Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[209:]

OUDE KENNISSEN.

Er zijn plaatsen, waaraan de jaren niets veranderen en die men altijd onveranderd terugvindt. Groenendam behoorde tot dit getal: het had zijn muziek-, dans-, lees- en armenvereeniging nog; boven de apotheek bevond zich steeds de kamer, waarin het Dames-Comité zijn zittingen hield. 's Vrijdagavonds, klokke zeven, verschenen de dames één voor één onder de trap en dan in de zaal, en al waren er langzamerhand oude gezichten verdwenen en nieuwe verschenen, het lichaam bleef bestaan en de Groenendamsche armen mochten van geluk spreken, dat zoovele rijke, weldadige dames zich nog steeds
Mevrouw Van Dintel is geen presidente meer, sedert haar vertrek naar elders; een andere douairière bekleedt hare plaats. Zonder moeite raden wij dat deze De Lody van Groenerode, geboren Dertange, heet. Mevrouw Venners is secretaris als voorheen; de vice-presidente is ook vervangen, en thesaurierster is nu juffrouw Trappel, die evenveel klaagt en lijdt als eenige jaren te voren, maar er niets ouder of zwakker om uit ziet. Bleeke Dora komt in dezen winter niet meer naaien; de dokter heeft haar bepaald verboden, 's avonds uit te gaan. Zij zal de boomen wel niet meer groen zien worden. Emilie Carons, nu notarisvrouw en, o wonder! zeer goede vriendin der presidente, is collectrice; bij de eerstvolgende vacature zal zij wel zitting krijgen in 't bestuur. Zij ziet er gezond uit, en tusschen dezen krans geheel, half verwelkte en bloeiende rozen schijnt ze wel een groote pioen.
De presidente is tegenwoordig altijd even deftig in ’t zwart

[210:]

gekleed; sommigen fluisteren, dat zij een pruik op heeft. Hoe het ook zij, zeker is het dat haar heele verschijning in niets meer gelijkt op het vogelverschrikkersachtige, dat haar voor het huwelijk zoo onderscheidde.
Mevrouw Venners heeft de notulen gelezen, de thee is geschonken en men kan dus op zijn gemak naaien en praten.
Onwillekeurig is de deftige toon van het Comité eenigszins gedaald sedert de verandering van presidentes. Men heeft voor haar lang het ontzag niet dat men voor mevrouw Van Dintel koesterde. Echte adel imponeert altijd min of meer, maar de aangehuwde, half ontfutselde titel van juffrouw Tang liet de meesten koud, en als zij dus haar gezag liet gelden, kon zij van veel tegenstand en weinig onderwerping zeker zijn. Geen wonder dus, dat ze zeer veel moeite deed om door geven en nemen haar waardigheid te handhaven en daardoor haar natuurlijke scherpte een weinig had moeten afleggen.
“Maar lieve mevrouw,” zegt de secretaris, “we hooren nooit meer iets van uwe dochter.”
“Dat wil ik graag gelooven,” antwoordde zij, “als ik zelve niets meer van haar hoor.”
“Dat is toch niet zeer beleefd, u zoo weinig te schrijven.”
“Wat zal ik u zeggen, juffrouw Trappel? 't Is heel natuurlijk: uit het oog uit het hart.”
“Is u dan wel eens in haar hart geweest?” vraagt ondeugend Anna van Boer, een zeer snibbige, dertigjarige dame, nu als vice-presidente fungeerende.
“Ik heb er nooit moeite voor gedaan, dat is waar; ik mocht haar karakter niet. Arm en trots te gelijk, dat gaat niet.”
“Dat gaat juist; daardoor wordt de armoede ten minste nog wat verguld.”
“Vergulde armoede, juffrouw Van Boer, daarvan wist de dame, op wier stoel u zit, te vertellen en mijn goede, overleden man... ach, dat was een best mensch; maar ieder zijn gebreken, wat zegt u, juffrouw Trappel?”
“Dat is zeker mevrouw, mijnheer had ook een weinig trots, nietwaar?”
“Zeer veel zelfs, maar van de dooden zegt men geen kwaad.”
“Neen zeker niet! Ach, ik kan niet van mijnheer De Lody spreken zonder aan mijn eigen dood te denken. Ik heb dezelfde ziekte als hij. Ach ja, 't wordt mij bij den dag duidelijker! 't Is hard, vooruit te weten dat men sterven moet.”
“Dat weten we allemaal,” zeide scherp juffrouw Van Boer.

