Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[72:]

VAARWEL.

Vier weken later was er bruiloft op 't kasteel. Geen schitterende huwelijksstoet, geen bruidegom vol kracht en leven, geen bruid onder een gazen sluier, myrten en oranjebloesem, geen vroolijke strooisters met blonde krullehoofdjes, geen diep bewogen ouders of vrienden, niets was er, dat poëzie te binnen riep, niets dat sprak van blijde hoop en droomen, niets van een lang leven, begonnen onder liefde en hoop; niets dan een door ouderdom en ziekte gebogen man en een reeds bejaarde vrouw. Een verflenste roos naast een geknakten eik; een leven, dat slechts korte dagen zonder zonneschijn kon beloven en dat alleen geleid door koele berekening; niets dan een koud, een
En toch was 't door allen besproken, door velen gegispt, door weinigen geprezien, en toch door enkelen benijd. Mevrouw de Lody van Groenerode te worden was wel 't verdriet waard een ziekelijk man te verkrijgen en een stiefdochter, die zeker met geen lam kon vergeleken worden. Juffrouw Trappel vond dat het comité kans had al te aristocratisch te worden, met een douairière tot presidente en een jonkvrouw tot thesaurierster. Emilie Carons stond met haar man op den weg van 't rijtuig. Dertange keek uit het portierraampje en toen zij den trouwelooze zag, werd ze nog eens zoo statig, eens zoo majestueus. Eugenie was bleek en ernstig; onophoudelijk dacht ze er aan, hoe die bruiloftstoet spoedig veranderen kon in een lijk statie.
En zoo geschiedde 't ook, want nog geen anderhalve maand later opende zich de groote poort weder; en de laatste der

[73:]

Lody's verliet zijn kasteel, niet als bruidegom, maar op de baar, die ook eens zijn vaderen had gedragen naar hunne laatste rustplaats, naar de plek, waar niet vermeld stond of de Lody, die er kwam rusten van 's levens strijd, had gebaad in rijkdom of geworsteld met de armoede om zijn plaats ten minste niet zonder eer aan zijn nakomelingen achter te laten.
Na zijn huwelijk had de majoor geen gezond uur meer gehad; hij viel meer en meer af en eindelijk legde hij zich neer om niet op te staan. Een troost was hem overgebleven: hij had zijn dochter een thuis gegeven; 't jonge meisje kon op het kasteel blijven zonder het minste gevaar voor haar naam of haar veiligheid. Eugenie had hem in dien waan gelaten; doch zij wist het beter. Juffrouw Dertange was haar nog even weinig een vriendin of zelfs een gezellin geworden als te voren! zij kon in niets met haar sympathiseeren: zij was vinnig, achterdochtig, kwaadsprekend, babbelziek en daarbij soms in een hooge mate onzindelijk. Reeds in de eerste week na de bruiloft had zij met mevrouw Gravenheerd een geschil over huishoudelijke onderwerpen, dat echter zoo hoog liep, dat mevrouw Gravenheerd verslagen over de welsprekendheid der nieuwbakken jonkvrouw schreiend het terrein verliet en haar echtgenoot verzocht om ’t huis toch te verlaten. De overste wilde hiervan niets weten; 't was geen kleinigheid, kosteloos te wonen, en wat die juffrouw Tang (men noemde onder elkaar haar nooit anders) betrof, hij zou haar wel eens de waarheid zeggen.
Hierin werd hij door Eugenie verhinderd, die hem smeekte den vrede niet te verbreken en te doen zooals zij: alles te verdragen om haar vaders wille. Zoo liep de zaak dan vrij kalm af.
Voor den majoor bleef Eugenie de beste vriendin harer stiefmoeder; zij trachtte het overigens ook zoo goed mogelijk te zijn, maar dit viel vreeselijk zwaar met het oog op alle beminnelijke eigenschappen van mevrouw de Lody; de familie Gravenheerd hield zich op een afstand en zoo was ’t dus volle vrede, toen de majoor zachtkens in Eugenies armen ontsliep, vast overtuigd goed te hebben gehandeld. Doch nauwelijks had hij voor altijd zijn oogen gesloten. of die van Eugenie openden zich voor haar treurigen toestand. Zij was alleen op de wereld; alleen, alleen en luid snikkend herhaalde zij dat verschrikkelijk woord.
Juffrouw Dertange bleef een kalme, waardige houding bewaren. Zij troostte Eugenie; doch daar zij zelve geen ver

