Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[167:]

AAN DEN OEVER DER ZEE.

Grissee is een lief zeeplaatsje, op elf pálen af stands van Soerabaya gelegen, waarvan het in eenig opzicht 't Scheveningen is. Een fraai ofschoon wel wat eentonige vlakke weg geleidt er landwaarts heen; langs de zee is het door kleine praauwen te bereiken. Onder de bewoners van echt ouden stempel, dje hier sedert jaren en jaren woonden, behoorde ook een tante van Eugenie's mama; zij leefde hier zeer stil in een groot huis aan den oever der zee. Hare kinderen waren getrouwd of gestorven en zij had slechts twee kleinkinderen bij zich; het eene was een jongen van twintig jaar, die op 't assistent-residentiekantoor werkte; het andere een meisje van veertien of vijftien jaar. Reeds dikwijls had zij haar achternichtje uitgenoodigd bij haar te komen logeeren, maar nog nooit had mevrouw Van Helden het haar mogelijk gemaakt aan die invitatie te voldoen. Zoodra zij zich echter zonder betrekking zag, maakte zij van 't herhaalde aanbod gebruik om voorloopig bij hare tante uit te rusten en dan naar eene andere conditie uit te zien, terwijl te Soerabaya alle tongen in beweging waren over 't onverwachte vertrek
Na alle aandoeningen der laatste weken deed de kalme rust aan den oever der zee haar veel goed: de vriendelijke hartelijkheid der tante, de eerbiedige minzaamheid der twee kinderen deden haar vergeten in welken strijd van hartstochten zij gewikkeld was geweeest.
Toch gevoelde zij behoefte haar hart uit te storten; in de couranten las zij dat de graaf de Beaurepaire zich nog in den Oosthoek bevond en haar dus de gelegenheid aangeboden

[168:]

werd, Hartwig eens te schrijven. Zij voldeed aan de behoefte van haar hart en schreef hem alles wat zij van zijn zusters had moet lijden. Nauwelijks was de brief weg of het speet haar zonder noodzakelijkheid zijn leed grooter te hebben gemaakt, maar het was te laat: de post voerde haar schrijven snel weg, er was niets meer aan te doen.
Op een koelen middag zat Eugenie alleen in de galerij, die op de zee uitzicht gaf; zij had genaaid, maar de vermoeide vingers rustten op den schoot en haar oog volgde de baren, die met geweld tegen de kust aan kwamen rollen om dan plotseling in onmacht te breken.
“Zoo gaat het ook met het handelen der menschen,” dacht zij; “ongestoord kunnen zij langen tijd hunne plannen uitvoeren, dan komt er plotseling een beletsel en hoe zij ook klagen en zuchten, er is niets meer aan te doen: gebroken is hun wil, verlamd zijn hunne krachten. Maar ik zal opnieuw met moed beginnen, ik ben ten minste - ach, niet veel rijker dan toen ik bij de Van HeIdens kwam.”
Een wit zeil verscheen in de verte. Het strekte tot vervoermiddel aan een kleine boot, die vlug en bevallig stevende naar de lange brug, welke van de kust leidt tot een ver in zee gebouwden koepel. Die boot kwam zeker van Soerabaya; misschien was er iemand in, die haar vroeger had gekend en nu zijn best deed om te raden, wat die juffrouw De Lody voor verschrikkelijks had uitgevoerd om zoo zonder mededoogen verbannen te worden. Zij betreurde noch de bals, noch den glans, die haar in den laatsten tijd had omringd; zij was veel te huiselijk van aard om genoegen te nemen in een aaneenschakeling van vermaken, die hart en hoofd ledig lieten en slechts aan de ijdelheid voedsel gaven.
Zij hunkerde naar een stil, vreedzaam, onafhankelijk geluk; maar nu was 't verder dan ooit verwijderd. Scheller dacht er zeker niet meer aan om de gouvernante, die op zoo zonderlinge wijze verwijderd was, tot zijn vrouw te maken, en al vroeg hij haar, zou dan dat verlangen om eindelijk eens een tehuis te hebben een andere liefde kunnen overwinnen, wier kracht zij nu kende en die sterker was dan de dood? Mocht zij in geweten haar hart schenken aan iemand, wien haar hart niet toebehoorde? Zij zuchtte en droomde weer van Groenerode. Was haar kapitaaltje toch maar zoo groot, om daar in vrede te kunnen wonen! 't Was treurig geheel alleen te moeten zorgen voor een toekomst en zij begreep, dat juist het grootste voorrecht van

