Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[175:]

WAT HIJ HAAR VERHAALDE.

In een der fraaie dorpen, die tusschen Arnhem en Zutfen liggen, bevond zich vroeger het landgoed der familie Van Senne, een der voornamen dier streek. Schoon zij geen adellijk schild voerden, was hun geslacht oud en aanzienlijk, evenals hun rijkdom zeer groot heette. De toenmalige heer Edmond van Senne had zich reeds een schitterende positie op politiek gebied veroverd, toen hij er aan dacht een Duitsche vrouw de zijne te noemen. Cunigonde von Hartwig was de dochter van een Oostenrijksch diplomaat, een zacht, teer schepsel, zooals men er velen onder de Duitsche vrouwen vindt, maar vol trouwen liefde ten opzichte van den man harer keuze, in wien zij als 't ware zich zocht te verliezen; zonder kracht, zonder eigen wil en wellicht juist om de tegenstelling die zij vormde met haren ernstigen, eigenzinnigen echtgenoot, geheel passend voor hem. Hij was een man van beginselen, streng voor zich zei ven en daarom ook voor anderen, gewoon, dat alles voor zijn wenschen boog. Cuniconde was er juist de vrouw naar om hem vol onderwerping te gehoorzamen en nooit naar iets anders dan naar zijn goedvinden te handelen; zij was gelukkig als hij slechts minder somber
Gedurende de tien jaren van hun echt schonk zij haren man vier kinderen, eerst de tweelingen Fanny en een jongen naar haren vader Wolfgang Hartwig genaamd, en later twee meisjes Eugenie en Melanie.
Na de geboorte der laatste verzwakte hare altijd teere gezondheid meer en meer; aan een geknakte lelie gelijk, neigde

[176:]

haar hoofd ten grave. Toen kwamen de dokters met hun gewoon redmiddel als de andere falen: naar 't Zuiden! Cunigonde, gehoorzaamde als altijd; door haar broeder vergezeld, vertrok ze naar Cannes en rekte hierdoor wellicht voor twee jaren haar leven. Van Senne, door zijn bezigheden aan Holland gehecht, bezocht haar slechts nu en dan. Eens vond hij haar echter niet meer; zij had haar jeugdig leven geëindigd, en 't was hem te moede of hij 't beste deel van zich zelven had verloren; 't viel hem zwaar zonder Gonde te leven, al was hij dan ook allengs aan de scheiding gewoon geraakt. Slechts haar zoon en de jongste dochter waren haar altijd bijgebleven; Fanny en Eugenie bevonden zich thuis bij den vader onder opzicht eener tante.
Als miniatuur-photographieën van den vader geleken Wolfgang en Fanny op hem: zij bezaten diezelfde wilskracht, datzelfde levendige verstand, diezelfde onverzettelijkheid in ’t eens voorgenomene, alles verborgen onder een groote mate trots.
Maar onder den invloed der zachte moeder, die over alles een soort van poëtischen gloed wierp, iets van de beminnelijke schwärmerei, welke zij uit haar vaderland met zich had gebracht, werd het karakter van den jongen zachter gekneed: de ruwe kanten werden door hare liefde afgeslepen.
Hij verloor veel van zijn woeste eigenaardigheid en in ’t diepste van zijn hart verzamelde zich een bron van rijk gevoel, die aan zijn vader en vooral aan zijn zuster vreemd bleef.
Een oudste, een eenige zoon, wat is hij niet in de familie! De hoop des vaders, die in hem de toekomst ziet van zijn naam; de zoete troost der moeder, die in zijn arm den steun vermoedt, waarop zij rusten zal als de andere haar ontvallen is; de schoone droom der zusters, die trotsch naar hem opzien als naar hun toekomstigen beschermer! Welke gouden droomen worden niet gevormd als hij vroolijk spelend aan niets denkt dan aan tol of hoepel! Wat zal hij niet worden, die knappe, vlugge jongen! Er is geen eerepost te hoog, geen ambt te schoon; men zou meer waardigheden kunnen scheppen alleen voor hem, want 't is zeker dat hij een genie, een groot man zal worden. Hij alleen zal de familie meer tot roem strekken dan twaalf andere zoons; hij is het middelpunt van alles. Voor hem werkt de vader, over hem peinst de moeder, om hem verdringen zich de liefdevolle wenschen der zusters en hij, de egoïst, hij gevoelt het reeds, wanneer hij nog te jong is het te begrijpen. En ach! is 't daarom, dat zoo vaak die hoop verijdeld wordt, die schoone droom zoo

[177:]

schielijk vervliegt, dat de eenige zoon verre van de kroon te zijn der familie, te dikwijls hare schande wordt?
Dit vreesde Van Senne en daarom verwijderde hij van zijn zoon alles, wat naar vergoding zweemde, hij, die toegevend was jegens zijn dochters en vooral jegens Fanny, zijn lieveling, was koel en stug tegen den oudste, dien hij heimelijk aanbad, maar wien hij vreesde zulks te toonen. En toch, Wolfgang verdiende niet die strenge, koele behandeling; hij was wild, stoutmoedig, te vermetel soms, driftig en opvliegend, maar onder deze ruwe oppervlakte school een goed hart en een buitengewone geest. Spelend leerde hij alles waartoe zijn makkers met onophoudelijk tobben niet konden geraken. Zijn karakter was echter voor velen een gesloten boek; dezen zeiden dat hij 't hier had (en maakten dan een veelbeteekenende beweging naar den elleboog), anderen dat hij beter was dan men wel vermoedde; maar ieder was het er over eens, dat hij een van beiden moest worden: een uitstekend mensch in het goede of in het kwade.
Dit werd algemeen herhaald; zag men hem vaderlijk met zijn zusjes spelen, dan was 't: “Och, je zult zien wat een goede jongen die Wolfgang wordt.”
Had hij de een of andere guitenstreek begaan, dan werden de schouders opgehaald en men fluisterde: “Een rechte deugniet groeit er eens van.”
Ook de vader was van dit gevoelen en daarom was zijn opvoeding meer negatief dan positief; hij wilde van zijn zoon geen slecht mensch maken, daarom regeerde hij hem met strengen ernst. De zusters daarentegen waren dol op hun broer: Fanny en hem vooral zag men steeds samen; zij groeide op, schoon als een zonnestraal, maar geen moederhand had in haar gemoed de kiemen gelegd, die in Wolfgang nog steeds waren overgebleven; zij was koud, egoist, hoogmoedig, veel meer dan haar vader, die ook eenigszins den invloed zijner vrouw had ondergaan.
Langzamerhand kwam de tijd der hoogere studiën voor Wolfgang en voor Fanny 't oogenblik, waarop zij in de wereld moest verschijnen. Haar triomf was volkomen; zij was ook zoo schoon, zoo vriendelijk, zoo minzaam jegens iedereen, maar niemand waagde het, haar dichter te naderen; zij trok zich dan koel glimlachend terug.
Behalve deze vier kinderen had Van Senne nog een pleegzoon. Een zijner vrienden was arm gestorven en zijn eenige zoon, een knaap van twaalf jaar, bleef onverzorgd achter.