[74:]

driet voelde, was het haar onmogelijk deel te nemen in de vurige smart van 't meisje. Alleen mevrouw Gravenheerd gelukte het, haar eenige kalmte in te spreken; bij de begrafenis was het voornamelijk de weduwe, die alle condoleanties aannam, die altijd geposeerd en zeer comme-il-faut iedereen te woord stond; ze kon zich uitmuntend in hare positie van douairière schikken. Eugenie wilde niemand zien, van niets hooren; zij was geheel overgegeven aan hare droefheid, soms half krankzinnig. soms geheel verstompt.
Toen alles voorbij en de laatste eer aan den geliefden overledene bewezen was, besloot de overste Gravenheerd (haar voogd) met de dames te spreken over hare toekomst.
“Maar,” zei mevrouw de Lody, “dat is duidelijk, mijnheer Van Gravenheerd: Eugenie blijft met mij op 't kasteel.”
“Dank u wel,” antwoorde 't meisje, “dat is onmogelijk.”
“Waarom onmogelijk?”
“Ten eerste omdat ik van mijn klein inkomen niet alle schulden van papa betalen kan en op 't kasteel voortleven zooals nu ten tweede omdat ik dit op den duur niet wil volhouden.”
“Maar Eugenie, ge spreekt van een klein inkomen. Hebt ge dan niets anders?”
“Niets.”
“Dat wist ik niet. De jonker heeft me hiervan nooit iets verhaald. Niets! Dat is toch wat al te erg.”
“U had hiernaar moeten informeeren, mevrouw,” zei de overste koel, “doch me dunkt dat u beiden hier op ’t kasteel heel goed leven kan van uw weduwe-pensioen.”
“Nimmer,” zei Eugenie kortaf.
“Mijn pensioen? Maar mijnheer Van Gravenheerd, wat denkt u dan? Ik ben niet getrouwd om mijn pensioen met iemand te deelen.”
“Ook niet om 't vruchtgebruik van 't kasteel te genieten?”
“'t Is me ook wat zoo’n ruïne! Neen, mijnheer Van Gravenheerd, als Eugenie niets anders heeft dan dit kasteel, kunnen we niet samenblijven. U weet dat ik mijn rente heb opgeofferd om te trouwen.”
“Ik heb hier nooit aan gedacht,” sprak Eugenie; “reeds lang te voren heb ik deze omstandigheden voorzien en daarvoor deed ik mijn examen.”
“Ga naar de Oost, Eugenie,” zei mevrouw Gravenheerd, “daar heb je gelegenheid een goede partij te doen.”
“Daarop reken ik niet,” antwoordde Eugenie, “ik wil niet

[75:]

trouwen; ik zou nieuwe banden aanknoopen, die alleen met zware smarten kunnen verbroken worden.”
“Is dat een vast besluit ?” vroeg de overste. “Wilt gij gouvernante worden of secondante, hier of in de Oost? Zeg ronduit wat ge wilt.”
“Ik ga liever met een goede gelegenheid naar de Oost.”
“De gelegenheid is daar; mijn vriend Pelling vertrekt in Mei. Wilt ge met hem gaan?”
“Laten we daarover nadenken. Vertrek ik, dan kan de douairière op 't kasteel blijven wonen en van haar pensioen ruim leven.”
“Doch dan is alle nadeel op uw zijde.”
“Ik geef hier niets om; ik ben jong en kan werken.” En zij verliet het vertrek.
Van Hartwig hoorde of zag Eugenie niets meer; toch dacht zij veel aan hem. In deze dagen van onstuimige smart en ter neder geslagen droefheid gaf 't haar een soort van kalmte aan hem te denken. Zij had zoo gaarne met hem gesproken; maar bij de minste toespeling die zij in tegenwoordigheid van haar voogd op hem maakte, fronste deze de wenkbrauwen en zag haar ernstig aan.
Toch zou zij een onderhoud niet hem gezocht hebben, indien hij slechts te zien ware geweest; maar sedert eenige weken was het huisje gesloten en hij scheen op reis. Hij was de eenige persoon op aarde voor wien zij gehechtheid voelde; zij zou hem zoo gaarne om raad gevraagd, om troost verzocht hebben, en nu was hij ook heen en zij voelde zich diep eenzaam en verlaten, en alleen de moederlijke zorg van mevrouw Gravenheerd deed haar dien treurigen toestand minder bitter voelen. Doch haar besluit was genomen: zij wilde en zou naar Java. Niemand was hiermede meer ingenomen dan mevrouw de Lody, die nu door haar kort huwelijksgeluk een adellijken titel en een kasteel, hoe vervallen dan ook, had gekocht, en nu den laatsten lastpost daaraan verbonden, door Eugenies vertrek ontkwam.
Alles komt op zijn tijd en zoo brak ook de dag aan voor haar vertrek bepaald. Eugenie ging haar voorvaderlijk kasteel verlaten, de vervallen woning, die zij zoo vaak uitgelachen en bespot had en die haar nu in deze laatste oogenblikken onuitsprekelijk lief en dierbaar werd.
't Was een heerlijke lentemiddag. Het slot en ’t park waren op hun schoonst getooid; de lindekrans prijkte met zijn zacht groen; de bloementuin onder de muren aangelegd,

