Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[230:]

NIEUWJAARSDAG.

“Gelukkig nieuwjaar, mijnheer!”
Met deze woorden trad de herbergier van “De man te paard” in zijn gelagkamer, waar de eenige logé op zijn ontbijt zat te wachten.
“De man te paard” lag op een uur afstands van Groenendam, zeer lief aan de rivier; het had een grooten tuin met prieeltjes en koepeltjes, meest aan den rivierkant; zomers kon men er gaan varen, een kop koffie of zelfs een middagmaal gebruiken. Menschen, die 't schoone seizoen buiten wilden doorbrengen, maar voor wie een tocht naar een badplaats of zelfs een door zijn schoonheid beroemd dorp, te ver of te duur was, huurden in “De man te paard” eenige kamers en konden niet genoeg uitweiden over de goede behandeling, welke zij daar ondervonden. 's Winters was echter alles stil en eenzaam: de logeerkamers stonden leeg; in de keuken had de familie slechts voor haar eigen tafel te zorgen en 't was dus met verwondering en blijdschap tevens, dat de stille woning op oudejaarsavond verrast werd door de komst van een reiziger. Men gaf hem het fraaiste vertrek; het maal, waaraan hij echter weinig eer deed, bestond uit het beste, dat men in de haast had kunnen bijeenbrengen, om toch de rep:utatie vooral geen schande aan te doen.
“Dank je vriend, veel geluk insgelijks,” antwoordde de vreemdeling op den wensch des waards. “'t Doet mij genoegen, dat ik er toe gekomen ben, hier buiten te logeeren; 't is een prettig gezicht overal heen.”
“Nietwaar mijnheer? Dat vindt iedereen; nu is 't niet zoo heel mooi door de kale boom en, maar zomers moest u het eens zien. Goddelijk mijnheer, zeggen ze allemaal, en er zijn

[231:]

daaronder, die toch veel gezien hebben, zooveel als Zwitserland bij voorbeeld.”
“Ja, ik kan me dat begrijpen, maar ik zie even graag zoo'n besneeuwd landschap, vooral als de zon zoo helder schijnt als vandaag. Door de bladerlooze boomen kan men ook veel verder dan anders zien.”
“Dat zou ik denken, mijnheer! Komt u, als het u belieft, eens bij dit raam. Ziet u eens hoe duidelijk men daar den Groenendamschen toren ziet.”
De vreemdeling zette zijn lorgnet voor de oogen en volgde de vingerwijzing.
“Hé, maar dat kan toch geen uur van hier zijn; ik zie dien grijzen toren achter dat boschje dennen vlak vóór mij.”
“Och mijnheer, u begrijpt me niet. Langs dien kant moet u niet zien, een weinig meer links, daar... heeft u hem in 't oog? Wat u daar straks zag, zijn de torens van een kasteel.”
“O ja, ik ben er gisteren langs gekomen, een oud, leelijk ding, nietwaar?”
“Maat mijnheer, hoe durft u dat zeggen? Vroeger ja, toen leek 't wel een hoop steenen met wat mos er tusschen, maar nu de freule er in woont is 't heel anders. Ieder die in Groenendam komt en dat niet gezien heeft, kwam voor niemendal. Zomers vooral zijn 't park en de Engelsche tuin allerprachtigst.”
“En 't is groot ook?”
“Of 't groot is? Ja mijnheer, die freule heeft plaats genoeg.”
“En woont ze daar nu geheel alleen?”
“Met hare stiefmoeder en de bedienden. Ze wil nog maar niet trouwen.”
“Daar heeft ze groot gelijk in,” zei de waardin binnentredend, “ze weet haar weg wel met het geld zonder zich in de zorgen te steken.”
“Dat komt er niet op aan, maar het moet toch vervelend zijn zoo alleen van alles te moeten profiteeren.”
“Waarom? Neen, de freule weet wat zij doet; nu kan ze ten minste zooveel goed aan de stad doen als ze wil.”
“En ze doet veel, mijnheer, heel veel. Heeft u de courant al ingezien? Daar staat in van een concert, dat ze zullen geven ten behoeve van een dorp, dat de vorige maand bijna geheel is afgebrand. De freule en de dochters van den burgemeester zullen zich ook laten hooren.”
“Ja, ja, die zijn heel groot met mekaar. Men zegt zelfs