[178:]

Edelmoedig, zooals hij het kon zijn, beloofde Van Senne den jongen als den zijne te beschouwen, en zoodra de vader de oogen had gesloten, bracht hij Gerard Van Helden tot zijn kinderen.
“Wolfgang,” zeide hij, “Gerard is voortaan ook mijn kind; beschouw hem als uw broeder! Daar zijn uwe zusjes, Gerard omhels haar!”
Niettegenstaande hun goeden wil werden Wolfgang en Gerard nooit vrienden. Hunne karakters stieten elkander af; de heethoofdige, vermetele Wolfgang was te veel het tegenbeeld van den koel berekenenden, laffen Gerard. 't Was niet mogelijk hen te doen harmoniëeren, ofschoon en misschien juist omdat de vader er zoo op aandrong. Onwillekeurig hielden de zusjes het met hun broer, zoodat Gerard alléén tegenover vier stond, waarom hij ook altijd door Van Senne beschermd werd. Tegenover den vreemden knaap kregen de kinderen nooit van hun vader gelijk, in kleine zoowel als in ernstiger twisten. Langzamerhand steunde de jongen geheel en al op die machtige hulp en nam een zekere minachtende houding aan ten opzichte van den altijd verongelijkten zoon des huizes.
Dit kon Wolfgang niet dulden: er werden vaak bittere woorden tusschen hen gewisseld en soms beschuldigde hij openlijk zijn vader van partijdigheid, hetgeen hem dan een malsche berisping op den hals haalde.
“Begrijpt gij de onkieschheid van uw gedrag niet?” vroeg de oude heer. “Gerard is hier niets en gij zijt alles. Alléén door een uiterst gematigde houding en beleefde vormen kunt gij eenigszins den afstand doen vergeten, die u scheidt.”
“Maar papa, ziet u dan niet in, hoe Gerard die distantie al lang heeft vergeten, hoe hij zich mijn meerdere acht?”
“Verbeelding, anders niet! Geen wonder, dat hij soms bitter wordt, als hij met alle vier te gelijk heeft te doen.”
Tegen zulke argumenten viel niets verder te zeggen. Gerard paste overigens meer in den smaak van zijn weldoener dan Wolfgang; hij had zijn studies als werktuigkundige met goed gevolg afgelegd en was in alles het toonbeeld van den netten, soliden jongen die alleen oog heeft voor de positie, welke hij later in de wereld moet innemen. Dat er onder de koude korst, die den bedaarden jongeling als 't ware omgaf, hevige hartstochten konden gloeien, vermoedde Van Senne niet.
De levenslust van zijn zoon boezem de hem de grootste ongerustheid in voor diens toekomst; aan de academie verteerde Wolfgang redelijk veel geld, maar vroeger dan anderen ver

[179:]

wierf hij den graad; hij werd meester in de rechten, vestigde zich als advocaat te Arnhem, won spoedig een paar gewichtige processen en kwam steeds de laatste dagen der week op het buiten zijns vaders doorbrengen. Gewoonlijk bracht hij een paar vrienden mede, die Van Senne gastvrij ontving en in zijn huiselijken kring opnam, welke vooral door zijn twee volwassene dochters een groote aantrekkelijkheid verkreeg.
Een hunner, dokter in een naburig stadje, werd spoedig op Fanny verliefd en ook zij toonde hem wederkeerige genegenheid.
De oude heer vond de partij passend en daar Fanny voor 't eerst geen tegenwerpingen maakte, waren beiden spoedig tot groote vreugde van Wolf gang geëngageerd. De tweede dochter, Eugenie, bezat volstrekt niet Fanny’s schitterende schoonheid; zij zag er ten hoogste lief uit, maar zij bezat eigenschappen, welke de andere miste. Bij de voorbeeldige trouwen de toewijding harer moeder voegde zij juist zooveel van de sterke eigenschappen haars vaders om niets aan haren echt vrouwelijken aard te kort te doen; zij was – zooals haar broeder dikwijls zeide - een overgang tusschen de ijzeren Fanny en de wassen Melanie en vereenigde beide karakters in een volmaakt geheel. Hiervoor bleef Carel Ferner, een andere vriend, niet blind; hij maakte haar het hof en zoo Melanie eenige jaren ouder was geweest zou een derde vriend, een jong adellijk advocaat, misschien wel een derde zwager zijn geworden.
Gedurende den zomer, een heerlijken, langen zomer, maakten de drie wakkere jongelui een uitstapje naar Duitschland en een voetreisje door ’t Schwarzwald; de jonge dokter, door zijn praktijk en aanstaande aan 't vaderland gebonden, ging niet mede. Toen het drietal in 't begin van den herfst terugkeerde; verschenen zij op een avond plotseling in zijn studievertrek als roovers verkleed, maar de dokter was niet ingenomen met de grap: er lag over zijn anders zoo vroolijke trekken een wolk, welke den uitgelaten kameraden spoedig meer ernst oplegde. Op hunne deelnemende vragen, vertoonde hij een briefje, dat hem zoo pas door Fanny was toegezonden en waarin zij beleefd maar koel hem meldde, dat zij hare betrekking met hem afbrak daar zij tot de erkenning was gekomen, dat zij niet voor elkander pasten. Wolfgang werd doodsbleek van verrassing en toorn.
“Hebt gij dan eenige aanleiding gegeven tot dien stap?” vroeg hij.
“Niet de minste. Verleden Zondag zijn wij in vollen vrede

[180:]

gescheiden; ik heb met uw papa, haar en Gerard een quadrille-partijtje gespeeld, toen nam ik afscheid en zij bracht mij tot aan 't hek.”
“Dan zal 't een gril van haar zijn; heb maar een weinig geduld, ik zal spoedig het ware van haar te weten komen.”
Ontstemd vertrok hij nog denzelfden nacht te paard naar zijns vaders huis: hij kwam er 's morgens aan. 't Was een schoone dag, en de tuin zag er uit als een paradijs; langs een der prieelen komende, hoorde hij fluisteren, en toen hij een blik door 't gebladerte wierp, zag hij zijn zuster in frisch morgentoilet op de bank zitten, voor een tafeltje met bloemen overladen, en daar tegenover - Wolfgang kon zijn oogen niet gelooven - zat Gerard Van Helden, bezig uit de schoonsten een bouquet te vormen. Zij sprak hem lachend aan en liet hem toe soms hare hand te drukken en haar vol verrukking aan te zien.
Wolfgang voelde zijn bloed koken en sprong plotseling vóór het tweetal.
“Fanny,” zeide hij heftig, “ik vraag u rekenschap van de behandeling, die gij mijn vriend hebt doen ondergaan!”
“Maar lieve Wolf,” antwoordde zij glimlachend, “als er iemand recht heeft mijn echtgenoot te kiezen, dan zal ik 't wel zijn; waartoe dient dus die scherpe toon?”
“Omdat het mij tegen de borst stuit, u in een week aan twee mannen verloofd te zien.”
“Er is geen sprake van verloofd zijn, nietwaar Gerard? Dat zou je wel willen, jongen, maar we zijn immers broer en zuster!”
Gerard sprak niets; hij wist van verlegenheid niet hoe zich te houden toen Wolf gang zich omkeerde en verklaarde er met zijn vader over te zullen spreken. Van Senne echter, die alleen uit Fanny's oogen zag, gaf ouder gewoonte zijn zoon ongelijk; hij had Gerard even lief tot schoonzoon als den dokter. Maar Wolfgang liet het daarbij niet blijven; hij drong bij zijn zuster aan om een verklaring, totdat deze hem eindelijk alleen riep en doodbedaard sprak:
“Uw vriend staat als mensch oneindig boven Van Helden, en daarom juist heeft hij zeer veel inbeelding. Ik voel, dat hij mijn meester zou zijn en ik, zijn vrouw geworden, hem zoo zou beminnen, dat ik gevaar liep mijn geheele eigene persoonlijkheid te velliezen. Zoo iets wil ik niet; ik moet blijven wie ik ben en zie in. dat dit alleen mogelijk is, wanneer ik met Gerard trouw. Hij bemint mij hartstochtelijk