[211:]

“Maar in zoo'n korten tijd! Ik leef geen vier maanden meer.”
“Weet u wat, juffrouw Trappel? Als u mijn recept wil volgen, leeft u nog dertig jaar.”
“Wat zegt u, juffrouw van Boer?”
“De waarheid, zooals ik 't gewoon ben.”
“En wat zou ik moeten doen?”
“Niets eten dan droog brood, nooit biefstuk, nooit pastijtjes zooals u laatst bij Hagers kocht: altijd water drinken met wat azijn en zout.”
“Juffrouw...”
“Gelooft u mij niet? Verder om acht uren naar bed, om vijf uren op.”
“U houdt me voor den gek. Ik merk het wel. Om u de waarheid te zeggen, ben ik op geen grappen gesteld.”
“En ik niet op onophoudelijke klachten over allerlei kwalen.”
“Ik kan 't niet helpen, dat ik een oude, versleten vrouw ben; u hoeft dus niet zoo snibbig te zijn om mij zoo iets te verwijten.”
“In 's hemels naam, Anna,” bad de douairière, “begin niet te kibbelen.”
“Beginnen? ik beginnen! Maar beste Lody, wie begint er, als zij 't niet is? Ik ben de vredelievendheid in persoon, dat weet ge weI!”
“Maar hoe komt de conversatie op ziekten, als we bezig zijn over de freule? Weet je nog wel, mevrouw, hoe zij, toen er nog geen sprake was van je huwelijk met den jonker, soms hier kwam naaien?”
“Och mevrouw Venners, toen... weet u nog wat ik u gezegd heb? 't Kind heeft geene opvoeding gehad; ze is scherp, te trotsch en die twee gebreken staan zeer leelijk In jonge meisjes.”
“Slaat dat op mij?” vroeg de vice-presidente.
“Volstrekt niet, juffrouw Van Boer. Trekt u zich dat niet aan, juffrouw Van Boer; 't is een zeer algemeene opmerking. leder weet dat mijn stiefdochter heel veel pretenties had op haar adel en haar mooi gezichtje; en met pretenties zonder geld komt men niet ver noch in Holland, noch in de Oost. Daarom zal ze ook niet getrouwd zijn; ze is overigens in een heel mooie betrekking: verbeeld u achttien honderd gulden in 't jaar en kost, inwoning, wasch vrij, dat is veel voor een meisje, dat toch zoo heel bijzonder knap ook niet is.”
“'t Is verbazend achttien honderd gulden!”

[212:]

“En 't is toch zoo, ja ze betalen daar goed.”
“O, zoodra mijn oudste haar examen gedaan heeft, zeg ik tegen Venners, gaat zij naar de Oost; daar helpt niets aan.”
“Misschien wil de freule liever niet trouwen,” zei Emilie Carons.
“Praatjes, geen meisje wil 't niet, als zij het voor ’t kiezen heeft, maar...”
“Mevrouw de presidente heeft van avond haar koker met pijlen goed gevuld!”
“Maar juffrouw Van Boer, op zoo'n manier kan ik niets meer zeggen. Ik denk niet aan u. Ik spreek van mijn stiefdochter. Past u de schoen, dan ben ik 't niet die u hem doet aantrekken.”
“Kom kom, Anna,” sprak mevrouw Venners verzoenend, “ik zou niet te hanig zijn. Gij weet, mevrouw de Lody spreekt in 't algemeen en gij hebt, zooals iedereen weet, volstrekt geen reden, zoo'n steek als op u gericht aan te nemen.”
“Dat weet ik ook wel, maar mevrouw De Lody is lang genoeg jonge en oude juffrouw geweest om te begrijpen dat toespelingen van dien aard zelfs in de verste verte onaangenaam zijn. Men kan op dit punt nooit te kiesch zijn. Mevrouw Van Dintel zou met haren bijzonderen tact, nooit hebben toegelaten, dat men zich aan zulk gebrek van opvoeding in hare tegenwoordigheid schuldig maakte.”
“Ik weet, juffrouw Van Boer,” zei trotsch de presidente, “dat ik niet in de schaduw der douairière kan staan.”
“Aangezien zij hier niet is, behoeft dit ook geenszins en nu wij elkaar verstaan hebben, zal ik de verstandigste partij kiezen en zwijgen.”
“Daar doe je wel aan,” sprak mevrouw de Lody binnensmonds en de fabrikantsvrouw ging voort:
“Zou die afkeerigheid van 't huwelijk komen. omdat er zich niemand voordoet, of omdat ze geatteseerd is aan... aan een ander?”
“Lieve mevrouw Venners, ik weet er niets van. Ik voor mij geloof dat zij veel te trotsch, veel te scherp is om aan een man te bevallen.”
“En ik denk,” sprak geheimzinnig juffrouw Trappel, “dat ze nog altijd denkt aan den mijnheer, u weet wel, die zoo mooi op de viool speelde als een komediant, en die zoo plotseling verdwenen is.”
“Verbeeld je eens, ik griezel er nog van; als 't vroor zat bij nog met open ramen.”