[232:]

dat de zoon van den burgemeester meer kans heeft bij freule De Lody dan menig ander.”
“Och Barend, dat zijn maar praatjes.”
“Ik geloof 't toch wel, ze zijn dikwijls, om niet te zeggen altijd bij elkander.”
“Hoe heet de tegenwoordige burgemeester?”
“Baron Van Holtberg, lid der Tweede kamer.”
“Die vroeger minister is geweest? Maar die kan nog zoo'n ouden zoon niet hebben.”
“'t Is ook maar zijn stiefzoon of liever zijn neef; hij is met de weduwe van zijn oudsten broer getrouwd en heeft nu twee allerliefste dochters.”
“Wanneer zal dat concert plaats hebben?”
“Van avond om zeven uren.”
“Zou ik nu nog een kaartje kunnen bekomen?”
“Welzeker, mijnheer! Bij den boekhandelaar op de markt.”
“Nu, dan ga ik maar dadelijk naar de stad.”
“En behoeven wij niet het middagmaal gereed te maken?”
“Dat is niet noodig. Na afloop van het concert ziet ge mij terug. Morgenochtend vertrek ik met den eersten trein.”
“Van Groenendam of van 't naaste dorpstation?”
“Van 't laatste natuurlijk, dat is dichterbij.”
“Maar, mijnheer,” zei de waardin bezorgd, “gebruikt u nu niets meer?”
“Dank je wel juffrouw! Ik eet nooit zoo heel veel.”
“'t Is zoo goed als niets. Op zoo'n manier is u al een bijzonder goedkoope gast.”
De reiziger nam hoed en stok, groette het echtpaar en sloeg den weg naar de stad in.
“Nu,” die zal daar niet zoo lang meer heen loopen, hoor!” sprak de waard. “Wat ziet hij er bleek en afgemat uit.”
“Ik heb dat gezicht meer gezien,” mijmerde overluid zijn vrouw, “maar ik kan 't mij niet t'huis brengen.”
's Avonds was de ruime zaal der groote sociëteit van Groenendam gevuld met een talrijk publiek, dat echter niet achter elkander zat, maar aan afzonderlijke tafeltjes, waartusschen laurierboomen in tobbetjes, met gekleurde lampions in de takken en bloemen op stellages en pyramides hier en daar geplaatst, 't voorkomen moesten geven van een wintertuin. Achteraan stonden amphitheatersgewijze eenige rijen banken voor den tweeden rang.
De vreemdeling uit “De man te paard” zette zich op een der banken, naast een burger huisgezin, dat uit zes of zeven

[233:]