[181:]

sedert de dagen zelfs, toen we onophoudelijk kibbelden. Dit, Wolfgang, is de eenige reden van mijn verandering; zijt gij tevreden?”
“Ik heb nooit van zoo'n theorie gehoord. Een man, dien gij acht en liefhebt, niet te huwen omdat gij regeeren wilt, tegen uw plicht en plaats in de wereld, dat is al te bespottelijk.”
“'t Spijt me dat het uw goedkeuring niet wegdraagt, broertje, maar desnoods kan ik 't zonder dat wel stellen.”
't Beste bewijs hiervan was, dat een maand daarna Fanny publiek met Van Helden geëngageerd en drie maanden later met hem getrouwd was.
Na dit gesprek echter was de verhouding tusschen broeder en zuster aanmerkelijk verkoeld.
De oude Van Senne was zeer verblijd Gerard eindelijk zijn zoon te kunnen noemen en zijn Fanny stralend van geluk te zien. In dezen tijd veranderde hij van toon tegenover Wolfgang; hij schonk hem meer vertrouwen, verhaalde hem van zijn zaken en bracht soms uren met hem in ’t muntkabinet door, waarin hij zijn liefhebberij bad. Niets kon den jongen man aangenamer zijn; hij leerde langzamerband den ouden heer in zijn zwak te tasten, wist altijd veel over de zeldzame munten te zeggen en te schrijven, zoodat het idee fixe zijns vaders, dat 't met hem slecht zou afloopen, allengs minder werd. Gedurende den winter maakte bij echter de ontevredenheid van den ouden heer nog eenmaal geducht gaande.
Er woonde in 't dorp een gepensioneerd kolonel, wiens gierigbeid spreekwoordelijk was geworden; hij leefde in een huisje aan 't einde van een grooten, woesten tuin, met een ouden bediende, maar toen deze gestorven was, nam bij geen andere. Hij kookte nooit en haalde eIken ochtend zelf ‘t noodige bróod voor zijn middagmaal; 's avonds versterkte hij door alle middelen, die hem ten dienste stonden, zijn kleine vesting, zoodat er nooit in iemands brein de minste gedachte ontstond aan inbraak. De wereld zeide, dat hij schatrijk was, ongetwijfeld werd 't cijfer vergroot; doch in elk geval wettigde niets zulk een overdrevene zuinigbeid.
De eenigste bezoeken, welke hij ooit maakte, golden de familie Van Senne. In de winteravonden speelde hij gaarne een partijtje schaak met vader of zoon; nu en dan kwam Wolfgang bij hem spelen en niettegenstaande hij altijd grappen maakte over de eigenaardigbeden van den kolonel, zag deze hem gaarne bij zich.
In November waren Carel Ferner en advocaat Holt

[182:]

weer bij Wolf gang te logeeren; zij brachten samen een bezoek aan den ouden kolonel, die hun allervriendelijkst vroeg of ze ook rookten. Verwonderd over de ongewone gastvrijheid, antwoordden alle drie bevestigend, waarop de gulle gastheer een zwavelstok voor den dag haalde, waarmee zij het vuur voor hunne eigene sigaren konden ontsteken.
Ferner en Holtberg waren verontwaardigd over de tractatie. De eerste wenschte den kolonel een zwerm muizen toe, om al zijn effecten door te knagen. Holtberg zag liever een bende dieven in de vesting dringen; waarop de andere verzekerde, dat dit onmogelijk was. Wolf gang meende, dat hiertoe wel kans zou zijn; 't eene woord ontlokte het andere en eindelijk ging hij een weddenschap aan om 's nachts in de versterkte woning te sluipen en er het een of het ander voorwerp uit te halen. De anderen namen de uitdaging aan; hun keus viel op een oude pijp, die in een der hoeken van ’t huisvertrek stond.
Zoo gezegd, zoo gedaan! Men ging ter ruste; midden in den nacht stond het drietal op en begaf zich in den eenzamen tuin. Wolf gang klom tegen het latwerk van de wijnstokken, naar een zoldervenster; met een diamant sneed hij een der ruiten stuk, stiet toen met ongeloofelijke krachtsinspanning de met bouten versterkte blinden open, kroop naar binnen en kwam na een oogenblik terug met de tropee der overwinning. De drie helden slopen toen weer stil in huis, maar toen de kolonel den volgenden dag bemerkte dat hij bestolen was, maakte hij een geweldig alarm en kon niet gelooven, dat hij niets anders kwijt was dan de pijp. Wolf gang kwam hem de grap bekennen en liet eene nieuwe ruit inzetten.
Spoedig was de zaak aan ieder en ook aan Van Senne bekend. Met zulke kwajongensstreken was hij volstrekt niet ingenomen en de drie waaghalzen moesten eenige harde waarheden van hem hooren. Weldra was de zaak vergeten, behalve door den ouden kolonel, die meer dan ooit op zijn hoede was.
Maar den volgenden zomer werd Van Senne ernstiger boos op zijn zoon, die maar niet begrijpen kon of wilde, wat het eigenlijk beteekent man te zijn, en wiens grootste genot het nog steeds was, zoodra hij een belangrijk proces gewonnen had, in papa's huis den grooten heer te spelen, te jagen, te rijden, te visschen of de boeren voor den gek te houden. De strenge man, wiens jeugd even ernstig was geweest als geheel zijn leven, begreep niet, dat de boog niet altijd even

[183:]

sterk gespannen kon zijn en dat spoedig genoeg de ernst des levens een einde zou maken aan die vroolijke dagen. Had hij kunnen vermoeden, welk een leven vol strijd en smart dien eenigen zoon wachtte, hij had hem voorzeker van harte die zonnestralen gegund.
Fanny kwam van een reisje naar hare moeders bloedverwanten terug. Zij was nog altIjd hoogst tevreden met haar huwelijk; Van Helden was niets dan haar onderworpen dienaar, en zij verlangde niets meer; hare ijdelheid werd genoeg gestreeld door 't opzien, dat hare schoonheid overal had gebaard. Tegenover Wolf gang bleef zij koel; zij kon niet vergeten, dat hij haar minachtte en daarom zocht zij een gelegenheid eens leer om leer met hem te handelen.
Toevallig kwam haar ter oore dat hij drukke visites maakte bij den smid van 't dorp, die een zeer mooie dochter had; de type van een frisch landmeisje, met helder bruine oogen en blozende wangen. Eens reed zij van Arnhem komende langs den tuin en zag Wolf gang met mooie Rosa gearmd loopen; onmiddellijk ging zij naar haren vader en verhaalde hem op zeer geheimzinnigen toon, wat zij had gezien.
Van Senne vloog als buskruit op: in zijn oog was geen misslag gering; dat zou ongetwijfeld de dwaze handeling wezen, welke hij zeker wist dat Wolf gang eens zou doen. De dochter van den dorpssmid het hof maken, dwazer kon 't niet.
Wolfgang had inderdaad zijn oog op 't meisje laten vallen; zij kon aardig praten met een soort van naïeveteit, die, natuurlijk of gemaakt, allerbekoorlijkst was en zoo maakte hij menig sonnet op haar. Fanny vond er een paar in zijn lessenaar en bracht ze aan haren vader, waardoor diens toorn meer en meer klom en op het toppunt was, toen de niets vermoedende jonkman terugkeerde. Hij kwam het laatst van den kolonel, die hem een paar effecten had medegegeven, welke nu juist bijzonder hoog stonden, met verzoek ze te verkoopen. Wolfgang beloofde dit te doen, doch hij ging trouwen, zeide hij schertsend, en had geld noodig, de kolonel moest hem percenten betalen: de andere was hiertoe niet genegen en verweet hem op denzelfden toon, dat hij inhalig werd. Juist kwam de meid van den bakker binnen met het dagelijksch brood van den ouden heer. (Sedert eenigen tijd belette hem de rheumatiek, zelf zijn portie te komen halen). In de haast ving deze de woorden: trouwen en geId op. Te huis gekomen verhaalde zij, misschien toegevende aan eenige jaloezie, dat de jonge heer Van Senne er stellig aan

[184:]

