eindelijk den aanval op Cato, die van niets af wist.
“Ik zal er met mama over spreken,” was alles wat zij ten antwoord kreeg. Een oogenblik later trad mevrouw in de kamer en Leentje sloop weg. De listige vrouw had hare berekeningen op Leentjes bekendmaking gegrond; zoodra Van Helden iets van de zaak wist, had zij Melanie en ook Eugenie in de macht.
“Heeft Leentje je iets verteld?” vroeg zij.
“Ja, maar ik begrijp er niet veel van.”
“Och, 't is heel duidelijk. Onze gouvernante was goed zoolang zij in de binnenlanden bleef, maar hier hebben zij haar 't hoofd op hol gebracht met hun complimentjes, comedies en charades en action. 't Meisje is zoo goed als bedorven; 't is jammer, heel jammer. Die gekke Scheller heeft haar een rendez-vous in den tuin gegeven en als masker heeft zij Cato meegenomen.”
“Doe haar dan weg!”
“Dat is mijn plan ook. We zijn haar Charlies leven verschuldigd, maar als zij zich zoo ongepast gedraagt, kan ik haar niet meer bij mijn dochters laten.”
“Dat spreekt.”
“Dus vindt ge het goed, dat ik haar na 't einde der maand laat gaan?”
“Zeer goed.”
Meer verlangde mevrouw niet. Zij wist dat Melanie haar man had verlaten om met Eugenie te spreken en haar zeker te verzoeken 't geheim niet te schenden.
“Is Ferner tevreden met de betrekking?”
“O ja! Zij kunnen reeds de volgende maand hun intrek te Serayang nemen.”
“Des te beter; dan zijn we weer onder ons.”
“Fanny, ik zal het je maar vertellen, wat een gekke ontmoeting wij op den laatsten post hebben gehad; Ferner wil niet dat Melanie 't weet. Verbeeld je, daar staat een rijtuig stil terwijI de postpaarden verspannen worden; twee heeren staan er naast en weet ge wie een hunner is? Wolfgang, uw broeder.”
“'t Verwondert me niet; ik heb hem op 't bal van den Franschen consul gezien.”
“En gesproken?”
“Wat denkt gij, dat ik mij met zulk volk afgeef! Neen Van

[159:]

Helden, zijn schanddaad heeft onzen band verbroken; ik heb mijn eer te lief, dan dat ik nog zijn zuster zou willen wezen.”
“O Fanny, gij zijt verschrikkelijk in uw haat!”
“Neemt gij zijn partij op?”
“Volstrekt niet; maar toen ik hem na zestien jaar zag, niet meer als den vroolijken jongen van vroeger, maar als een door smart gerijpten man, toen voelde ik iets Fanny; zie mij zoo streng niet aan, ik had medelijden met hem.”
“Bah!”
“Zoudt ge geen verschooning voor hem kunnen vinden?
“Zijn jeugd, zijn omstandigheden...”
“Neen, geen verschooning voor die onteerende misdaad; er bestond geen enkele reden voor.”
“En als zijn bedoeling niet was geweest om...,” Van Helden zag er bleek uit of liever geel als was; zijn oogen rustten op den grond en zijn hand drukte op zijn hart.
“Niet om te moorden maar om te stelen, dan was ’t even erg. Zeg niets tot zijn verdediging, Van Helden! In jaren is zijn naam niet over onze lippen gekomen; 't noodlot wil, dat het vandaag 't geval moet zijn, want hij is de oorzaak van al 't ongenoegen, dat ik ondervind. 't Is met hem en Melanie, dat de juffrouw een rendez-vous heeft gehad en niet zooals Leentje denkt met Cato en Scheller.”
“En toch beschuldigt gij Cato?”
“Laat dat aan mij over, Van Helden; de zaak is zeer ingewikkeld, maar ik zal haar ten einde brengen en Eugenie moet heen.” Zij verliet de kamer. Van Helden liet het hoofd op de handen vallen en een diepe, zware zucht ontsnapte zijn borst.
“O Fanny, wanneer zult gij de macht kennen, die ge altijd hebt uitgeoefend op den ongelukkigen man, van wien gij een slaaf maaktet. Wat hadt gij niet van mij gevormd, als gij hadt gewild, en nu Wolfgang, arme zoon van mijn grootsten weldoener! Waartoe zijt gij veroordeeld? Te dolen zonder huis, zonder vriend, zonder bloedverwant en toch, Wolfgang, ik benijd u! Groote God, Gij zijt rechtvaardig, aan uw oog ontkomt niemand.”
Mevrouw Van Helden ontmoette Melanie in de achtergalerij.
“Nu weet Van Helden alles,” zeide ze op een toon van diepe ontmoediging. “Die Leen heeft soms aanvallen van zusterlijke teederheid; in zulk een heeft zij alles aan haar papa verteld. Nu wordt het een lange, ellenlange geschiedenis. Van Helden is zoo'n raar mensch.”