leden bestond. Langzamerhand werden de tafeltjes gevuld, eerst door den deftigen burgerstand, waartoe ook eenige renteniers en de fabrikanten behoorden. Af en toe verschenen de vertegenwoordigers der ambtenaarswereld, toen kwamen een paar leden der aristocratie, die de voorste tafeltjes, innamen; welke men als opzettelijk onbezet had gelaten, eindelijk, toen er bijna geen plaats meer over was, hielden twee rijtuigen voor de poort stil. De familie van den burgemeester deed hare intrede.
Baron van Holtberg was een klein, gezet persoon, met iets joviaals in de levendige, zwarte oogen; zijn hoofd, dat bij den schedel reeds een groote, kale plek vertoonde, was door dun grijs krulhaar omgeven, waaruit duidelijk bleek, dat de gitzwarte knevel nog wel een jaar of twintig jonger was. Hij had de douairière van Groenerode aan den arm.
Hem volgde zijn schoonzoon, Mr. Ansma de kantonrechter, met de barones; toen kwam Alphonse Holtberg met freule De Lody; mevrouw Ansma en hare jongere zusjes liepen met een paar andere heeren achter hen.
Spoedig was alle overige ruimte in de zaal door de jeunesse dorée gevuld; op het theater werden de stoelen achter de muzieklessenaars door de leden van het orkest ingenomen en weldra klonken de tonen der Egmonds-ouverturé door de zaal.
De vreemdeling was van zijn hooge plaats rustig blijven toezien: niemand bemerkte, dat hij, toen 't schitterende gezelschap van den burgemeester binnentrad, nog wat bleeker werd dan hij reeds was en met zijn hand op het hart drukte als wilde hij het geweldige kloppen daarvan onderdrukken; weinigen letten op hem.
In zijn buurt was men druk aan 't critiseeren en bewonderen der toiletten.
“Ik vind die douairière toch leelijk in al hare pracht,” zeide een magere juffrouw.
“Natuurlijk,” grinnikte hare gezette buurvrouw; “ik herinner me den tijd nog heel goed toen Trui Dertange haar straat stond te schrobben als menig ander.”
“Men moet het maar treffen! Wat of ze goed uit haar oogen heeft gezien, toen ze in der tijd met dien ouden jonker trouwde.”
“Laat haar maar loopen! “Truitje,” zei mijn vader altijd, “is een slim ding: ze wordt nog eens wat groots, dat zult ge zien.”
“Maar wat een geluk, dat die freule zoo goed voor haar is.”

[234:]

“'t Mocht ook wat! Zij is de gezelschapsdame van hare stiefdochter, meer niet.”
“Wat ziet die er nu toch weer lief uit.”
“Welke is zij toch eigenlijk? Die in de bruine zij?”
“Neen, neen, dat is de rechtersvrouw, daar naast: ziet ge de jonge baron spreekt juist met haar. Pas op als dat nu niet eindelijk op Groenerode een bruiloft geeft.”
“Nu zie ik haar: zij is in gris-perle gekleed; juffrouw Jansen heeft er toch wel slag van een costuumpje op te maken.”
“Zou ze het niet uit Parijs krijgen?”
“Wel neen, de freule krijgt niet zóó'n stukje van buiten.”
“Ze koopt alles in Groenendam.”
“Sst, sst!” klonk het van voren en de twee babbelaarsters hielden zich voor een poosje stil. Nauwelijks was de ouverture geëindigd of de tongen raakten weer los:
“Vindt ge dat stuk zoo mooi?”
“Wel neen, ik vind er niets aan.”
“Ze noemen dat classiek,” zei een jongen die zeker meer wist.
“Wie gaat er nu zingen?”
“De freule?”
“Neen 't is een ander.”
Er werd een chanson comique voorgedragen, dat in 't amphitheater meer bijval verwekte.
“Gunst, dat was aardig,” riep de dikke vrouw, terwijl zij tranen lachte. “Daar gaat de burgemeester de trappen op.”
“De freule begint te spelen.”
Eugenie had zich inderdaad voor de piano gezet; zij sloeg eenige accoorden aan en begon toen uit het hoofd een concert-stuk te spelen, waardoor zij echter meer de vlugheid harer vingers dan de diepte van haar gevoel deed bewonderen.
De twee burgervrouwen luisterden toe, totdat het haar begon te vervelen.
“'t Is mooi,” zei de eene met een diepen zucht, “ik zeg maar, hoe die vingers toch zoo vlug door elkaar kunnen krielen. Mijn man speelde vroeger ook, maar och jé, dat duurde wel een minuut voor hij weer een andere noot aansloeg.”
“Zij kan ‘t hoor, maar ik moet je zeggen, dat ik niet begrijp, hoe zij er zich aan wil blootstellen, dat deze dit, en die weer dat over haar spel zegt.”
“Ze doet het voor de armen,” zei de jongen van daareven.
“Hoor eens Piet, dit kan nu heel mooi klinken iets doen