dacht met mooi Roosje te trouwen. De bakkersvrouw verklaarde, dat de vader dit nooit zou toestaan; een paar klanten in den winkel zeiden het hunne en dachten natuurlijk nog veel meer, hetgeen later met vele overdrijvingen zou worden verspreid; doch de meid voegde er met een zeer bedenkelijk gezicht bij, dat het jonge paar dan zeker van heel weinig moest leven, omdat de heer verklaard had geld noodig te hebben.
Ondertusschen werd Wolf gang in het kabinet van zijn vader geroepen, die hem kortaf vroeg of hij er ernstig aan dacht het meisje te huwen. Na een oogenblik aarzelens antwoordde Wolf gang van ja. Toen stoof de oude man op; hij zou zulk een mésalliance niet gedoogen, hij zou zoolang hem nog een woord ten dienste stond het huwelijk verbieden, en wilde Wolfgang van zijn meerderjarigheid misbruik maken, dan was het vaderlijk huis voor hem gesloten. Onvoorbereid als hij was, viel de stortvloed van verwijten als koud water op den jongeling; voor niemand ter wereld had hij zulk een eerbied als voor zijn vader en hij kon niets tot antwoord vinden dan een gewonen volzin: Ware liefde stapte over geboorte en rijkdom heen of iets dergelijks. Vertoornd wees de oude heer hem de deur en verbood hem ten strengste elk gesprek met de smidsdochter.
Verslagen wandelde Wolf gang het park door. Hij ontmoette Eugenie, die, sedert lang zijn vertrouwde geworden, van alles wist: bij haar stortte hij zijn hart uit. Het verstandige meisje toonde hem aan, dat zulk een stap, hoe romanesk ook, bespottelijk zou zijn. Hij, die zoo rijk, zoo begaafd, bij de dames zoo gezien was, zou tal van schitterende partijen kunnen doen met veel mooier en welopgevoede meisjes; was eens die hartstocht voorbij, dan zou hij. maar te laat, inzien gedwaald te hebben, zijn levensgeluk zoowel als dat van Rosa was verwoest, zonder nog te spreken van de tweedracht, welke daardoor in de familie moest ontstaan. Hij vroeg haar om raad en zij vond er niets beters op dan dat hij zich gedurende een korten tijd zou verwijderen. Na eenig nadenken besloot hij bij zijn vriend den dokter te gaan daar eenige weken door te brengen. en zijn vader te schrijven, dat hij aan diens verlangen wilde voldoen.
's Nachts kon Wolfgang niet slapen. Het was een zoele heerlijke zomernacht; hij pakte zijn reistaschje, schreef een briefje om zijn vader en zusters te groeten, ging naar den stal, zadelde zelf zijn paard en vertrok naar D., de woonplaats zijns vriends.

[185:]

Eugenie wist den volgenden dag alleen te zeggen, waarheen bij vertrokken was. De oude heer knikte goedkeurend; hij zag hierin een begin van onderwerping. Fanny daarentegen een bewijs van koppigheid.
't Was tien uren geworden; de bakkersmeid schelde bij den kolonel: er kwam geen geluid; zij klopte en bonsde aan de deur: even vergeefs. De veldwachter kwam er bij, met zeer veel moeite werd de zware deur uit de hengsels genomen; men drong in zijn kamer: een vreeselijk gezicht trof toen ieders blikken: de secretaire was opengebroken en op den grond lag het bebloede, ontzielde lichaam des grijsaards. Het geheele dorp raakte in beweging, de geneesheer kwam het feit constateeren, en 't bleek dat een messteek boven in de borst hem had geveld; de moordenaar was door hetzelfde raam geslopen, dat tot Wolfgangs grap had gediend. Zijn naam ging van mond tot mond; een der bedienden van den heer Van Senne vond in het bloed een glacé-handschoen; zorgvuldig verborg hij dien en bracht hem aan Fanny. Zij wierp er een onverschilligen blik op en verzocht toen, 't voorwerp aan haar vader of man te brengen.
De eerste was naar 't tooneel des ongeluks geweest. Onder de groepen menschen, welke hij voorbijging, hoorde hij mompelen en zag dat men op hem in 't bijzonder de oogen had gericht. Een duister voorgevoel greep hem aan, een onaangename gewaarwording, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven. Gedrukt keerde hij naar huis en ging de trappen op naar de eetzaal. Bij den schoorsteen stond Van Helden, doodsbleek, met het hoofd in de handen.
“Wat scheelt u?” vroeg hij barsch.
Verschrikt hief deze het gelaat op en reikte hem sprakeloos den handschoen over.
Van Senne raadde alles; hij herkende den eleganten, lichtbruinen handschoen en gevoelloos zonk hij in elkander; Fanny schoot toe, men bracht hem bij, helaas! zijn levensgeluk was heen!
Dienzelfden middag wist ieder te vertellen wie de dader was; men zocht alles bij elkander: de plotselinge verwijdering van Wolfgang, zijn vroegere grap, zijn bezoek bij den kolonel, zijn betrekking tot Rosa, en spoedig was ieder overtuigd dat hij in 't huis was gedrongen, de secretaire had opengebroken, en toen de kolonel, door het gerucht wakker geworden, was toegesneld, hem door een messteek het eeuwige zwijgen had opgelegd.

[186:]

Eugenie zat alleen te schreien toen Fanny binnentrad en in alle hevigheid uitvoer tegen den lagen moordenaar, dien zij haar broeder moest noemen. Verontwaardigd rees het meisje op en zij verweet hare zuster even heftig dat lichtvaardig oordeel.
“Maar die handschoen dan, is dat niet het meest sprekende bewijs?” vroeg zij.
“Volstrekt niet; evenmin als het zeker is, dat hij alleen zulke handschoenen draagt. Van Helden heeft er van bijna dezelfde kleur.”
“Zoodat ge eigenlijk insinueert, dat Gerard de schuldige is?” barstte Fanny uit.
“Ik insinueer niets; maar met even weinig recht als je Wolfgang beschuldigt, kan ik Van Helden en zelfs papa voor den misdadiger houden.”
“Wat een dolheid! En rekent ge dan voor niets al hetgeen er vroeger is voorgevallen met die smidsdeerne en die weddenschap!”
“'t Is geen bewijs; de uitkomst zal het leeren.”
Geheime agenten werden naar D. gezonden: de dokter was naar Cleef en men had Wolfgang daar niet eens gezien.
Toen werd er naar Cleef getelegrapheerd; in 't hotel Maiwald zaten beide vrienden inderdaad een glas Rijnschen wijn op het terras te drinken. Allerbeleefdst werd Wolfgang ter zijde geroepen: men ondervroeg hem. De eerste tijding van den moord op iemand, dien hij daags te voren nog had gezien, deed hem verbleeken; maar bij de eerste toespeling die men maakte op zijn schuld, begon hij luid te lachen en behandelde de zaak als een grap. Nu werd hem gezegd, dat hij in arrest was; zwaar vermoeden lag op hem, vooral daar men hem buiten het land had gevonden. Hij werd boos, verklaarde zich niet te onderwerpen, doch het einde was natuurlijk, dat hij moest zwichten. De vermomde agenten brachten hem naar Arnhem. Onderweg trachtte men hem een bekentenis te ontlokken; hjj had echter niets te bekennen en zweeg onder den indruk of alles eer een droom dan wel een grap was.
Maar toen de deuren der gevangenis achter hem dicht vielen, eischte hij op hoogen toon, gebruik makende van zijn naam en stand, inlichtingen. Zijn woord van eer, zeide hij, was voldoende om hem van alle schuld te vrijwaren.
De officier van justitie, een goede kennis, verzekerde hem, dat dit slechts vormen waren; hij was natuurlijk overtuigd dat de zaak op een lasterlijk gerucht rustte, maar in elk

[187:]

geval moest de beschuldigde zijn papieren geven. Wolfgang haalde zijn portefeuille voor den dag, doch zich herinnerende, dat zich daarin eenige verzen aan “Amina” of wel Rosa bevonden, verzocht hij dringend er 't een of ander uit te mogen nemen. De officier hield vol en nu stelde hij hem 't voorwerp ongeopend ter hand; men bracht den jongen man in een zeer nette kamer om er den nacht door te brengen. De opeenvolging van gewaarwordingen sedert den vorigen middag had hem geheel 't verzoek doen vergeten van den armen kolonel; hij had geen gedachte meer aan de effecten, welke zich nog steeds in de portefeuille bevonden en die natuurlijk in verband met zijn aarzeling zijn zaak nog verergerden.
Den volgenden dag schreef hij een brief aan zijn vader en behandelde de geheele beschuldiging nogmaals als een alleronaangenaamste grap, een vergissing die hem duur kon te staan komen. 't Antwoord was verpletterend:
“Verwacht niets meer van uw vader! Een moordenaar en dief is mijn zoon niet meer. Verneder u voor de hand des Gerechts, opdat God medelijden moge hebben met uw ontzaglijke schuld. Van uw familie zijt ge voor altijd gescheiden, want nooit besmette haar een vlek zooals deze.”
Dus ook zijn vader zag in hem een misdadiger en toch wist hij dat hij onschuldig was, geheel onscholdig aan een misdaad, waarvoor hij ijsde. Toen schreef hij aan Fanny, Ferner en Van Holtberg. Hij wist, dat elk zijner brieven moest gelezen worden, voor zij aan de bestemming kwamen, en toch schreef hij met een uitstorting des harten, die ieder overtuigen moest, dat de schrijver of onschuldig of zeer geslepen moest zijn. Hij verzocht Van Holtberg zijn verdediging op zich te nemen. Het antwoord was ijskoud; omstandigheden beletten hem zich met de zaak te belasten. Van Ferner noch van Fanny kwam een woord; maar daar verscheen een oude vriend zijns vaders, een vergrijsd advocaat.
“Jongen,” sprak hij, “ik zie 't aan u! Gij zijt onschuldig, of niemand is 't. Ik zal u verdedigen, tenzij hetgeen misschien nog beter is, gij het zelf wilt doen.”
“Daartoe voel ik de kracht niet,” antwoordde de jongeling moedeloos. Hij was onder die zware beschuldiging als verpletterd. Tot nu toe had hij zoo weinig van de distelen en doornen des levens gekend, dat die eerste onverdiende smart hem haast tot vertwijfeling bracht. Eindelijk ontving hij een briefje van Eugenie.
“Houd moed, goede, beste broeder,” schreef zij; “ik ben