[169:]

den sterken man - de onafhankelijkheid - dikwijls een ramp is voor de zwakke vrouw.
Er werd in de voorgalerij op de tafel geklopt. Hare tante was met haar kleindochter naar een bruiloft, zoodat Eugenie alleen was met de bedienden. Een hunner ging naar voren zien wie er klopte en een oogenblik later trad hij met een heer in 't vertrek, waar Eugenie zich bevond.
Wie beschrijft hare verbazing toen zij Hartwig herkende!
“Alweer verandering van tooneel,” zeide hij glimlachend; “'t schijnt dat ik geen tweemaal u op dezelfde plaats kan ontmoeten.”
“Zeg liever: alweer teruggestooten op de levenszee, alweer zonder dak, huis of toekomst.”
“Arm kind,” sprak hij met een diepen zucht, “Fortuna houdt niet van ons; we zijn hare verstootelingen.”
“Wat iser dan weer met u gebeurd?”
“Met mij? Niets! Ik ontving uw brief en ik begreep, dat gij nu alleen moest zijn, zonder hulp en troost, en daarom wilde ik u nog eens zien, u overtuigen dat de broeder, hoe slecht hij ook is, beter voor u wil zijn dan de zusters.”
“O, gij zijt zoo goed, ik ben u eeuwig dankbaar!” En zij barstte in tranen uit.
Hij zag haar aan, doodsbleek met samengedrukte lippen, zooals hij het gewoonlijk deed wanneer de inwendige ontroering te hevig werd.
“'t Beteekent niets, Eugenie,” zeide hij met trillende stem; “gij zijt mij geen dankbaarheid verschuldigd. Ik wilde dat mijn wil niet op zoo treurige wijze gebonden was, dat ik meer voor u kon doen en u gelukkig maken!”
“Ik word nimmer gelukkig!”
“Maar Eugenie, welk meisje wanhoopt aan haar geluk? Dit wolkje zal voorbijdrijven evenals alle andere; schreiend verliet gij mij in Groenerode en vroolijk lachend zag ik u een maand geleden terug. Men moet moedig zijn, Eugenie; men moet niet schrikken voor den strijd.”
“Wanneer zal die strijd ophouden, wanneer?”
“Als gij den man, die alles in zich vereenigt om u 't geluk te schenken - ten minste ik vermoed het zoo - uw hand geeft.”
“Dan nog niet!” snikte zij luid.
Zij kon niet meer oprecht zijn tegen Hartwig; wat zij nu dacht moest juist voor hem een geheim blijven.
“Hij zal niet meer aan mij denken,” ging zij bedaarder voort, “nu ik in ongenade gevallen ben om onbekende, zeker

[170:]