[76:]

scheen frisch en geurig onder de stralen der lentezon, de machtige toovenares, die haar stralen over de vervallen muren laat gaan en ze in louter goud verandert of spiegelen in de druppels, welke aan de kelken der bloemen hangen en ze tot veelkleurige diamanten maakt, die 't loof der boomen in duizend schakeeringen verft, tot wanhoop van den schilder, tot genot van den dichter, die vroolijk speelt met de kabbelende golfjes der beek en de vogeltjes tot den hoogsten graad van vreugde doet stijgen, totdat zij het in tallooze tonen uitgalmen, hoe schoon de natuur, hoe groot de Schepper is en hoe verkeerd zij handelen, die hun hart niet doen medeklinken in hun blij concert.
Ach! zij juichen, zij jubelen, zij springen en dartelen tusschen 't frissche loof, zij laten de zon vrij spelen met hunne vederen, die schitteren en glansen als een veelbewogen kleurenspel, en genieten het tegenwoordige in al zijn volheid; doch de mensch, die hen aanschouwt en behagen neemt in 't algemeen ontwaken der natuur, kan hij het helpen dat zijn oogen zich vullen met tranen en hij treurig al het schoone ziet, dat zich langzaam uit den doodsslaap verheft, zelf treurende, dat hij zoo weinig deel neemt aan de vreugde der stomme natuur, dat de ijskorst van zijn hart niet smelten kan door de verkwikkende stralen der lentezon, alles hem een woestijn toeschijnt, een schoone, een heerlijke woestijn misschien maar toch een woestijn: want degene, die hij beminde, is daar niet meer; de hand, die eens de zijne drukte, is verdord; de oogen, wier blik hem liever was dan de stralen der vriendelijke dagkoningin, zij zijn uitgedoofd: hij gevoelt zich alleen, alleen op die schoone aarde, welke 't liefste wat hij bezat, in haar schoot verbergt. Dan, ja dan doet het goed te denken, dat er een lente is, schooner nog dan deze; een dag, nog verrukkelijker dan het heden, omdat zijn naam is Eeuwigheid, omdat nooit daar dat woord wordt uitgesproken 't bitterste hier beneden dat altijd een akeligen nagalm in 't hart laat voor ieder, die het uitsprak of hooren moest: “Vaarwel... ”
Zoo dacht ook Eugenie, toen zij in een hoek van ’t park staande, haar oog wierp op den kleinen heuvel, waarop Groenerode stond, en zich tevergeefs afvroeg, waarom het vervallen kasteel haar nu zoo frisch zoo schilderachtig voorkwam; waarom het haar zoo pijn deed te denken, dat zij morgen ver van hier zou zijn, dat zij het misschien nimmer mocht terugzien? En zij gevoelde zich op eens zoo onge

[77:]

