Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[81:]

DE VAN HELDENS.

De woning van den rijken suikerfabrikant Van Helden bevindt zich juist naast die van den resident, tegenover het ruime plein van de hoofdplaats der residentie X. Zij geeft deze niets toe in vorstelijk aanzien, in ruim uitzicht, prachtigen inrij of uitgestrekten tuin; integendeel, in alle opzichten overtreft zij 't huis van den miniatuur-koning, zoowel van binnen als van buiten. Een smaakvolle hand schijnt alles geregeld te hebben: de bloemperken zijn op gladgeschoren gazons verspreid als bloemkorfjes op een groen laken; de hooge boomen vormen hier lanen, daar natuurlijke koepels, verderop een klein dicht bosch, waarin een vijver verscholen ligt, die met goudvisschen gevuld is. Alles doet denken aan een Hollandsche buitenplaats, verfraaid en opgeluisterd door de ongeëvenaarde pracht der weelderige tropische natuur. Ook het woonhuis bezit meer bouwkundige waarde dan de Indische huizen over 't algemeen hebben; het ameublement is met zorg uitgekozen. In één woord, degene, die alles aanlegde moet een bijzonderen smaak; bezitten om alles te ontwerpen en véél, zeer
't Is 's middags vier uren en een oude kleine bendy komt uit een smallen weg, die door het naburige gebergte naar de suikerfabriek voert, over het plein en door het ijzeren hek rijden; een bediende in nette livrei grijpt het paard bij den toom en een heer treedt er uit. Hij is niet ouder dan acht en dertig of veertig jaar; maar toch zou men geneigd zijn hem op ‘t uiterlijk tien jaar meer te geven. Zijn lange, magere gestalte is voorovergebogen; zijn gelaat, waarop iets vermoeids en afgemats ligt, heeft die bleekgele kleur, welke

[82:]

degenen kenmerkt, die lange jaren tusschen de keerkringen hebben doorgebracht. Het haar is op 't voorhoofd dun en kaal geworden en flets is 't licht, dat uit zijn kleine oogen schijnt. Hij gaat de marmeren trappen op, de voorgalerij door, zonder dat er een ander teeken van leven verschijnt dan een meid, die de kamers in orde brengt, en een kleine knaap, een leelijke bleeke jongen van zes jaar, met vlasblond haar en waterachtige oogen.
“Charlie,” zeide de heer, hem toewenkend, “kom bij papa!”
“Tra mau,” [Ik wil niet.] riep de jongen, “tra mau.”
“Wees niet stout, Charlie, papa heeft wat lekkers.”
“Tra mau.”
“Kom hier! Gauw: één, twee, drie.”
Charlie bleef op een afstand, den vinger tusschen de slechte tanden gedrukt, de oogen op zijn papa gevestigd met die starre uitdrukking, welke bij kinderen een heftige uitbarsting van 't gevoel voorafgaat.
“Kom je nu?”
Dat was te veel! Het ééne voetje stampte op den grond, het andere eveneens en de veelbelovende eenige zoon barstte in een luid geschrei los. Dat had papa niet bedoeld; en nog meer zou 't hem spijten zoo te onpas van zijn vaderlijke macht te hebben gebruik gemaakt, toen de deur van een der kamers plotseling openging en een koninklijke vrouw tusschen hem en 't kind kwam staan.
Hare gestalte was hoog, haar gelaat vol en ofschoon de Hollandsche kleur eenigszins van hare wangen gevaagd was, kon zij zich nog op een frisch incarnaat beroemen; ’t dikke blonde haar hing los in ontelbare krullen tot over haar middel, en in hare helderblauwe oogen las men nu een uitdrukking van verontwaardiging. Trotsch was de benedenwaarts geplooide lip ongetwijfeld altijd, maar nu zij ontevreden den vader aanziet, spreekt daaruit een minachting, die licht nog veel heviger zou kunnen uitgedrukt worden, dan men van een blondine mag verwachten.
“ls dat nu uw welkomstgroet, Van Helden,” zegt ze, “dat onnoozele kind zoo te plagen?” en ze neemt den jongen in haar armen en tracht hem te bedaren.
“Maar waarom wil hij niet goedschiks bij mij komen?”
“Waarom, Ja vraag dat aan zoo'n schaap! Stil, Charlie stil! Kom, ga met mama naar den tuin!”
“Ik wil niet.”