[235:]

voor de armen, maar als ik zoo rijk, was als de freule, gaf ik liever juist datgene, wat anders een concert opbrengt aan het dorp, en ik liet me niet blameeren door iedereen.”
“Maar nu heeft ieder er zijn pleizier van.”
“Ja, daar hoeft de freule nu juist niet voor te zorgen, of wij pleizier hebben, of niet.”
Eugenie sloeg haar laatste akkoord aan en stond toen onder daverende toejuiching op. Zij keerde weer naar het tafeltje terug, waar Alphonse plaats voor haar maakte.
“Eugenie,” zeide hij zacht, zoodat niemand dan zij 't hooren kon “wanneer kan ik u eindelijk eens alleen spreken; wanneer zult ge mij iets laten hopen?”
Zij glimlachte en antwoordde:
“Morgen.”
“Het glanspunt van den avond,” zei aan een der tafeltjes een heer, die veel van muziek wist. “Wat dunkt u er van, mijnheer?”
“Zal ik u de waarheid zeggen, vriend? Men moet beleefd zijn jegens de dames en vooral jegens zulk een dame als de jonkvrouw, maar in uw for intérieur moet gij toch bekennen dat zij meer c o n b r i o dan c o n e s p r e s s i o n e speelt.”
“Daar is iets van aan! Maar jongens, ik ben wel eens op een avond langs haar kasteel geweest terwijl zij alleen fantaseerde: ik verzeker je, dat ging door lijf en ziel.”
“Kan zijn, kan zijn, dat ze ons hier alleen wat van de oppervlakte doet zien, en als ze eens alleen is of met den jongen baron enfin, men verraadt zijn intieme gevoelens met graag aan Jan en alleman.”
“Ik vind het meisje duizendmaal mooier dan haar spel,” zei een jonge kwast, die alles door zijn monocle met een geblaseerde uitdrukking bekeek.
Een obligaat op de saxophone en een koor van mannenstemmen maakte een einde aan het eerste gedeelte. Reeds onder het voorlaatste stuk was de jonkvrouw van Groenerode met zekere juffrouw De Vogel, de dochter van een schatrijk rentenier en volgens sommigen nog grooter beauté dan de eerste, opgestaan: zij namen elk een zilveren blad in de hand en begonnen de collecte.
“Dat is mooi,” zeiden de dames van het amphitheater: “de twee rijkste meisjes van de stad gaan rond om te bedelen. Wat zeg je er van, juffrouw Kurver, was 't niet beter, dat ze in eens zooveel op 't bord legden en zeiden: ik geef van dat bedelen den brui?”

[236:]