lukkig, zoo diep ongelukkig, dat zij hare handen vouwde en God bad haar spoedig van hier te roepen, naar boven bij hare ouders.
Daar hoorde zij in de nabijheid een gerucht van stappen; zij keerde zich om en ontdekte Hartwig.
“Ach, mijnheer Hartwig,” snikte zij, “ik ben zoo ongelukkig, ik ga heen. Weet ge het reeds?”
“Arme Eugenie!” en hij nam hare hand in de zijne en zag haar met zijn groote, schoone oogen deelnemend aan.
“Waar zijt gij geweest?” ging zij voort, “Ik had u zoo noodig, ik had zulk een behoefte aan uw woorden. Nu zie ik u voor 't laatst, nu ik op 't punt ben, voor altijd van hier te gaan en we elkaar misschien nimmer terugzien.”
Hij zweeg en bleef haar aanstaren; geen kleur was meer op zijn gelaat en scherp teekende zich de groeve op zijn voorhoofd.
“Nimmer zie ik Groenerode terug, mijn kasteel, 't graf van papa; nimmermeer! Ach, ik wist niet, dat ik zooveel hield van die oude ruïne en van u,” 't woord ontglipte hare lippen en zij bloosde.
“'t Was toch uw eigen wil, Eugenie,” sprak hij.
“Mijn wil, dat is te zeggen, mijn gedwongen wil. Ik kan niet leven met de vrouw, die mijn vader alleen heeft gehuwd om zijn naam en nu weigert zijn laatsten wensch te vervullen; die mij ronduit zegt, dat ze voor 't gebruik van een bouwval niet de zorg wil hebben van mijn onderhoud. En toch, zonder die schulden zou ik haar niet noodig hebben: ik kan in mijn onderhoud voorzien, dank aan u! Ik heb uw raad gevolgd; voor papa ben ik haar onderworpen geweest, maar nu kan ik 't niet meer en ik wil 't ook niet. In mijn vaderland zal ik mijn brood verdienen. Werken is nimmer schande.”
“Wees gelukkig, Eugenie; moogt gij daar vinden, wat ge hier niet vondt: 't geluk, dat gij verdient; en denk soms aan mij.”
“Gij behoeft mij niet daaraan te herinneren. Ik weet genoeg, wat ik u verschuldigd ben,”
“Doch weet gij ook wat de wereld in mij ziet?”
“Neen, dat weet ik niet; niemand zegt het ware en ik vraag 't ook niemand, niemand dan u.”
“Zeg dan wat gij denkt, Eugenie! Ik ben zonderling in mijn leven en mijn daden; de wereld raadt en zegt veel. En ook gij moet dat gedaan hebben. Zeg me ronduit: voor wien ziet ge mij aan?”

[78:]

“Ik weet het niet; tegen iedereen heb ik uw eer verdedigd, omdat ik geloofde, dat gij ongelukkig waart, maar niet misdadig.”
“O, Eugenie, ik dank u voor dat woord! Ach kind, 't is 't eerste, dat ik sedert den dood dier andere Eugenie troostends mocht hooren. Uw vader keerde zich vol afschuw van mij af, en hij deed zooals mijn vader en mijn geheele familie. Ik ben zulk gedrag gewoon, Eugenie; sedert veertien jaar ben ik in ieders oog een laffe moordenaar en dief.”
“Dat is niet waar!” riep Eugenie heftig. “Ik ken u slechts weinig en toch ben ik overtuigd, dat gij daartoe niet in staat zijt. Neen, mijnheer Hartwig, nu ik weet welke die beschuldiging is, ben ik er fier op u te hebben vertrouwd. Maar waarom niet alles aan mijn vader gezegd, waarom niet voorkomen, dat hij door derden moest hooren, wat men van u zei? Doet het u geen leed, dat hij in 't graf gedaald is overtuigd van uw schuld?”
Hij dacht even na en antwoordde:
“Ja, Eugenie, 't spijt mij, maar gij kunt niet. begrijpen, welken afkeer ik gevoel van uitleggingen. 't Gerecht heeft mijn eerste verontschuldiging niets kunnen antwoorden, dan dat het geen voldoende bewijzen had om de beschuldiging staande te houden en mijn vader vond reden genoeg mij te vervloeken. Dat is de oorzaak, Eugenie, van mijn kluizenaarsleven; in de eenzaamheid verwijt niemand mij iets. Dan ben ik alleen met God, die mijn onschuld kent, met mijn geweten, dat mij vrijspreekt, mijn boeken, die mij troosten, oppeuren, den geest leeren verheffen boven de meening der menschen. Zij willen de diensten niet, die ik hen anders zou bewijzen; onbekend, ongezocht wil ik hen nuttig zijn en zoo tracht ik wel niet gelukkig maar toch kalm en tevreden mijn lot te dragen. Ik ontvang in de wereld niets dan bewijzen van minachting en afkeer, die mij, daar zij onverdiend zijn, diep grieven. Om u en den majoor genoegen te doen, heb ik mijn eenzaamheid voor een oogenblik verlaten en gij ziet wat er 't gevolg van werd: een nieuwe beleediging.”
“Ach, vergeef 't papa; hij meende 't goed.”
“Ongetwijfeld; hij had gelijk. In zijn plaats zou ik ’t zelfde doen misschien. Hij had geen reden aan mijn onschuld te gelooven en daarom ben ik u dankbaar, Eugenie, onuitsprekelijk dankbaar. God zal u loonen voor dit bewijs van medelijden jegens een ongelukkige.”