[188:]

overtuigd, dat uw onschuld zal zegepralen. Ik herhaal ‘t aan ieder die maar hooren wil: al had ik Wolfgang met eigen hand den moord zien plegen, ik zou nog eerder denken, dat ik krankzinnig dan dat hij een moordenaar was. Wacht nog een poos, als de storm voorbij is, dan zullen papa en allen, die nog twijfelen overtuigd zijn als ik, dat gij het slachtoffer zijt van bedriegelijke omstandifheden.”
Dat was een balsem op de wond; hij herlas die woorden, welke hem eenigen troost in 't hart stortten, evenals het bezoek van zijn vriend den dokter, die hem even trouw bleef en zijn moed opwekte.
Ferner en Holtberg wisten dat Wolfgang in oogenblikken van vertwijfeling veel kon doen, waartoe hij anders niet in staat was; zij overdreven het gevoel, dat hij voor Rosa had, en den tegenstand, dien hij van zijn vader ondervond. Uit die twee omstandigheden, besloten zij, was een wanhopig voornemen ontstaan. Wolfgang moest geld hebben, kost wat kost. Om dit te verkrijgen was hij in 't huis van den kolonel geslopen, met het plan om alles wat hij nu machtig werd, later ruim terug te geven; ongelukkig trad de oude man tusschen beiden en nu kon er niets anders op volgen dan diens dood. Dat een ander schuldig kon zijn, kwam na de overweging van alle omstandigheden in niemands brein op, toch ging Ferner naar de gevangenis, meer op het verzoek zijner aanstaande dan omdat hij er behoefte toe gevoelde.
“Hebt gij mij ook al verzaakt?” vroeg de gevangene, toen zijn vriend binnenkwam. “Gelooft gij ook, dat ge zoo langen tijd een spitsboef uw vriend hebt genoemd?”
“Dat heb ik nooit gedacht,” antwoordde Ferner koel; “'t is het oogenblik, dat van sommige menschen misdadigers maakt.”
De aderen van Wolfgangs voorhoofd zwollen op.
“Waarom komt ge dan hier als ge mij op niets beters onthalen kunt dan op een wijsgeerige les?”
“Om u aan te raden uw zaak niet te verergeren door onoprechtheid.”
“Ferner,” zeide de andere ernstig, “we zijn geen vrienden van vandaag of gisteren. Zie mij aan en zeg me dan ronduit: hebt ge ooit kunnen voorzien, dat ik eens zou. vallen tot zulk een diepte?”
“Neen nooit, maar heb ik u gezegd..."
“Laat dan alles tusschen ons gedaan zijn, Carel Ferner.

[189:]

Tusschen vrienden mag geen wolkje drijven en wat nu tusschen ons is, gelijkt wel een donderwolk.”
Ferner was gekomen om zijn vriend tot bekentenis aan te sporen, hem 't bespottelijke voor te stellen van een ontkenning, maar de woorden bestierven op zijn lippen en toch kon hij niet gelooven, dat Wolfgang onschuldig was.
“Ik hoop dat het gerecht een gunstige uitspraak zal doen,” zeide hij eindelijk.
“En al naar dat het gerecht mij schuldig of onschuldig noemt, zal ik uw vriend blijven of niet. Neen Ferner, zoo is mijn begrip niet van de vriendschap; ik verlang volledigvertrouwen in de eerste plaats.”
“Dat kan ik nog niet in u stellen.”
“Welnu, vaarwel dan!”
En zij scheidden. Ondertusschen - zeide men - stond de oude heer Van Senne niet stil; door zijne uitgebreide betrekkingen was hij in staat dezen of genen te bepraten en zelfs door geld om te koopen, opdat Wolfgangs zaak met toegevendheid zou worden behandeld. 't Gevolg hiervan was, dat dan ook na een bespoedigde driemaandelijksche preventieve gevangenschap de behandeling der zaak begon.
De eisch was de doodstraf; de bewijzen spraken zoo overtuigend, dat alleen zijn hardnekkige loochening van alle schuld de rechters deed weifelen. Het tribunaal was overvol; de zaak was ook zoo interessant. Een jongmensch uit de hoogste standen, knap, mooi, bij iedereen gezien, een liefdesgeschiedenis op den koop toe: dat was meer dan genoeg om ieders belangstelling te prikkelen. Na de rede van den verdediger, die, reeds oud geworden, zijn cliënt niet meer met het vuur der jeugd verdedigde en daardoor volstrekt niet bij het publiek den slechten indruk wegnam door de akte van beschuldiging teweeggebracht, verklaarde de rechtbank tot ieders verwondering geen bewijzen genoeg te hebben om tot de aanwezigheid van schuld te besluiten.
Er werd gemompeld en gefluisterd: als de vader niet zoo invloedrijk en bemiddeld was geweest, zou het vonnis anders zijn uitgevallen. 't Werd toch wel eens tijd den overmoed te breidelen van die jongelui, welke zich verbeeldden alles te kunnen en te mogen doen. Zedelijk veroordeeld was Wolfgang van Senne, ten minste in ieders oog. Geen handdruk, geen gelukwensch kwam hem begroeten; doch toen de deuren der gevangenis zich voor hem ontsloten, wachtte hem een havelooze hoop volks voor de deur, Men begon hem uit te

[190:]

jouwen, dreigde hem met de verschrikkelijkste verwenschingen en hij mocht blijde zijn, dat het rijtuig snel reed en hij spoedig buiten het bereik der woedende menigte was. Hij liet zich naar een hotel brengen. 't Was zoo genotvol eindelijk eens vrij te zijn, niet meer die muren om zich heen te zien, al waren ze dan ook zoo grauwen kil niet als die der dichterlijke kerkersj maar de blikken, die ieder op hem wierp, het algemeen opzien dat hij baarde, 't was niet te dragen. Hij wilde alles trotseeren door zijn opgeheven hoofdm zijn onschuld toonen; 't was gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Kennissen traden in de restauratiezaal, men zag hem aan en wendde het hoofd af. Eindelijk trad er een binnen, die hem met de oogen zocht en toen in plaats van zich af te keeren, met opene hand naar hem toekwam en de zijne drukte, Het was de dokter.
“Zij hebben u dus recht doen wedervaren?” zeide hij luid genoeg om door ieder te worden gehoord.
“Geen recht, want dan hadden zij de beschuldiging moeten intrekken.”
“Laffe comedie,” zeide iemand uit hetgezelschap; “hij moest van geluk zijn vader om den hals vallen, daar door diens toedoen zijn vrijheid en leven gespaard zijn.”
Wolfgang sprong op. Hij wilde voldoening van den spreker eischen; maar de dokter, die slechts een hernieuwing van hatelijkheden voorzag, bad hem zich bedaard te houden. Op drogen toon verzocht hij den heeren niet wijzer te zijn dan het gerecht en hun oordeel op te schorten tot het oogenblik, waarop hun dit zou gevraagd worden. Toen stelde hij zijn vriend voor een glas wijn op diens kamer te drinken.
“O, Adolf, mijn leven is verwoest, gebroken!” Met dezen wanhoopskreet zonk Wolfgang op de canapé neder, terwijl zijn trouwste vriend naast hem gezeten, tevergeefs trachtte hem moed in te spreken.
“Wacht alles van den tijd af, beste Wolfgang de menschen kunnen onrechtvaardig zijn, maar dit duurt slechts kort... God is de eeuwige wreker.”
“Ja en ik zal Hem tot Rechter stellen in mijn zaak; Hij moet mij helpen, want Hij alleen heeft gezien, wie die euveldaad heeft begaan. Ieder is doof voor den kreet der onschuld, en toch Adolf, ik kan lichtzinnig en dwaas geweest zijn, maar nooit was ik misdadig.”
“lk ben er van overtuigd, goede vriend! Gisteren was ik bij uw vader.”