“Dat zullen ze toch wel doen,” sprak de jongen weer, “dat ze nu rondgaan is om aan den wensch van zoovele weldadige menschen te beantwoorden, die ook graag iets willen bijdragen voor de ongelukkige slachtoffers!”
“Kom, verdedig ze maar niet, Piet! Zal ik je zeggen, waartoe al die geur dient? Om hun mooie kleertjes eens goed te laten bekijken en dan in de courant te lezen, hoe weldadig ze zijn. Daar zit de knoop, Leen, geloof me!”
“Zouden ze ook hier komen?” vroeg de vreemdeling zacht.
“Natuurlijk, ze zullen niemand overslaan, wees daar verzekerd van. U mag uw dubbeltje wel klaar leggen, mijnheer,” en zij rommelde in hare portemonnaie tusschen de groote hoeveelheid klein geld.
“'t Zal hier anders smal genoeg zijn,” lachte de magere juffrouw. "Wie zou hier komen juffrouw De Vogel?”
“Ik denk het wel.”
“Ze mag goed op haar evenwicht passeen. O neen, ze gaat maar tot de helft; we krijgen de freule. Hé Piet, dan kun je haar goed opnemen.”
De vreemdeling maakte aanstalten, of hij op wilde staan.
“Kijk die eens,” fluisterde de juffrouw, “als ze met het bakje komen, gaat hij weg.”
“Misschien heeft hij geen klein geld.”
“Dan kan hij bij mij wisselen.”
De freule had bij de eerste rijen gecollecteerd en nu zette zij den voet op de estrade der anderen. 't Was moeilijk om hier altijd even gracieus zich een weg te banen langs rokken en schoenen; maar dank hare vlugheid ging alles goed, tot zij bij de magere en de dikke juffrouw kwam, die juist voor den vreemdeling zaten. Hij had zijn hoofd ter zijde gekeerd, toen zij hun penningske ontving met de hartelijke woorden:
“Och freule, 't is met alle pleizier.”
Was 't door den omvang der rokken, die zij nu moest voorbijgaan, of door een plotselinge gedachte, die haar oplettendheid afwendde? De freule begon te wankelen en haar hand greep den schouder van Piet, die doodsbleek over de onverwachte eer, niet wist wat hem overkwam.
Met een glimlach richtte zij zich op.
“'t Is hier zoo nauw,” zeide zij, “en 't bord wordt mij te zwaar. Wees zoo goed en reik het aan degenen, die achter u zitten.”
Er werden eenige giften hand aan hand verder geschoven en op 't bord gelegd. De vreemdeling zag nog altijd een

[237:]

anderen kant uit. De freule bood nu hem het bordje en hij zag haar aan; ook haar oogen ontmoetten de zijne, maar hunne vriendelijke, melancholieke uitdrukking had plaats gemaakt voor iets fiers en minachtends. Daar hij de laatste zijner rij was, kon zij haar rondgang voor geëindigd beschouwen.
Zij keerde met de goed gevulde schaal naar haar tafeltje terug, stelde 't bord ter hand aan den penningmeester der commissie en ging zitten.
“De corvée naar wensch afgeloopen?” vroeg mevrouw Ansma.
“Dat gaat nogal! 't Ging alles goed tot aan dat ongelukkige amphitheater: daar was 't halsbrekend werk.”
“Gij hadt dat aan de heeren moeten overlaten,” zei de barones.
“Ze ziet er bleek van,” sprak de douairière.
“Ik ben haast gevallen, op de tweede rij. Mina heeft het er beter afgebracht: zij is ook kleiner.”
Ondertusschen wierp Eugenie tusschen de laurierboomen een blik op de banken, totdat zij de bijna geheel verborgene figuur zag met het bleeke gelaat, half bedekt door de dikke bouffante.
Anderhalf uur later was het concert geëindigd; behalve de fraaie quatre-mains, door de dochtertjes van den burgemeester gespeeld, had het programma niets belangrijks meer gegeven.
“Gaan we nu dansen?”' vroeg Holtberg Jr. aan zijn zuster en Eugenie.
“Doe zooals ge wilt,” antwoordde de eerste, “maar ik ga naar huis.”
“Ik ook,” zeide Eugenie, “ik ben moe.”
“Van zullen we het sein van 't naar huis gaan maar geven. Misschien willen de anderen wel dansen, dan geneeren we hun niet.”
“Maar blijft gij dan niet, Alphonse!”
“Och neen, 't pleizier is er af.”
“Eugenie,” vroeg de douairière, “mevrouw de barones vraagt of wij lust hebben na 't concert den verderen avond bij haar te passeeren?”
“Dank u! Ik verlang naar huis.”
Bij 't instappen van het rijtuig zeide Van Holtberg tot haar:
“Morgen dus!”
“Neen Holtberg, wacht liever nog een week.”
Hij wilde meer zeggen, maar zij was reeds in de koets naast hare stiefmoeder gezeten en leunde diep in de kussens.