gewichtige redenen denkt niemand meer aan mij. In het ongeluk herkent men zijn vrienden. Goede, trouwe Hartwig, waarom heb ik u dien brief geschreven? Waarom zijt gij hier gekomen? 't Is waar; uw komst troost mij onuitsprekelijk, maar zooveel moeite verdien ik niet.”
“Ach Eugenie, nooit heb ik 't zoo betreurd een paria te zijn, dan nu: ik zou zoo krachtig willen wezen, als ik het ben, maar met het vermogen om mijn kracht aan te wenden, mij te verheffen in een eervolle positie, en dàn, Eugenie, zou, indien gij slechts wildet, geen onzekere toekomst uw deel meer zijn; geen dienen, geen onderwerpen aan belachelijke grillen, geen armoede, en zoo weinig zorgen als slechts mogelijk was, hadt gij te vreezen. Mijn liefde zou u beschutten, arm weesje, mijn hand, zou u beschermen en mijn trouw uw geluk bewerken. Maar nu kan ik niets! Ik heb niets dan voldoende inkomsten, doch geen naam, geen positie; of liever, mijn schande zoudt gij moeten deelen, en dat mag ik niet vragen. Anders, geloof mij Eugenie, ik had u niet naar Java laten gaan.”
Zij had ademloos en verrast naar zijn woorden geluisterd; nu zweeg ze nadenkend.
“Gij hebt medelijden met mij,” antwoordde zij eindelijk, “ik wist het. Waart gij datgene wat ongelukkige omstandigheden u beletten te zijn, de arme Eugenie de Lody zou te ver beneden u wezen. Geen vrouw, die voor u te hoog kon zijn, al ware ze ook een koningin; maar nu uwe familie u verstoot, nu gij even alleen zijt als ik, nu, Hartwig, passen wij bij elkander. Laat mij uw trouwe gezellin wezen!”
“Gij zijt een kind, Eugenie; gij weet niet welke kracht de man moet hebben, om een afgezonderd standpunt in de wereld in te nemen, dank de schuld van een onbekende; gij weet niet hoe lang het duurt, voor men zich verzoent in het denkbeeld een voorwerp van verachting te wezen voor velen zelfs voor die ons het naaste zijn. En als mijn vrouw zoudt gij er u ook aan moeten gewennen. Gevoelt gij daartoe moed, gij die terugschrikt voor een hard woord?”
“Gij zult mij leeren moedig te zijn.”
“Ik ben zwak geweest, Eugenie! Ik beken het oprecht, zeer zwak. Reeds jaren lang zijt gij mijn troost geweest, en toch, duizendmaal verwenschte ik 't oogenblik, waarop ik u 't eerst zag. Ik, de verstooteling der maatschappij, mag niet dingen naar 't bezit van een eervol meisje; ik heb 't in mij zeIven herhaald, ik heb gestreden tegen mijn gevoel en altijd

[171:]

heb ik overwonnen, toen ik allen omgang met u afbrak, toen ik u vertrekken zag naar de Oost, toen ik u verzocht mij niet meer te schrijven, want elke genegenheid is een vermeerdering van den last, dien God op mijn schouders heeft geladen; maar bij 't lezen van uw brief bezweek mijn kracht. Het was te veel; ik verweet mij zeI ven uw ongeluk, ik wilde u zeggen wat ik u bereiden kon, indien...”
“O Hartwig, gij hebt altijd in mijn hart gelezen. Ziet gij dan niet wat ik nu gevoel, dat ik aan uw zijde alles kan trotseeren?”
“Ja dat wist ik en daarom vooral wilde ik u in de gedachte laten, dat ik te oud voor u ben, dat de glans waarmede uw eenigszins romaneske geest mij en mijn ongeluk omgeeft, in waarheid niet bestaat; dat ik u slechts ongelukkig kan maken, dat ik u alles ontneem, wat gij nog bezIt en uw schoon en naam neem in ruil voor mijn bezoedelden. ’t Klinkt fraai: gedeelde smaad door liefde verzacht lijden, verachting van de openbare meening; maar in waarheid valt het hard, te hard. Gij zoudt u moeten verbinden nimmermeer Holland terug te zien.”
“Bemin ik het dan zóó?”
“Noch Java. In den vreemde zouden wij moeten leven, want ik kan niet dulden dat iemand eenigen smet werpe op u. Tusschen vreemden zou ons leven voorbijgaan, Eugenie!”
“Zijn het dan geen vreemden, die mij omringen; ben ik dan hier zoo gelukkig, omdat vele landgenooten mij omgeven?”
“Ik weet niet welke plek ons zou kunnen herbergen, op welk punt van den aardbodem ik mij vestigen zou. ’t Moest daar zijn, waar niemand mij kende, waar onze kinderen - indien deze zegen of deze vloek ons geschonken werd - zonder blozen huns vaders naam konden noemen; wellicht in Amerika, wellicht in Australië.”
“Altijd zullen we toch dien blauwen hemel om ons hoofd hebben en daarboven een God, die uw onschuld kent, en dan, Hartwig, zullen we niet meer alleen zijn; ik zal, zooveel ik vermag, uw troost wezen en gij blijft, wat ge altijd voor mij waart: een trouwe vriend.”
“Zeg niet te spoedig die woorden, Eugenie, toover mij geen schoone, bedriegelijke wereld voor: 't ware te hard als zij in puin moest vallen, evenals zoo vele andere luchtkasteelen.”
“Eén woord nog slechts, één woord! Zeg mij, wat geeft u dit voorstel in? Is 't medelijden alleen of gelooft ge waarlijk dat ik niet te ver beneden u ben?”