[160:]

Melanie zweeg: haar tong weigerde allen dienst.
“Er wordt een proces-verbaal opgesteld, getuigen en feiten opgeroepen, verhoord en vergeleken. O, ik voorzie een zaak zonder einde. Weet je er niets van, Melanie? Gelukkig; ik wilde dat ik het ook kon zeggen.”
De arme mevrouw Ferner was bleek als een doek.
“Als je er iets van weet, verzoek ik je vriendelijk alles te bekennen; je begrijpt dat ik er op gesteld ben in mijn gouvernante een voorbeeld te vinden voor mijn dochters. Cato is zwak en laat zich leiden als een kind, maar we zullen 't haar afleeren; 't proces zal beiden heugen. Wat weet je er dan van?”
“Ach Fanny, lieve Fanny! Ge houdt u maar zóó; je weet alles. Ach, tracht de zaak toch te sussen; zorg, dat Ferner er niets van hoort.”
“Maar Melanie, wat mankeert je toch?”
“Ga met mij mee naar de dispens, en ik zal je alles vertellen.”
“Zoo, je schijnt dus meer te weten, dan ik eerst vermoedde. Zoo, zoo, zou mevrouw Ferner ook intrigeeren met mijn dienstbaren!”
Schreiend werd de bekentenis afgelegd; mevrouw Van Helden zag strak voor zich, nu en dan schudde zij ’t hoofd en toen de jongste geëindigd had, sprak ze:
“Als je met mij alléén te doen hadt, zou ik de zaak eenvoudig laten rusten, maar Van Helden weet het en als ik je daarin betrek, komt alles uit.”
“Maar dan ben ik immers voor mijn leven ongelukkig; wanneer Ferner weet dat ik mijn belofte heb geschonden, dan is de vrede tusschen ons voorgoed en voor altijd verdwenen. Ach Fanny, maak mij niet rampzalig!”
“Er is geen quaestie van mij, beste; wil je met Van Helden spreken, ofschoon ik niet geloof, dat dit veel helpt, dan staat je zulks vrij; maar ik kan er niets aan doen: ik ben de vrouw, hij is de baas.”
“Je voorspraak toch, Fanny!”
“Die helpt niets. Bij den laatsten post hebben beiden uw lieven broeder ontmoet. Van Helden was bang, dat hij met ons in gesprek was geweest en Ferner heeft hem verzocht er u niets van te zeggen. Ik heb mij natuurlijk heel verwonderd gehouden, maar als je Van Helden hadt hooren praten, dan zou al je hoop vervlogen zijn om van hem toegevendheid te verwachten.”

[161:]

“Wat moet ik dan doen, Fanny?”
“lk weet het niet. Ik heb je genoeg gewaarschuwd en toch heb je met die gouvernante samengespannen tot zoo iets...'t zachtste woord is iets onvoorzichtigs.”
“Ik had zoo'n verlangen, zoo'n groot verlangen om hem te zien en daarom....”
“'t Is nog al de moeite waard om voor een schurk als hij, een fatsoenlijk man te mishagen. Foei, Melanie, hoe kinderachtig!”
Melanie dacht er aan, dat hare zuster Eugenie en ook de andere Eugenie stoutweg zouden geantwoord hebben, dat het juist edel gehandeld was den verstootene te erkennen in spijt van ieders meening, en zij wilde het ook zeggen, maar elk woord bleef haar in de keel steken. Wat hielp het ook of zij 't aan Fanny zeide, als Ferner 't dan toch nog eens moest weten?
“In Gods naam, Fanny,” was alles wat ze kon uitbrengen: “help mij!”
“Ik kan 't onmogelijk. Van Helden is zoo opgewonden over die zaak; 't eenigste wat u kan helpen, is, dat de juffrouw zich doodstil houdt en niets verklapt.”
“Dat zal ze doen, want ze heeft het beloofd.”
“Ik zal me houden of ik 't niet beter weet en dan blijft het bij den schijn. Cato heeft met Eugenie en Scheller in den tuin een rendez-vous gehad, de gouvernante zal ’t niet ontkennen, en daarom moet zij weg. Cato krijgt een zalvende vermaning en wij zwijgen als 't graf.”
“'t Is toch erg onrechtvaardig.”
“O, 't stuit mij vreeselijk tegen de borst zoo te moeten handelen en 't is alleen om uwentwil, dat ik ’t doe; niets is me liever dan recht door zee te gaan en alles aan mijn man te zeggen, zooals 't werkelijk is; ik ben niet gewoon voor hem geheimen te hebben. Dit eene ding is echter zeker - of Lody in den tuin met Scheller of met dien gemeenen jongen heeft gesproken, - langer in mijn huis blijven kan zij niet: zij moet weg.”
“En dan zal haar naam door mijn schuld bevlekt worden! Och Fanny, dat zou wreed zijn, zoek er iets anders op!”
“Nogal iets anders; een van tweeën is slechts mogelijk: misbruik maken van haar belofte, over de zaak zwijgen of alles aan Van Helden en Ferner bekend te maken.”
“Maar beide middelen zijn even verschrikkelijk. Wat moet ik doen, wat moet ik doen?”