[213:]

“Ik weet, wien u bedoelt, juffrouw Trappel. 't Is dat rare heerschap, aan wien dat roofslot van een kasteel voor tien jaren lang verhuurd is. Wat of hoe Eugenie over hem dacht, weet ik niet, maar vergeten heeft ze hem zeker. 't Is goed ook, een...”
“Ja, ik begrijp u mevrouw, ik begrijp u, maar...”
Hier werd ze afgebroken door een tikje op de deur; de meid der presidente trad binnen met de boodschap, dat een dame haar komst wachtte, om over een dringende zaak te spreken.
“U excuseert mij, dames! Mevrouw Venners, de verantwoording van u en juffrouw Trappel tot een volgenden keer. Juffrouw Van Boer zal mijn plaats wel innemen, nietwaar? Emilie, staat ge ook op?”
“Ja mevrouw, mijn kleintje moet naar bed.”
“O zoo, dan kunnen we samen oploopen. Wie dat toch zijn mag?”
Zij sloeg zich hoed, mantel en bont om, boog zich nogmaals naar den kant der vergadering en verliet met hare vroegere mededingster het vertrek.
Het bovenkwartier, door de douairière bewoond, lag in een der stilste maar daarom juist deftigste straten van Groenendam. De Groenert stroomde vlak langs de.achterzijde der rij huizen waartoe ook het hare behoorde. 't Waren vier in elkaar loopende, meer of minder nauwe kamers en een keukentje, dat ruirn groot genoeg was om er den kost te bereiden voor haar mager, eenzaam persoontje. Met klimmende verwondering steeg zij de trappen op. De meid die nog pas eenige maanden bij haar was, vertelde, dat de dame aan het hotel 't Zilveren Spoor was afgestapt. Een heer had haar tot aan de huisdeur geleid en was toen verderop gewandeld; de dame was o, zoo deftig gekleed. Deze laatste omstandigheid prikkelde hare nieuwsgierigheid en die van Emilie nog meer. Deze laatste bezon zich juist, dat de presidente haar gesproken had over een kluwen nieuwmodisch breikatoen; als 't niet te veel moeite was kon zij 't nu juist medenemen, anders kwam ze morgen. Tot het eerste werd besloten en zoo traden de twee dames in 't nette salon der douairière.
De bezoekster zat op de canapé; zij had een album opengeslagen, maar zag er niet meer in: haar hoofd rustte op de hand en hare oogen dwaalden naar het plafond. Bij 't openen der deur stond zij op; mevrouw de douairière zag haar aan en herkende hare stIefdochter. Tableau!