[172:]

“Waar is uw trots, Eugenie?”
“Tegenover u ben ik niet trotsch, ik kan 't niet wezen, want ik erken uw meerderheid; maar medelijden wek ik niet gaarne op.”
Hij greep hare hand en drukte die innig aan zijn hart, en hij zag haar aan met denzelfden blik, waarmede zijn zuster eens Charlie had aangestaard in dien gedenkwaardigen nacht.
“Als gij wist, wat ik om uwentwil heb geleden en gestreden, Eugenie, zoudt ge dat vermoeden niet twee keer uiten. 't Was de zwaarste straf, die den armen balling moest ondergaan, zonder hoop te beminnen. En nu, mijn Eugenie, zeg nu niets meer, zeg het beslissende j a nog niet, dat ons beider leven aan één zal klinken; maar luister eerst naar hetgeen ik u te zeggen heb: 't Is de geschiedenis van mijn leven. Oordeel zelve of gij gelijk hadt mijn woord te vertrouwen, en zoo niet ik zal 't niet wraken.”
Hij verhaalde haar toen alles, alles wat hem gedwongen had gescheiden te leven van wat hij eens lief had. Het was een zoet uur voor hen beiden, een frissche oase, in den vaak zoo dorren weg des levens; een uur van onderling vertrouwen, dat veel goed maakte uit het verleden en in 't toekomende. Menig smartelijk punt werd aangeroerd, van verscheiden gesloten wonden werd het verband weggerukt, maar de balsem lag gereed in haren oogslag, in haren deelnemenden handdruk. Toen voelde Hartwig welk een licht voortaan zou glinsteren op zijn levensweg en misschien voor 't eerst was hij dankbaar, dat deze zoo ruw, zoo moeielijk was geweest. 't Scheen te veel geluk voor zijn hart, dat zoo lang gewoon was aan alleen getorschten strijd en smart. Hij maakte haar gelukkig, hij las 't in haar helder oog, en zelfs bezat hij de grootste schat. De avond viel toen hij geëindigd had: als eenzame zwanen op een groot meer, doken één voor één de sterren uit het onbewolkte luchtruim en tusschen allen fonkelde en schitterde het prachtige zuiderkruis, en onmetelijk als het uitspansel, dat zich daarboven bewoog, ontrolde zich vóór hen de gladde zee, kalm, bedaard, in vrede, als die twee menschenharten, welke in hare nabijheid voor ’t eerst sedert jaren blijde klopten.
“Zeg nu dat woord, Eugenie, nu gij alles weet,” verzocht Hartwig. “Vraag u zelve nu af, of dit het geluk is, waarop gij zoo lang reeds wacht?”
Zij stond op en legde haar hand op zijn schouder.
“'t Is een zonderling leven geweest, het uwe, Hartwig, maar het ligt voor mij klaar als dat water; ik zie echter

[173:]