[191:]

“En wat zeide hij?”
“Niets, hij was in gedachten verdiept, maar uw zusjes Eugenie en Melanie baden en smeekten mij haar toch te zeggen, wat ik van de uitspraak dacht.”
“Hebt gij Fanny niet gezien?”
“Neen, zij moet hier op hare kamers zijn.”
“Dan ga ik er heen.”
“Doe dat niet; ik bid u, doe dat niet!”
“Waarom?”
“Omdat... ach! wij kennen Fanny immers; zij kan zoo zonderling zijn.”
“Zonderling in deze omstandigheden? Dat ware onmogelijk! Houd me niet tegen, Adolf, ik ga naar haar toe; ik wil weten wat ik van haar heb te wachten.”
Zijn toon was zoo beslist, dat Adolf geen woord meer er tusschen bracht; hij nam dus evenals zijn vriend hoed en stok en volgde hem tot aan de deur van het kwartier, door Van Helden en zijn vrouw bewoond als ze in Arnhem kwamen.
Hier verliet de dokter hem en wandelde op en neer. Een kwartier verliep. Toen verscheen Wolfgang; hij wankelde als een beschonkene; zijn gelaat, waarop de gaslantaarn een valen schijn wierp, had geen kleur meer en zijn oogen stonden verward.
“Wolfgang,” sprak de deelnemende man, “laat ons met den laatsten trein naar D. vertrekken. In de kalmte mijner woning zult gij tot bedaren komen; 't zal nu tijd zijn, laat ons gaan.”
“Breng mij waar gij wilt, al is 't ook onder de aarde. ’t Is alles gedaan, mijn naam is uit de boeken der familie gewischt. Zij heeft het mij gezegd, koud als altijd... en Van Helden, die ellendeling, die huichelaar... hij heeft haar gezegd, dat zij mij niet meer mag spreken... zij schaamt zich voor haar eigen broer tegenover hem... zij had haar kind op den schoot... ik wist niet eens, dat zij er een had en dat kind zal mijn naam nimmer kennen... O, Adolf, wat heb ik gedaan om dit te verdienen... uw hand, ik glijd in den afgrond... zij heeft mij de deur gewezen, mijn plaats is bij de galeiboeven. Waarom hebben ze mij niet ter dood veroordeeld, want wat wacht mij nog?”
Geen moeder kon met meer teederheid haar kind geleiden en zijn smart lenigen dan de edele dokter door woord en daad trachtte de vreeselijke uitbarsting van smart in zijn vriend te matigen. Het was laat en slechts enkele reizigers, die naar het spoor moesten, vertoonden zich op straat. Adolf

[192:]

hield een vigelante aan en steeg er met hem in. Zij kwamen aan 't station en om alle blikken te ontgaan, wandelden beiden op het duisterste gedeelte van 't perron op en neer, totdat de trein aankwam en hen met zich voerde. Wolfgang sprak niet meer; hij was doodstil; zijne krachten schenen uitgeput. Maar toen hij in de huiselijke kamer van zijn vriend was aangekomen, liet hij zich machteloos neervallen en nog denzelfden nacht openbaarde zich een heftige koorts, die zijn leven in gevaar bracht. Zijn jeugd en krachtig lichaam zegevierden: hij werd aan 't leven teruggeschonken, maar aan welk leven?
Er lagen eenige brieven voor hem gereed, allerliefste briefjes van Eugenie en Melanie. Ze waren niet wel, schreven zij, anders hadden zij zeker hun broeder opgepast; maar dat hun vader dit stellig verboden had vermeldden zij niet. Wolfgang zond zijn vader nogmaals een roerende bede om hem aan zijn onschuld te doen gelooven; door, Eugenies bemiddeling werd de oude heer als het ware gedwongen die te lezen; zijn gelaat vertrok zich echter niet en koud sprak hij:
“Mijn voorgevoel is bewaarheid geworden, boven mijn verwachting, helaas! Mijn zoon is een moordenaar en dief, waarom zou hij geen leugenaar zijn?”
Tevergeefs trachtte Adolf, Wolfgang eenig belang in ’t een of ander te doen stellen; alle levenslust, die vroeger in hem gegloeid had, was verdwenen. Geen snaar kon meer trillen, alles in zijn gemoed was verdord. De dokter dacht aan Rosa, hij schreef het meisje of zij nu met den heer Van Senne wilde trouwen en met hem buitenslands gaan wonen. 't Antwoord kwam van den vader in onmogelijk Hollandsch: de naam zijner dochter was door de schuld van dien gemeenen jongen genoeg over ieders lippen gegaan, zoodat hij zeer blij was, dat een eenvoudige boerenjongen Roosje nog had willen hebben. Zijn principe was, brave armoede te stellen boven slechten rijkdom. Hierop viel niets af te dingen en ook deze poging leed dus schipbreuk. Daarbij scheen Wolfgang niet meer om Rosa te denken; al die stormen hadden het teedere bloempje zijner liefde jammerlijk verpletterd. Eens las de dokter in de bladen iets van een schip, dat zich in Hamburg gereed maakte een reis om de wereld te doen.
“Dat is iets voor u,” riep Adolf, “daarmee moest gij gaan. Over twee jaar komt gij terug en dan is alles in 't vergeetboek.”
“Behandel dan die zaak voor mij.” zeide op kwijnenden

[193:]

toon de ongelukkige jongen. “Wat gij goed vindt, zal ’t zeker wel zijn.”
Met hetgeen Wolfgang van zijn moederlijk erfdeel bezat, werd een contract gesloten. Adolf bracht zijn vriend naar Hamburg en eerst toen deze aan boord van 't schip was verliet hij hem, helaas! om hem niet meer terug te zien, want in hetzelfde jaar brak te D. de cholera uit. Adolf oefende onverschrokken zijn plicht uit en werd er het slachtoffer van.
Ondertusschen bleef Wolfgang twee jaren op reis; zijn stemming werd kalmer, maar hij kon zich volstrekt niet verzoenen met het vooruitzicht altijd te moeten gebukt gaan onder een schandvlek. Al zijn hoop was gevestigd op een verandering der openbare meening in Nederland; hij hoopte dat men de zaak zou hebben vergeten, maar die hoop verdween, toen hij, terwijl het schip te Singapore aanlag en hij zich aan wal begaf, in 't hotel zijn zuster Fanny met haar man en kind aantrof. Zoodra Van Helden hem zag, werd hij doodsbleek en verwijderde zich, zij wierp op hem een van hare meest uitdagende blikken.
“Lieve, beste Fanny,” smeekte hij, geheel verteederd door de onverwachte ontmoeting, “vergeet alles. Geloof mijn woord!”
“Ik ken u niet!” antwoordde zij trotsch, en weer gevoelde hij zich als verpletterd onder hare verachting.
Op Java gekomen zag hij hoe 't noemen van zijn naam voldoende was menigen wenkbrauw te doen fronsen, den hartelijksten kennis in een stuggen te herscheppen. Daar was de geruchtmakende zaak doorgedrongen en nog niet vergeten, hoeveel te minder zou 't dan zijn in Nederland?
Nu begon hij een uitgebreid memorie te schrijven, om zijn onschuld te bewijzen. Het werk was gereed toen hij te Londen aankwam en zich verwonderd afvroeg of hij twee dan wel twintig jaar weg was geweest. Op 't postkantoor vond hij een brief van Eugenie liggen, den tweeden, dien hij in beide jaren van huis had ontvangen. Zij drukte er hare verwondering in uit, dat hij over haar stilzwijgen klaagde; de brieven moesten dus verloren zijn geraakt. Zij gaf hem een kort verslag van hetgeen er thuis was voorgevallen. Haar engagement met Ferner was af; ze zeide echter niet waarom. Melanie was mooi opgegroeid, maar nog altijd 't zelfde haasje.
Aan Van Helden was op Java een mooie betrekking bij een suikerfabriek aangeboden; hij was sedert eenige maanden per mail daarheen vertrokken, vergezeld door vrouw en kind.