[214:]

Eugenie ging eenige stappen vooruit en stak hare hand toe; half wezenloos drukte mevrouw die; Emilie Carons wist niet of ze heen moest gaan of blijven zou. Men dacht niet aan haar. Stil gleed ze achteruit en verliet zoo snel mogelijk het huis: op straat sloeg ze bij vergissing links in plaats van rechts af, zoodat ze weer tegenover de apotheek kwam te staan. De verleiding was groot; snel smoorde zij de gedachte aan haren zuigeling en verscheen een oogenblik later weer in den kring, dien zij pas had verlaten, om daar 't heugelijke en verrassende nieuws mede te deelen, dat de freule van Groenerode terug was en er uitzag als een prinses.
“Eugenie,” zei mevrouw De Lody, “maar hoe komt ge hier? Ik had u niet verwacht.”
“Ik heb u ook niets geschreven over mijn komst.”
“In geen jaar hebt ge mij iets van u laten hooren. Was dat mooi?”
“Ik ben er nu zelf, dat is veel beter.”
“O ja zeker, zeker! Doe uw hoed af. Hebt ge al gegeten?”
“Ja, ik kom van 't hotel.”
“Slaapt gij er ook? Gij moest hier logeeren. Ik zal ’t wel schikken, al is 't wat klein.”
“Dank u! ik ben niet alleen.”
“Zijt ge dan getrouwd?”
Een flauwe glimlach speelde om Eugenies lippen.
“Neen, zoo ver heb ik 't in de Oost niet kunnen brengen. Ik ben hier met mijn ex-voogd.”
“O zoo!” Mevrouw De Lody drukte hare lippen op elkaar; zij had met Gravenheerdt zeer heftige woorden gehad. “Wilt ge dan niet in de andere kamer komen? 't Zal daar warmer zijn. Gij komt ook zoo onverwacht invallen. Ik was op de vergadering. Een kopje thee?”
“Doe geen moeite, ik heb aan niets behoefte.”
“Maar wat zijn dan uwe plannen? Waarvoor komt gij hier?”
“Och, ik ben meerderjarig; 't dienen verveelt mij en, verstandiger geworden, wil ik liever op mijn eigen van wat minder leven, dan de grillen verdragen van vreemden.”
“Dat is ook beter, maar...“
De douairière had eene groote voorliefde tot dit voegwoord; rechtuit hare meening uitspreken, wilde of durfde zij niet en zoo moest ze dus door omwegen tot haar doel komen.
“Wat belieft u dan?”
“Ik wil zeggen, dat een jonge dame van uw stand veel

[215:]

geld noodig heeft om zich te kleeden of liever om goed voor den dag te komen En hebt ge wat gespaard of wilt ge alleen van de huur der ruïne leven?”
“Daaraan heb ik nog niet gedacht. Zou ik hier geen pianolessen kunnen geven?”
“Gij hier muziekles geven! Maar weet ge dan niet hoe gij heet?”
“Natuurlijk heb ik in Indië mijn naam niet vergeten; wat doet dit er ook toe? Vóór alles moet ik leven.”
“Maar waarom dan zoo zoo lichtzinnig of lichtvaardig hierheen gekomen? Gij weet hoe het hier gaat, hoe uw goede vader heeft moeten tobben om zijn eer op te houden.”
“lk ben vrij van dien adeltrots.”
“Ja, maar toch men moet de meening der menschen wat respecteeren. Daarbij schijnt ge u voortaan deftig te willen kleeden.”
En zij wierp een blik op het elegante, zelfs kostbare toilet harer stiefdochter.
“Ja dat wil ik er ten minste van hebben.”
“Maar op zoo'n voet en met niets in de beurs kan men hier moeilijk rondkomen. Geloof mij, Eugenie, ge hadt beter gedaan in uw land te blijven; hier twijfel ik of ge ooit een goede partij zult doen.”
“Ik wil ook door geen huwelijk tot een positie komen. Had ik alleen hierom willen trouwen, dan ware ik ’t reeds lang geweest; maar 't is de oude geschiedenis: Die mij graag hadden wilde ik niet, en dien ik beminde wilde mij niet.”
Zij lachte bitter; mevrouw de Lody zag haar medelijdend aan.
“'t Is dus om eene liefdeshistorie dat gij Indië zijt ontvlucht? Ja, ja, 't is onaangenaam als men op dezelfde plaats moet wonen met iemand, die je niet mooi heeft behandeld. 't Doet me pleizier, dat je het ronduit zegt, ik weet er van mee te praten....” Zij zuchtte en dacht aan Emilies echtgenoot.
“Nu ben ik er over heen; van achteren beschouwd is er niets malIers dan alleen met iemand te trouwen omdat men hem liefheeft. Ik ben wat blij, dat ik in dien tijd niet met dien jongen ben getrouwd, maar ik heb er toch eens veel van geweten.”
Eugenie hoorde zwijgend die ontboezeming aan en gaf geen blijken dat zij de theorie der douairière deelde.
“Ik heb geen overhaast besluit genomen, ik ben heel kalm