[162:]

“Ik heb bepaald medelijden met je, Melanie, en ik wou van harte gaarne, dat die malle Leen haar vader niet in de zaak had betrokken; nu ben ik er geen meesteres meer van.”
“Wees dan toegevend jegens de arme Eugenie, opdat ze haar goeden naam niet met de betrekking verliest.”
“Zij verdient niet beter, maar om uwentwil zal ik zeer gereserveerd zijn: En ga nu spoedig naar binnen: Ferner zal niet weten waar je blijft.”
Ferner vond ook, dat zijn vrouw niet zoo vroolijk en opgewekt was als anders, doch hij schreef alles op rekening der zenuwen. Liefdevol raadde hij haar aan zich niet te overspannen en maar moedig de toekomst te gemoet te gaan: dank hun goeden zwager zouden hunne zaken weldra den besten keer nemen en zij hun ongeluk weer te boven komen; maar Melanie wendde het hoofd af en zoodra zij slechts kon, sloop zij in het studeervertrek. Eugenie zat alleen en was bezig 't werk van Leentje te corrigeeren.
“Alles is ontdekt, Eugenie. Mijn zuster weet alles!” met dien wanhoopskreet trad mevrouw Ferner binnen.
“Ik dacht het wel,” antwoordde Eugenie kalm. “Och, mijnheer Ferner zal er wel toegevend over denken.”
“Hij toegevend denken? Ach, hij weet het nog niet; er is slechts een middel om hem van alles onkundig te laten, zegt Fanny.”
“Hem niets te zeggen, dat spreekt.”
“Dat kan niet meer. Van Helden weet van 't rendez-vous, maar denkt dat gij, Scheller en Cato daarbij waren.”
“Zeer vereerend voor mij.”
“Eugenie, zeg de waarheid niet! Ik bid er u om; maak mij niet ongelukkig!”
Het meisje legde haar pen neer en zag mevrouw Ferner diep in de oogen.
“Meent u dat waarlijk?” vroeg zij. “Wil u in ernst voor een onschuldige, zelfs eervolle daad 't eenig goed opofferen van een arme wees: haar goeden naam?”
Melanie snikte luid.
“Ferner zal boos worden, hij zal me verstooten!”
Ondanks zich zelve moest Eugenie over den kinderachtigen zet lachen.
“Maar mevrouw, wees dan toch eens zelfstandig; zeg hem ronduit! ik heb de belofte geschonden, die ik u als kind had 'gegeven, omdat ik van uw vergiffenis zeker ben. Eugenie, die hem goed kent, heeft mij geholpen, en gij moet het in

[163:]