[194:]

Papa, liet zij er voorzichtig doorschemeren, was zeer aan 't afnemen, en als Wolfgang hem nog wilde zien, moest hij zich zeer haasten. Hij begreep dien wenk; onmiddellijk vertrok hij naar Holland en was binnen weinige dagen in 't vaderlijke huis. Onverwacht trad hij in de groote vestibule, waar nog dezelfde oranjeboomen, dezelfde beelden stonden van weleer. 't Was als in de eerste dagen zijner jeugd, toen hij nog de hoop van zijn geslacht was, en nu verscheen hij daar erger dan een vreemdeling; de bedienden zagen hem verwonderd en wantrouwend aan. De oude Griet alleen trad hem schreiend te gemoet.
“Wat zullen de dames blijde zijn!” riep zij.
“En hoe is 't met papa?!”
“Slecht, slecht! Wacht even totdat ik juffrouw Eugenie gewaarschuwd heb.”
Het jonge meisje verscheen bijna onmiddellijk en wierp zich hartstochtelijk snikkend aan zijn borst.
“Breng mij bij papa,” was alles wat hij kon uitbrengen.
“Ik zal hem voorbereiden,” antwoordde zij.
Zij ging naar de groote kamer, waar Van Senne op een rustbank lag. Wolfgang volgde haar op den voet.
“Papa,” zeide zij, “er is iemand die u spreken wil: iemand die u in lang niet gezien heeft.”
“Laat hem binnenkomen,” klonk het matte antwoord, en zijn zoon snelde toe om zich naast hem op de knieën te werpen en zijn hand onverwachts in de zijne te klemmen. Met een gebaar van afschuw herkende de oude man zijn kind. Hij wendde zich heftig om en rukte zijn hand los.
“Weg! weg!” riep hij. “Ik kan u niet zien, moordenaar, uw hand is met bloed bevlekt.”
“Vader, 't is niet waar!” en die kreet, uit het diepste van zijn hart geweld, had den vader moeten overtuigen, ware zijn vooroordeel niet te diep geworteld geweest. “Geloof mij thans; ik zal u niet beliegen, maak mij niet rampzaliger dan ik reeds ben! Vader, alles zal ik van de menschen verdragen, maar niet dat gij mij beschuldigt.”
“Ik heb u vervloekt, ga heen!”
“Spreek dat woord niet uit: het zal u berouwen, wanneer gij daarboven gekomen, eindelijk zult inzien, hoe gij gedwaald hebt. Ik zweer het u: er is geen schaduw van schuld aan mij.”
“Voeg bij al uw misdaden niet die van meineedige! Laat hem gaan, Eugenie! Ik neem het u kwalijk, dat gij hem binnen hebt geleid.”

[195:]

Tevergeefs paarde ook zij hare smeekingen bij de zijne; de vader was onverbiddelijk. Hij bleef met gesloten oogen liggen, doch zijn hand wenkte onophoudelijk om Wolfgang te doen verwijderen.
“U maakt mij diep ongelukkig, papa,” zeide Wolfgang eindelijk, “maar dit alléén troost mij, dat uw vloek den moordenaar treft en niet den onschuldige. Vaarwel, nimmermeer zult gij iets van mij hooren, tenzij ik ellendig en waarlijk als misdadiger ben gestorven.”
Hij haalde zijn memorie uit den zak, wierp het in de vlammen en verliet de woning. Eugenie ging hem achterna; hij was als verwilderd en zij vreesde voor zijn verstand; maar toen zij met teeder geweld hare armen om zijn hals sloeg, rukte hij zich los en verdween. Snikkend keerde het meisje naar de ziekenkamer terug, haar vader lag met gevouwen handen en groote tranen rolden langs zijn vermagerde wangen.
“Mijn kind,” hoorde zij hem zeggen, “mijn eenige zoon, ben ik niet te streng geweest? Wanneer hij zijn schuld bekende, in 't geheim, aan mij alleen, ik zou er berouw in zien en hem vergeven.”
“En als hij dan waarlijk onschuldig was, papa?”
“Dan was 't geen wonder, dat hij... Neen Eugenie, neen, na alles wat Van Helden en Fanny gezegd hebben is 't onmogelijk.”
Wolfgang snelde het dorp door; ieder zag hem verschrikt na. De kinderen vluchten weg, de ouders fluisterden veelbeteekenend zijn naam. Plotseling bleef hij staan: hij zag voor een schilderachtige boerenwoning een jonge vrouw staan met een allerliefst kind op den arm en naast haar een forsche, krachtige boer. 't Was Roosje. Blozend keerde zij zich om. vol schaamte en vrees dat hij haar zou aanspreken. Maar nadat die herinnering hem weer als met een dolksteek doorboord had, ging hij voort naar het naaste station. Wezenloos nam hij een kaartje. Waar zou hij ook gaan? Hij was immers alleen op de wereld. Zelfs Adolf, zijn trouwe vriend was niet meer. Duistere gedachten van zelfmoord, van zelfvernietiging, dwaalden in zijn brein. Hij zag in de verte den trein aankomen en als een vurig monster zich naar hem richten. Een plotselinge gedachte vloog door zijn geest. God alléén kon getuigenis afleggen van zijn onschuld; waarom zou hij zich dan niet voor den stoel van dien Rechter begeven? Snel wilde hij zich op de rails plaatsen en dan...
Een gevoel van verlamming hield hem terug; hij scheen

[196]

als vastgekluisterd. Alles dwarrelde in ontzaglijke kringen om hem heen; hij had een anker noodig om op te steunen; 't ontbrak hem. Hij zag niets vóór zich dan vijanden, die zijn ondergang hadden gezworen. O, als hij den moed had een einde aan alles te maken, eenige stappen voorwaarts te doen! Inderdaad voelde hij in het uiterste oogenblik, dat hij het kon. Hij ging het perron af... Op slechts weinige stappen afstands naderde de locomotief: een gil van ontzetting steeg uit de borst van alle reizigers, die de aankomst van den trein wachtten; een beambte schoot toe, om hem tot staan te brengen.
't Was niet noodig; met de hand op de oogen was de ongelukkige blijven staan, en wat hem tegengehouden had, verried hij door het enkele woord 't geen op de lippen komt in de dagen van rampspoed, schoon het vergeten kan zijn in den tijd van 't geluk, schoon het in jaren wellicht niet is uitgesproken en al dien tijd is verborgen geweest in den diepsten, den reinsten schuilhoek des harten, 't woord dat een wereld uitroept van zuivere, heilige herinneringen:
“Moeder!” riep hij op hartverscheurenden toon. “Moeder!”
Was het beeld der reeds zoo lang ontslapene hem plotseling in een stralenkrans van licht verschenen? Was zij hem komen waarschuwen, dat hij niet zóó een beroep op de gerechtigheid Gods mocht doen? Hij wist het zelf niet. Alleen kon hij zich herinneren, dat een plotselinge huivering, een overweldigend gevoel hem had teruggedrongen en hij dacht aan zijn moeder, die, al ware hij dan ook zoo schuldig, zoo slecht geweest als de wereld het dacht, hem niet verstooten, niet vervloekt zou hebben.
De reizigers omringden hem, hij baande zich door hen een weg en sprong in een ledigen waggon. Hij wist nu waarheen hij zou gaan: naar het familiegraf der Hartwigs, waar ook zijn moeder rustte.
Hij ging er heen, en neergeknield voor den steen, die haar overschot dekte, voelde hij den kramp, die zijn wil, geheugen en verstand bevangen had, langzaam verdwijnen en zich ontlasten in een stroom van tranen. Hij voelde zich ongelukkig als een hulpeloos kind, dat verlaten, geheel verlaten is en niemand heeft, die zich om hem bekommert. Maar er was te veel veerkracht, te veel energie in zijn karakter dan dat hij zich aan een laffe droefheid zou overgeven; hij trachtte zijn toekomst onbevreesd in de oogen te zien, hetgeen hij tot nu toe niet had gedaan