[216:]

te werk gegaan en heb geen reden er mij over te beklagen. Dat hadt gij ook moeten doen, Eugenie, Ik vrees, dat het u spijten zal hierheen te zijn gekomen, geloof mij, het kasteel is zoo oud; 't is nu nog voor acht jaar verhuurd aan iemand, die een kamer alleen in gebruik heeft. Herinnert ge u nog dien heer aan den overkant van de sluis? ik heb indertijd uw papa nog voor hem gewaarschuwd. Hij heeft den rechtervleugel voor tien jaar gehuurd.”
“Des te beter, dan kan ik vrij in 't andere gedeelte wonen met de opbrengst der huur.”
“'t Is zooveel niet tweehonderd vijftig gulden in 't jaar.”
“Ik vind dit veel, als u nu bij mij inwoont en we dan samen partij maken.”
“Daar is het groote woord er uit,” dacht mevrouw De Lody en zij antwoordde:
“'t Is een verrassend voorstel dat gij daar doet, Eugenie, ik zal er eens over nadenken. Ziet ge, ik heb een afschuw van dat kasteel en woon hier allerprettigst, zonder vrees voor dieven of inbrekers. 't Is een offer dat ik zou moeten brengen. Neen, ik blijf er bij, gij hadt niet in Holland moeten terug komen: ge zult er niets vinden.”
“Dat merk ik, zelfs geen hartelijk welkom. Een arm meisje als ik, mag op niets aanspraak maken; ik had echter wat meer hartelijkheid verwacht van mijns vaders weduwe.”
“Gij hebt er me nog al naar behandeld om nu nog zoo... zoo openlijk bij mij te komen aankloppen om hulp.”
“Om hulp!” en Eugenie's gelaat kleurde zich met een hoog rood. “Neen mevrouw, die kom ik u niet vragen; ik heb ze nooit iemand verzocht en nu 't allerminst. Ik kom hier niet als een hulpelooze dienstbare aankloppen, maar als de schatrijke erfgename van mijn overleden oom, die nu eindelijk aan de familie haar ouden luister gaat teruggeven.”
Was de Groenendamsche toren vlak voor mevrouws voeten in elkander gevallen, zij had met niet zoo veel verbazing voor zich uitgestaard als bij dit onverwacht bericht.
“Maar Eugenie, dat hadt ge eerder moeten zeggen, maar dat verandert de zaak, maar dan hadt gij groot gelijk naar Europa te komen. Hier kan men veel beter van zijn geld profiteeren dan op Java. Foei, dat ge mij zoo foppen moest.”
“Ik wilde weten of er ook verschil zou zijn in de ontvangst van de arme wees of de rijke freule.”
“Maar dat is natuurlijk. Geld is tegenwoordig hoofdzaak.”
“Ik begin het ook te gelooven,” antwoordde Eugenie. “Als

[217:]