[79:]

Zijn stem klonk droevig, bijna troosteloos. Geen van beiden gevoelde behoefte in te stemmen met de blijde lente; maar wie was het ongelukkigste? 't Arme meisje, dat de groote wereld binnentrad zonder steun en liefde, of de krachtvolle man, die, gebukt onder den zwaren last van een onbewezen misdaad, geen geluk meer te hopen had?
“Sta me toe,” verzocht Eugenie, “U te schrijven; ik kan 't niemand anders doen, want weinigen kennen mij zooals gij mij kent. 't Zou zulk een uitkomst zijn.”
“Welnu, als 't u goed mocht doen, schrijf mij dan uw indrukken, uw lotgevallen, uw vreugde en uw leed, en als ik u eens mocht terugzien, laat het dan zijn als een gelukkige echtgenoote en moeder, en niet als een hulpeloos meisje!”
“O neen, neen,” snikte zij, “ik wil niet meer beminnen: beminnen is lijden en lijden doet zeer.”
“Eugenie,” riep een kinderstem door het geboomte heen en snel kwam een der kleine Gravenheerds aangesneld:
“Papa zegt, dat hij reeds een half uur op u wacht.”
“Vaarwel dan,” zeide 't meisje en reikte Hartwig de hand:
“Vaarwel, tot wederziens!”
“God zegene u, Eugenie! Als 't geluk tot u komt, o, verstoot het dan niet, maar neem 't dankbaar aan, zelfs al ziet gij in 't verschiet de smart.”
“Ik mag u schrijven, nietwaar? Antwoord mij dan ook; ik ben zoo weinig gewoon aan 't alleen zijn. Vaarwel!”
Nog een handdruk, een hoofdknik en zij was weg en Hartwig stond alleen. Bleek, met over elkander geslagen armen zag hij haar den heuvel opgaan en toen ze bovengekomen was, groette zij met den zakdoek, droogde haar oogen, nogmaals af en toen was ze heen en hij ging naar zijn vriendelijk huisje, dat er uit zag opgesmukt als voor een feest door de jonge bruid, die er langs was gegaan, de lente. Maar in zijn hart was 't winter: zijn lentezon was heen. 't Meisje, dat hij eerst als een kind had liefgehad en dat toen langzamerhand de beste plaats in zijn ziel innam, ging alléén een onbekende toekomst te gemoet, en hij, die elken stap van haar leven met rozen had willen bestrooien, eIken doorn daarvan verwijderen, hij moest het aanzien en mocht haar niet terughouden; hij kon haar niets geven dan een geschandvlekten naam, een treurige, eenzame toekomst. En toen scheen 't leven hem dor en zonder waarde, zoo als ‘t jaren geleden hem voorkwam, een verhaal dat zijn belangrijkheid heeft ver

[80:]

loren, een roos zonder geur, een landschap zonder zon. Wat betreurde hij toen bitter zijn jongelingsdroomen, de schoone dagen van jeugd, voorspoed en geluk, toen hij meende dat de wereld hem toebehoorde, toen hij fier het hoofd kon opheffen en ieders achting of liefde mocht afdwingen.
Hij ging naar 't raam en wierp zijn blik naar 't kasteel, waarvan hij juist den ingang kon zien. De toebereidselen tot het vertrek waren gereed. Mevrouw de Lody in haar statig rouwgewaad, stond aan het hek, de overste ging naast haar; twee zijner jongens, beladen met kleinere of grootere pakjes, oefenden zich er in den berg op en af te loopen; mevrouw Gravenheerd trad naar buiten, Eugenie hing aan haar arm. Zij wierp zich om haar hals en hield haar lang omklemd; toen rukte ze zich los en keerde weer terug om haar iets te zeggen, nog eens te kussen; daarna ging zij vastbesloten voorwaarts en zich omkeerende, wierp ze nog een groet in de verte toe. Was die tot het park of tot Hartwig gericht? Hij wist het niet, hij zag haar na en toen de groep reizigers voorgoed verdwenen was, liet hij de stores van 't raam zakken en met een diepen zucht zonk hij op zijn stoel terug. Hij zeide niets; hij veranderde zelfs niet de uitdrukking van zijn gelaat, dat ernstig bleef als altijd. Maar die zucht zei genoeg. Het was weer een bladzijde van zijn levens boek, dat omgeslagen werd en waarop evenals op alle andere stond: lijden, strijden, zwijgen.






vorige pagina | inhoud | volgende pagina