[83:]

“Fanny, ge bederft dat kind, wees toch niet al te toegevend.”
“Wilt ge mij de kunst van opvoeding leeren? Laat dat gerust aan mij over, Van Helden, en je zult over je kinderen niet te klagen hebben.”
En ze ging nog altijd met den schreienden knaap op den arm naar de deur der achtergalerij.
“A propos,” hernam zij, heel kalm, “ik heb vergeten je te vertellen, dat de gouvernante van avond komt.”
“Een gouvernante, heb je er dan al een?”
“En dat zou je niet weten! Ik moet soms denken, dat je suf bent, Van Helden. Zou je niets weten van mijn correspondentie met zekere juffrouw Lo... Lovi, die pas van Holland is aangekomen en naar 't geen ik hoor een wonder van geleerdheid is.”
“Ge hebt er mij niets van gezegd, dus kon ik 't onmogelijk weten.”
“Houd je niet zoo, Van Helden. Ik heb 't je wel degelijk verteld; maar in elk geval weet je het nu. Ik verwacht haar tegen den middag; ik hoop maar, dat ze affreus leelijk is; anders is ze weer dadelijk weg, evenals juffrouw Karis.”
“En dat ze goed overweg kan met de kinderen.”
“Dat heeft geen nood. Ligt het aan haar, dan kan ze gaan, en ligt het aan Cato of Leentje, dan ben ik er nog om hun te leeren wat ze moeten doen of laten.”
Deze laatste woorden waren gericht aan 't adres van twee meisjes, die in de achtergalerij aan een groot borduurraam zaten te werken. De oudste was veertien jaar en zeer ontwikkeld, te grof om elegant, en te dom van uitzicht om mooi te zijn. De tweede, een jaar of twee jonger, was klein, ineengedrongen en bepaald leelijk. Geen der drie kinderen had iets van de moeder. 't Is overigens bijna algemeen, dat een bijzonder mooie vrouw nimmer door haar eigene dochters in de schaduw wordt gesteld, misschien omdat moederlijke jaloezie in 't geheel niet past in de plannen der Voorzienigheid.
“Als ze maar niet te veel pretentie heeft,” zeide de oudste binnensmonds.
“Wat belieft, Cato?” vroeg mevrouw Van Helden uit de hoogte, terwijl zij haar zoontje op zijn eigen stoel zette en hem met een kus verliet.
“Niets ma,” antwoordde 't meisje.
“Je hebt iets gezegd: dat weet ik wel; wat zei je?”
“Dat de gouvernante niet te veel pretenties mag hebben,” zeide de jongste in plaats van haar uit het veld geslagen zuster.

[84:]