ik u nu vraag op het gerestaureerde kasteel mijn rijkdom te komen deelen, zult gij dan ook nog zwarigheden hebben?”
“Eugenie, Eugenie! Ge zijt rijker geworden en ook mooier, maar veranderd zijt ge niets. Ge zijt nog even scherp, even licht op uw teentjes getrapt als vroeger. Dat moest ge niet zijn, kindlief; ik heb goede bedoelingen, dat weet ge wel. Misschien druk ik het niet goed uit, maar... dat is minder. Sta niet op; 't water zal dadelijk koken. Wil Gravenheerd volstrekt niet bij mij komen? Wat is hij toch haatdragend! Bij den dood zijner vrouw heeft hij mij van niets kennis gegeven; maar ik wil des noods wel de minste zijn; och ja, waarom niet? Vergeven is het christelijkste. Ge komt morgen bij mij dineeren, nietwaar?”
“We zullen zien, ik ga nu naar 't hotel.”
“Dan breng ik u zoover! Misschien ontmoet ik den overste Jan nog. Doe uw doek goed om. Zoo, warm genoeg?”
Die indringende vriendelijkheid na de koele ontvangst, walgde Eugenie; zij bleef zich op een afstand houden en antwoordde weinig of niets. Zij was in hare gedachten verdiept, in den zonderlingen loop der omstandigheden, die haar nu weder zoo plotseling, doch in zoo geheel andere verhouding te Groenendam hadden teruggebracht.
Gelukkig had die rijkdom haar niet gemaakt; welk genot kon zij er van verwachten nu er niemand meer was om dien met haar te deelen? Leefde haar vader nog. wat zou ze dan meer te wenschen hebben? Maar hij kon met dat geld zijn oude droom en niet meer verwezenlijkt zien, zijn kasteel opbouwen, zijn dochter doen schitteren in de oogen zijner vrienden; er was nog een ander, die waarde had kunnen geven aan dien rijkdom. Maar juist de erfenis had haar van hem gescheiden. Zonder een gevoel van vernedering kon Eugenie niet aan Hartwig denken. Wat een vrouw geven kan, had zij hem willen schenken, met alle trouw, alle offervaardigheid aan haar geslacht eigen, en nu verweet haar Oostersche en adellijke fierheid het haar overluid: “Hij wien ge dat alles waardig keurde, heeft die gave versmaad, omdat hij het te veel vond, omdat hij niet zulke groote verplichting wilde hebben aan een vrouw.”
't Was overdreven kieschheid of liever trots van hem geweest, hij was niet genoeg overtuigd van hare liefde; hij wilde meer bewijzen er van hebben wellicht. Maar wat kon hij meer verlangen? Zij had aan alles vaarwel willen zeggen voor hem, en nu had hij geheel met haar gebroken en zelfs

[218:]

haar vriendschap versmaad. Diep gekrenkt besloot Eugenie hem te vergeten, hem niet als beletsel te beschouwen voor haar geluk, dat zij niet meer in 't huwelijk zocht.
Thans had hare onafhankelijkheid recht op dien naam; zij bezat den gouden sleutel, welks kracht zij zoo pas weer op hare stiefmoeder had beproefd. Zij was nu rijk, maar nog altijd weeze en alleen. Had ze op Java willen blijven, zooals hare tante dringend verzocht te doen, zij zou weldra tusschen de schitterendste en rijkste partijen hebben kunnen kiezen; doch hieraan te denken was haar reeds een kwelling. Zij herinnerde zich de belofte eens aan haren vader afgelegd, dat zij Groenerode volgens de eischen der kunst zou doen restaureeren. Dat plan vervolgde haar overal. Zoodra hare zaken geregeld waren en zij overtuigd was rijk, werkelijk schatrijk te zijn, verliet zij haar vaderland, waar zij veel verdriet en eenige korte dagen van vreugde had gekend, zonder tranen en vertrok naar Europa. 't Eerst begaf zij zich naar het eenzame heidedorp, waar haar voogd zijn stilleven voerde tusschen zijn tuin en vischrijke beek, met een knorrige huishoudster tot gezelschap, op wier vingers hij dag aan dag lette, maar die hem langzamerhand de baas werd en gestadig zuchtend, dat het schoolgeld van de jongens en 't toilet der meisjes zoo kostbaar werd. Noch hij, noch Eugenie hadden mevrouw de Lody kennis gegeven van het onverwachte geluk, zoodat de onverwachte verschijning van 't meisje en de heuglijke tijding, die er opvolgde, met recht een verrassing kon genoemd worden.
't Eerste, wat volgens Eugenies wil gedaan moest worden, was de restauratie van 't kasteel: zij wilde zelve het oppertoezicht voeren en daarom zoolang een woning in Groenendam huren. 't Paste haar niet alleen te wonen, en daar zij toch iemand als gezelschapsdame bij zich moest nemen, was niemand hiertoe beter geschikt dan de stiefmoeder, tegenover wie zij nu in een geheel vrije verhouding stond en wier meerdere zij was door alle voordeelen aan rang, stand, beschaving en rijkdom verbonden.










volgende pagina | inhoud | volgende pagina