[197:]

Hij was veroordeeld tot een straf, onverdiend wel is waar, doch daarom des te zwaarder: een schande die tot aan zijn dood hoogst waarschijnlijk op hem zou drukken. Wat bleef hem te doen over? Hij stond op een gevaarlijk keerpunt: jong en rijk als hij was kon hij zich werpen in den maalstroom der wereld en daar alles verliezen, wat hem nog overbleef, om dan te eindigen met datgene te worden, waarvoor men hem aanzag; aan den anderen kant was de wereld groot genoeg om hem een strijdperk te bieden, waar hij zijn krachten kon beproeven om naast zijn bevlekten naam een anderen te veroveren, die hem ieders achting weer zou waardig maken.
Hij dacht aan Amerika, het land, dat, om zoo te zeggen geen verleden kent, waar 't gemakkelijk is een nieuw leven te beginnen als men in staat is het voorheen te vergeten.
Wat hij reeds gezien had van 't Dorado der boeven (helaas, zoo had hij vroeger vaak schertsend Amerika genoemd) versterkte hem nog meer in zijn plan derwaarts te reizen en zich op de eene of andere manier een bestaan te scheppen, ver van zijn vaderland en zijn familie, die hem verstieten.
De gedachte aan Eugenie alleen weerhield hem; maar was hij zelf niet een beletsel voor haar geluk? Hoorde men niets van hem, dan had zij nog kans op een gelukkig huwelijk; gebeurde dit niet, dan kon zij misschien later, veel later zijn ballingschap komen deelen.
Een week later was hij op reis naar de Nieuwe Wereld.
Niemand komt uit de onmetelijke bosschen, waar hij alleen isgeweest met den helderen, blauwen hemel boven en de ijzingwekkend schoone natuur rondom zich, zonder beter en krachtiger te worden.
't Was of Wolfgangs gebroken hart, verwelkt gemoed en verwonde geest uit de zuivere lucht nieuwe veerkracht hadden geput, toen hij vijf jaren later het eenzame blokhuis verliet, dat hem al dien tijd tot hoofdkwartier had gestrekt. Rijker was hij niet geworden; het was hem ook niet om geld te doen geweest. Een beroemden naam had hij nog minder verworven; maar met zeldzame energie had hij gronden ontgind, wildernissen bewoonbaar gemaakt, zijn krachtigen arm gebruikt om ondieren te vellen en nu hij, door een onweerstaanbaar heimwee naar Holland gedrongen, die plekken ging verlaten, was hij in de volheid der beteekenis geworden wat zijn vader zoo graag had gezien: een man. Een man, voor de jaren gerijpt door smart en arbeid, door zelfoverwinning in staat ook anderen te beheerschen; moedig in lichamelijk

[198:]

en geestelijk lijden; ernstig en toch niet sterk, een weinig angstig voor menschen, daar hij terugschrikte voor een beleediging, doch hen niet hatend, zonder bitterheid doch vol belangstelling voor alle groote behoeften der menschheid. De lessen van den tegenspoed hadden hem beter gemaakt; alle beuzelachtigheid, die zijn karakter had omgeven, was verdwenen en slechts de goede hoedanigheden bleven versterkt en verbeterd over. Hij wist nu wat het leven was: een plicht, die op elk rustte en die soms zwaar, zeer zwaar kon drukken, maar dien men niet mocht afschudden. Voor eenigen wordt het verlicht door een teedere vrienden hand, door genoegens, door een schoon doel, door de liefde; anderen moeten het torschen alleen verzwaard door een buitengewonen last; doch de woestenij had hem voorbeelden doen zien van mannen die alles verdroegen om hun doel te bereiken, die in de wildernissen een vrijwillige ballingschap sleten, eenigen voor den rijkdom, anderen voor hun geloof. En zoo als zij alleen met weinig troost van 't geen hun omringde, toch nog gelukkig konden zijn, was 't hem ook mogelijk; en fier hief hij het hoofd op, sterk op zijn onschuld, sterk op de rechtvaardigheid Gods.
De lichamelijke vermoeienis begon hem af te matten; hij voelde de kracht in zich, op meer uitgebreid gebied te werken door de macht des geestes. Daarbij verlangde hij naar Holland; eerst wilde hij nogmaals de plaatsen zien, die hij eens half zinneloos had doorloopen, en begaf zich van Californië naar Japan, doorreisde Azië en Europa en kwam na anderhalf jaar weer in 't landje terug, dat hem, na alles wat hij gezien had, klein, onbeduidend bijna voorkwam, maar welks taal hij niet zonder een diepe ontroering weer in zijn ooren hoorde klinken.
Hij las in de couranten den naam van zijn vrIend Van Holtberg, die, lid der Kamer geworden, de eerste stappen had gedaan op een weg die roemrijk kon worden. Een gevoel van ijverzucht trad in zijn ziel; het treurige bewustzijn van onrechtvaardig uitgesloten te zijn, overmeesterde hem weer terwijl hij alleen in het Haagsche bosch wandelde, door niemand opgemerkt of herkend, zag hij verscheidene zijner academie vrienden aan den arm hunner gades, omringd door hunne kinderen, en hij, misschien de meest begaafde onder hen, was niets dan een eemaam zwerver. Hij schreef naar huis, naar Eugenie en Melanie, en ontving een brief van Ferners hand. Koel meldde deze hem, hoe hij met Melanie

[199:]

gehuwd, alle betrekking tegenover Wolfgang wilde afgebroken zien en dus hoopte, dat zijn brief door geen anderen zou gevolgd worden. Hartwig (want in Amerika had hij nooit een anderen naam gedragen) gevoelde alweer dat hij nog niet onkwetsbaar was en hij nog veel zou moeten lijden als hij onder bekenden kwam.
Op een avond zat hij alleen op zijn kamer; de eenzaamheid werd hem drukkend. Plotseling ging de deur open, een dame trad binnen en hij herkende Eugenie, doch de schaduw der Eugenie van weleer. In stomme omhelzing hielden broeder en zuster elkander geklemd en toen zij spreken konden, wist zij geen woorden te villden om haar blijdschap te uiten, dat zij hem zoo krachtig, zoo schoon, zoo gezond terug mocht zien en hij durfde haar niet vragen, wat haar zoo had veranderd. Hij wist het genoeg; 't verdriet zou haar ten grave doen dalen door een dier treurige, kwijnende ziekten, welke alle kunst trotseeren. Zij verhaalde hem alles wat voorgevallen was in die lange jaren: den dood des vaders, kort op het treurig afscheid gevolgd; haar eenzaam leven met Melanie, Ferners huwelijk en wat zij te lijden had van de familie, die haar niet vergeven kon, dat zij aan de onschuld haars broeders bleef gelooven. “En nu, Wolfgang,” zeide zij, “nu verlaat ik u niet meer; waar gij ook gaat, ik vergezel u!”
“Mijn trouwe zuster!” en hij sloot haar in zijn armen en gevoelde zich niet meer verlaten, niet meer alleen.
Maar 't geluk der wereld is zoo kort en de rampspoed zoo lang! In afwisselende hoop en vrees voor hare gezondheid, bleef Eugenie aan Hartwigs zijde. Hij zocht voor haar genezing in Zuid-Europa. Helaas! waar hij zijn moeder had zien sterven, moest hij ook de geliefde zuster verlaten. Twee jaren later stond hij weer alleen. Hij ging zich verschuilen in Groenendam en daar ging de zon op, die zijn eenzaam leven kon verlichten, en wier stralen hij moest ontvluchten.
Hij leerde een andere Eugenie kennen, doch ook beminnen en liefde was hem ontzegd. 't Kostte nieuwen strijd, nieuw lijden en hij was nog niet aan 't einde, nu hij gevoelde, dat hij overwonnen was en dat het zoete oogenblik, met Eugenie aan den oever der zee doorgebracht, een zwakheid was.









volgende pagina | inhoud | volgende pagina