mij waarderen, dat ik eindelijk eens op eigen gezag heb gehandeld. - Geloof mij, lang zal hij niet boos wezen.”
“Gij hebt goed spreken, gij kent hem niet.”
“Nu mevrouw, ik leg mijn toekomst in uw handen. Wil u om een boos gezicht van uw man oorzaak zijn, dat ik mijn betrekking en reputatie verlies, 't staat u vrij.”
“Zult ge dan zwijgen?”
Dat woord vol egoisme sneed Eugenie door de ziel.
“Ongetwijfeld mevrouw, als u mij niet van die belofte ontslaat.”
“Lieve Eugenie, moet ik nu oorzaak zijn van uw ongeluk, ik, die zooveel van u houd? Maar ik mag mijn huiselijk geluk niet opofferen.”
“Ik doorzie alles. Mevrouw is mij niet genegen; zij wil mij 't huis doen ruimen en zoekt een geschikt voorwendsel om allen schijn van verplirhting te doen ophouden. Dit was niet noodig; zoodra ik hier te veel ben, maak ik onmiddellijk plaats; men heeft mijn diensten betaald en ik heb niet de minste reden om gehecht te zijn aan een familie, die mij nooit blijken van genegenheid gaf. Ik bezit, God zij dank, de middelen om overal mijn brood te kunnen verdienen, en ik kan niet gelooven dat mevrouw in koelen bloede tegen beter weten in ze krachteloos zou maken, door een vlek op mij te werpen.”
“Eugenie, spreek zoo niet! Ge weet niet hoe rampzalig ik mij reeds gevoel, veel ongelukkiger dan gij.”
“O, u staat niet alleen in de wereld, mevrouw; u heeft een echtgenoot, een zuster, een zwager en een broer die hooger, veel hooger staat dan allen te zamen. Maar ik heb niets, letterlijk niets!”
En zij verliet de kamer, het hart tot berstens vol. ’t Was etenstijd. Van Helden liet zich niet zien; mevrouw ging naar zijn kamer, hij lag op den divan in dezelfde houding als toen zijn vrouw hem verlaten had, met gesloten oogen en tegen de borst gedrukte handen.
“Slaap je, Van Helden?” vroeg zij.
Hij sloeg den blik op en schudde het hoofd.
“Neen Fanny, ik ben zoo moe.”
“Kom, laat ons aan tafel gaan! Doe me het pleizier aan tafel geen woord te spreken.”
“Niets liever.”
“En dan straks dit briefje over te schrijven.”
“Heel goed.”

[164:]

“Ziezoo, eindelijk zie ik het einde der verwikkelingen. Goddank, nu laak ik dan toch eindelijk dat vervelende schepsel kwijt. Zij heeft mij nooit erg aangestaan.”
De lunch liep zeer vervelend af. Eugenie at bijna niets, maar ze was opgewonden en spraakzaam, evenals Ferner, die niet begrijpen kon, waarom zijn. Melanie toch zoo stil was. Nauwelijks was men echter opgestaan en ging ieder naar zijn kamer, of mevrouw Van Helden volgde haar echtgenoot op zijn kantoor. Een half uur later ontving Eugenie het volgende briefje:

“Mejuffrouw,
“Na den grooten dienst, dien u mijn huisgezin bewezen heeft, valt het mij dubbel zwaar hoe langer hoe meer in te moeten zien, dat u niet de geschikte persoon is om mijne dochters ter zijde te staan. De kieschheid verbiedt mij in zaken te treden, welke u zeker bekend zullen zijn en die mij nopen u kennis te geven, dat wij na het einde dezer maand geen verder gebruik kunnen maken van uw diensten. Ter uwer beschikking staat echter uw honorarium drie maanden na dato. Gelief noch met mij, noch met mijn vrouw of kinderen in nadere explicaties te treden, en wees verzekerd van onze discretie.
Uw dienaar,
G. VAN HELDEN.”

Eugenie verscheurde verontwaardigd het briefje. Zij wilde niet langer in het huis blijven; de zwakheid van Van Helden en Melanie walgde haar evenveel als de kronkelende politiek van Mevrouw. Doch te moeten vertrekken, terwijl zoovelen in de meening verkeerden, dat zij waarlijk iets berispelijks had gedaan, stiet haar tegen de borst. 't Speet haar, zoo plechtig haar woord tegenover Melanie te hebben verpand, want zij had te veel vertrouwen op Ferners doorzicht en goed hart, dan dat zij gelooven kon dat hij zijn vrouwtje te hard zou vallen om een blijk van zusterlijke liefde. Zij liet echter niets blijken van 't geen haar wedervaren was; toen zij met Cato alleen was, drukte zij deze nogmaals op 't hart, luide haar onschuld staande te houden. Te laat! Mevrouw had haar omhelsd en verklaard, dat alles vergeven was.
Liever ging 't vreedzame kind voor schuldig door, dan nogmaals den wapenstilstand te verbreken.
Om vier uren trad Eugenie in de achtergalerij; toevallig

[165:]