niets dan rampspoed en miskenning, doch geen schande. O, mocht ik eenigszins u vergoeden, wat gij geleden hebt.”
“Mijn verloofde dus, Eugenie! Nooit had ik gedacht, die twee woorden te mogen uitspreken; wat deert het ons nu of de wereld ons verstoot, Eugenie, als wij in onderlinge liefde vereenigd alles willen dragen! Maar de toestemming van uw voogd?”
“Nog weinige maanden en ik ben meerderjarig: dan zal ik vrij zijn te huwen dien ik wil. Laat ons zoo lang wachten!”
“En beproef dan nogmaals uw hart of de taak niet te zwaar is voor u.”
“O Wolfgang, spreek van geen beproeven meer: die tijd is voorbij. Ik dank God eindelijk in de haven te zijn aangekomen, eindelijk vol vertrouwen op den arm te kunnen rusten, die mij voortaan tot steun zal strekken. Ik ben uw verloofde en zal het nimmer van een andere zijn.”
“'t Geluk verschrikt mij, ik ben het niet gewoon. Als ik u ongelukkig moest zien, als gij eens dezen dag vervloektet. Eugenie, dat ware niet te dragen!”
“Maar Wolfgang, waartoe die toon? Nu is alles tusschen ons effen en helder, verstoor mijn vreugde niet door die misplaatste woorden. Of wilt ge weer den meester tegenover mij spelen? Bedenk dat ik bijna twee jaren meesteres ben geweest van uw veel geachte nichtjes, die zoo de mijne zullen worden.”
En zij barstte uit in een vroolijke lachbui.
“Verbeeld u, Hartwig: mevrouw Van Helden mijn schoonzuster. O, wat zal zij opzien!”
“Spreek niet over haar; die herfnnering past niet in dit oogenblik. Ach, waarom kan ik niet met u lachen, waarom is juist op dit oogenblik 't verlangen zoo groot om vóór Fanny te staan, onschuldig en gerechtvaardigd!”
“Dat zal gebeuren. Moet ik nu al beginnen u te troosten? Om u de waarheid te zeggen, ben ik er van avond niet toe gestemd; we zullen eens zeer egoist zijn en alleen aan elkander denken. Daar komt mijn goede tante aan! Wolfgang, 't kan niet anders: ik wil u aan haar voorstellen als mijn verloofde.”
“Doe 't dan, Eugenie; overigens verzoek ik u geheimhouding. Ik had liever, dat ons huwelijk in geen Hollandsche stad werd gesloten.”
“Zooals ge wilt, mijn toekomstige heer en meester. Ge zult zien hoe gehoorzaam ik zal zijn; ik wil doen zooals zooals zusje Fanny. “Ik kan 't niet helpen, 't is niet mijn

[174:]

wil. 't Is Hartwig, die zoo'n tyran, zoo'n lastig man is. Och; als 't aan mij lag!”
Hij drukte hare handjes nog vaster in de zijne; ’t deed hem goed haar te hooren schertsen als eertijds in de zonnige dagen van Groenerode, al kon hij dan ook nog niet met haar instemmen, daar zijn vreugde met te veel weemoed was vermengd. De tante trad binnen: Eugenie ging haar te gemoet.
“Lieve tante,” zeide zij, “ik heb van middag iemand bij mij gehad tot gezelschap. Ik heb de eer hem aan u voor te stellen als mijn aanstaande.”
“Astaga! Dus je hoeft geen betrekking te zoeken? Ik ben zoo blij! Ik zeg altijd bruilof maak bruilof.”
En zij drukte hartelijk de hand van haren aanstaanden achterneef:
“Maar tante, we wachten tot ik drie en twintig jaar ben,” fluisterde Eugenie: “'t blijft tot zoolang dus geheim!”
Dit speet tante wel een beetje, maar zij schikte zich in den wil harer nicht en moest zich zelve bekennen, dat de uitverkorene een knap, mooi man was, die aardig met iedereen kon praten. 's Avonds wilde Hartwig vertrekken; ’t bootje wachtte naast den tuin toen aan Eugenie een brief werd gebracht. Zij opende dien: 't schrijven was van Scheller.
Lachend reikte zij het Hartwig over.
“Zou uw antwoord aan mij eenige uren later anders hebben geklonken?” vroeg hij.
“Foei wantrouw mij niet,” antwoordde zij; “ik zou gedaan hebben, wat ik nu doe!” En zij scheurde 't papier in duizend stukjes.
Hij was echter niet tevreden meer; hij vreesde, oorzaak te zijn van haar minder geluk. Ze was immers zoo jong, zoo romanesk, zoo onverstandig soms! Neen, hij was overwonnen en droeg de straf van zijn nederlaag met zich.
Vroolijk nam Eugenie afscheid van hem; hij drukte den eersten kus op haar blank voorhoofd en sprong toen in de boot, die spoedig snel verdween.
Zij ging naar hare kamer, 't hart vol van een reine vreugde, 't hoofd gevuld met de schoonste droomen der toekomst. Ter sluik wierp zij een blik in den spiegel, die een van geluk stralend gezichtje weerkaatste.
Voor 't eerst was zij recht ingenomen met haar lief gelaat. “Zoo geheel ongelijk heeft hij niet mij te beminnen,” dacht zij; ik ben toch volstrekt niet leelijk en zoo heel, heel dom ook niet!”









volgende pagina | inhoud | volgende pagina