[238:]

Op den eenzamen weg buiten de stad, ging de vreemdeling, in diepe gedachten verzonken, voorwaarts. Reeds lang voor het einde van 't concert had hij de zaal verlaten; de wandeling scheen hem te vermoeien, want nu en dan stond hij stil om adem te scheppen.
“En ook dat is voorbij, zij heeft mij niet herkend, of al heeft ze het ook, 't is 't zelfde; zij wil mij niet meer kennen en ze heeft gelijk. Holtberg is gelukkig geweest. Wat zijn onze wegen uit elk,ander geloopen en toch, als ik gewild had, als ik niet te edelmoedig geweest ware...”
Luid gelach onderbrak zijn mij meringen; 't waren twee aankomende jongens, die lachend en stoeiend den weg afliepen en zich beurtelings in de sneeuw wierpen. Door de duisternis en de dikke laag, die den grond bedekte, zagen noch hoorden zij, dat een rijtuig hen achterop kwam. De een ging fluks op zij, de ander struikelde en de paarden waren op nog geen el afstands van hem. Snel als de gedachte schoot de wandelaar toe; hij greep den jongen bij den kraag en 't gelukte hem juist bijtijds den wildzang te redden, maar ten koste van zich zeIven. Een der paarden had hem met zijn hoeven tegen het hoofd geschopt.
De koetsier stond stil.
“Iemand gekwetst?” vroeg hij.
“Neen, niemand,” antwoordde de andere knaap. Zijn makker met diens redder stonden achterwaarts, zoodat het licht der lantaarn niet op hen viel. Onmiddellijk reed de koets verder door.
“Maar is mijnheer onze logé niet?” vroeg de jongen, terwijl hij de twee anderen naderde.
“Wel mogelijk, vriend,” antwoordde hij met den zakdoek het bloed stelpende, dat uit de wond aan zijn hoofd gudste.
“Ach, mijnheer, wat zullen vader en moeder dankbaar zijn, dat u onzen Klaas gered heeft. U moet immers in “Stille man te paard” zijn?”
“Ja, laat ons aanstappen.”
“O, mijnheer,” sprak de geredde, “wat spijt het mij toch, dat u nu voor mij zoo gewond is.”
“'t Beteekent niets, beste jongen! Als ik dat onbeduidende wondje niet bekomen had, zou je er het leven of de gezondheid bij hebben ingeschoten.”
Het rijtuig was ondertusschen 't hek van 't kasteel Groenerode ingereden; de dames stapten er uit en Eugenie ging naar haar vertrek. Nauwelijks was ze binnengekomen of zij zond hare kamenier weg en liet zich op de sofa vallen.

[239:]

“Was hij het dan waarlijk of heb ik gedroomd?” vroeg zij zich zelve. “Neen, hij kan 't niet zijn, hij is niet zoo bleek en in die vier jaren kan hij niet zoo grijs geworden zijn. En toch, als hij zooveel geleden heeft! Wat deert hij mij dan nog? Ik heb hem immers vergeten: hij heeft mij versmaad. Wat moet het beteekenen, dat ik hem altijd terugzie, wanneer mijn lot een wending gaat nemen? Te Soerabaya zag ik hem ook tusschen muziek en menschen terug, terwijl een man om mijn liefde vroeg, en nu alweer... Maar welk verschil tusschen ons, toen en thans! Hij is een schaduw van wat hij vroeger was. En toch, die oogen zijn 't zelfde gebleven; ik voel, dat hij nog dezelfde macht heeft over mij. In elk geval, mijn weg staat aangewezen; ik doe geen stap vooruit en de volgende week zal ik verloofd zijn met Alphonse. Ik zal hem alles zeggen, en wat de andere ook doet, mijn besluit is genomen. De tijd is voorbij, waarop ik mijn leven wilde en kon hechten aan dat van een veroordeelde.... O, Hartwig, gij hebt mij vrij gelaten, te schitteren in weelde en rijkdom, doch ook alle hoop ontnomen om mijn leven te versieren met stil, huiselijk geluk. Naast Alphonse zal ik het niet vinden, dit vrees ik reeds.”











volgende pagina | inhoud | volgende pagina