zat mevrouw op de canapé en mijnheer in een luiaardstoel zijn eeuwige courant te lezen. Haar besluit was genomen: zoo kalm als het haar mogelijk was, ging zij naar hem toe.
“Mijnheer,” sprak zij, “ik heb uw briefje ontvangen en verheug er mij over, dat de maand nog maar tien dagen telt. Nadat men zulk een lage beschuldiging tegen mij instelt en mij elk middel ontneemt mij te verdedigen, begrijp ik hier te veel te zijn. 't Was niet noodig zulk een intrige op touw te zetten: één woord was voldoende en ik zou zonder morren zijn heengegaan. U heeft het recht de meesteressen uwer dochter te kiezen, maar niet om een arme wees zonder eenige reden haar goeden naam te ontnemen.”
“Maar juffrouw, u vergeet tegen wien u spreekt!” zeide mevrouw.
“Ik spreek tegen de vader van Charlie, mevrouw, en in tegenwoordigheid van u, die zeer goed weet waarom ik :gisteravond in den klappertuin ben geweest.”
“Maak het met mevrouw af, juffrouw,” zei mijnheer met zijn gewonen afgematten blik. Maar dit kwam niet in mevrouws berekeningen te pas. Zij fronste de wenkbrauwen en trachtte tevergeefs door telegraphische teekens haar echtgenoot te beduiden, dat hij de zaak moest behandelen en niet zij.
“O, wanneer ik het met mevrouw moet afmaken dan ben ik overtuigd, dat haar gevoel van rechtvaardigheid en van moederlijke en zusterlijke liefde het strenge vonnis zal wijzigen en mij ten minste datgene zal doen behouden, waarvan mijn toekomst afhangt: een goeden naam.”
“U is impertinent, juffrouw Lody, onverdragelijk impertinent,” barstte mevrouw uit. “U vertrekt, daar kunt ge zeker van zijn, en wat de gunst betreft van uw tractement...”
“Daarvan zal ik geen gebruik maken, mevrouw, ik verlang niets dan datgene, waarop ik recht heb. Meer wil ik niet ontvangen van een vrouw, die zelfs de banden des bloeds verloochent.”
Die woorden in drift uitgesproken berouwden Eugenie onmiddellijk. Welk recht had zij zich in hun familiezaken te mengen?
“Welnu juffrouw,” antwoordde mevrouw statig, “’t doet mij genoegen ook uit uw woorden te kunnen opmaken, dat ik rechtuit kan spreken; u vertrekt omdat u zich in onze familiegeheimen heeft gedrongen en als rechter durft treden in zaken, die u zelfs niet van verre aangaan.”
“Ik zal tevreden zijn mevrouw, wanneer u deze explicatie

[166:]

geeft aan al degenen, die om de reden van mijn vertrek mochten vragen.”
“Ik wil niet dat je weggaat, Eugenie! Waarom wil ze weg, ma?”
't Was Charlie, die de laatste woorden had opgevangen en zich nu hartstochtelijk schreiend aan hare borst wierp.
“Niet weggaan, Eugenie, niet weggaan!” en hij overlaadde haar met kussen. Zij voelde haren moed onder de liefkoozingen bezwijken, hare brandende oogen vochtig woorden en hare ledematen trillen; doch voor geen prijs mocht mevrouw hiervan getuige zijn. Zij verwijderde den knaap met zacht geweld en keerde zich om, ten einde naar hare kamer te gaan; doch Charlie liet hare hand niet los en niettegenstaande mevrouws herhaald geroep, volgde hij zijn lieveling naar haar vertrek.
“Je moet bij Charlie blijven, Eugenie?” smeekte hij en zijn anders zoo dwingerige stem klonk onbeschrijfelijk zoet.
Eugenie hield niet van den lastigen knaap; maar in oogenblikken, wanneer alles tegen ons samenspant en wij alleen, geheel alleen tegenover onverschilligen of kwaadwilligen staan; doet de genegenheid van den minste ons goed. Zij zette zich neer en sloot den jongen weenend in de armen.
“Ik moet weg, Charlie,” snikte zij, “ik kan je niet zeggen waarom, mijn beste jongen. Je zult het misschien nimmer weten wat het is alleen op de wereld te zijn, zonder ouders, zusters of broer; alleen te moeten strijden tegen zoo velen en dan niets te wezen als een zwak meisje. Blijf maar braaf en gehoorzaam, Charlie, en denk soms aan mij! Wie weet waar ik nu kom, wie weet hoeveel onaangenaams mij nog wacht, hoe de menschen mij nog zullen behandelen? Maar God is met de weezen, als ieder hen ook verlaat. Hij zorgt voor hen. En toch, 't is hard alleen te zijn...O Charlie!”
En 't knaapje snikte luide en verklaarde dat zij niet heen mocht, dat hij 't niet wilde. Maar tien dagen later, toen Charlie met papa uit rijden was geweest en terugkeerde, zag hij zijn vriendin niet meer; zij was vertrokken, tot groote verlichting van mevrouw en Leentje en alleen tot smart van Cato en hem. Blijde dat het gevaar voor haar geweken was schoof Melanie bij 't afscheid Eugenie een fraaien ring aan den vinger. Zij gaf dien dadelijk terug, zeggende, dat zij alleen van degenen, die zij achtte, geschenken aannam.









volgende pagina | inhoud | volgende pagina