“Pretenties? Hoe komt ze er aan? Zij is hier niet om pretenties, maar om geleerdheid te verkoopen. Maandag is 't luie leventje der dames uit: dan komen de boeken weer voor den dag en de studies beginnen. Pas dan maar op, dat ik geen klachten hoor.”
“Wanneer zal ik toch niet meer behoeven te leeren?” klaagde Cato.
“Als je getrouwd bent.”
Cato zuchtte en geeuwde.
“Dat geeuwen zal de gouvernante niet aanstaan, daar kun je zeker van zijn, juffrouw Cato! Ik kan geen luiheid velen.”
“Als ik 's middags maar een uurtje mocht slapen.”
“Slapen, een meisje van veertien jaar slapen! Foei, zijn dat nu Liplapsche kuren! 't Is goed dat er een echte Hollandsche gouvernante komt: die zal ze er wel uit krijgen.”
Zij stond op en gjng naar de bijgebouwen.
“Je moest je maar stilhouden, Cato,” zei Leentje: “we krijgen toch nimmer goede woorden van mama.”
“Maar een mensch wil toch wel eens gelijk hebben; ’t is heel vervelend altijd lui genoemd te worden, ofschoon we van 's morgens zes uren tot 's avonds achten geen oogenblik vrij zijn, altijd gekleed, nooit in sarong kabaija, nooit lezen voor ons pleizier, nooit spelen, en we zijn toch nog zoo jong.”
“We zijn Charlie ook niet.”
“Dat spreekt, hij krijgt alles toe, hij wordt maar door mama gezoend en vertroeteld.”
“Leen, r o t t i !” [Brood.] riep de dwingeland.
“Houd je mond,” zei Leen: “we hebben wel wat anders te doen, dan je eten te geven.”
“Rotti!”
“En wat voor stuk die gouvernante mag zijn?”
“Zeker zoo'n oude leelijke met een bril op.”
“Rot... ti!” gilde Charlie.
“Natuurlijk,” zeide Cato, die als ware er niets gebeurd, 't gesprek wilde voortzetten, maar hierin verhinderd werd door het gejammer van Charlie, dat gaandeweg harder werd.
Leent je sprong op, gaf hem een tik op den mond en wilde vlug weer hare plaats innemen, toen mevrouw Van Helden aan de deur verscheen.
“Maar wat mankeert dat kind toch? Wat wil je hebben Charlie?”

[85:]

“Minta rotti!” klonk het dreigend.
“Is 't je dan te veel een stukje brood voor dat arme kind te snijden? Je maakt hem kregelig; hij is nog jong en zijn karakter...”
Het rollen van een zwaar rijtuig onderbrak hare woorden.
“De gouvernante!” riepen beiden en wilden naar voren snellen.
“Blijf zitten,” gebood mevrouw. “Ketjil,” ging zij voort, zich in 't Maleisch tot den bediende wendend, “breng de nieuwe juffrouw naar hare kamer en zeg Isa dat zij haar helpt. En wat Cato en Leentje betreft, ze moeten voortwerken.”
Stilzwijgend met ietwat lange lipjes gingen de meisjes met hun werk voort; mevrouw schonk zich een kopje thee en nam in een gemakkelijken stoel plaats. Men hoorde in de verte voetstappen en 't dragen van koffers. De kamer, voor de nieuwe gouvernante bestemd, was in een naburig paviljoen, waarvan men den ingang van Leentjes zitplaats kon zien; zij keek om en merkte niets dan een grijze japon en een zwarten hoed.
“Astaga,” [Javaansche uitroep] riep zij. “wat is ze lang.”
“Leentje, alweer zoo'n inlandsche uitdrukking; kom er niet mee aan bij de gouvernante: wat zal ze denken van uw opvoeding!”
“De gouvernante kan me niets schelen,” mompelde Cato weer.
“Snijd een boterham voor Charlie, Cato, en raisonneer niet zoo.”
De heer Van Helden trad juist binnen.
“Dag kinderen,” zeide hij, zijn vermoeiden blik op de twee meisjes werpende: “goed gewerkt?”
“Daar zorg ik wel voor,” antwoordde mevrouw, “maar spoedig zal een andere dat doen. De gouvernante is gekomen.”
“Zoo!”
“Ja en nu ga ik me kleeden om haar te ontvangen. Bergt 't werk maar, Cato en Leen je, en begint u klaar te maken.”
Geen bevel werd spoediger opgevolgd dan dit. In een wip waren de beide meisjes naar binnen geloopen en na een oogenblik kon men ze in hun gemeenschappelijke karner hooren lachen en kraaien van het pleizier, eindelijk eens vrij te zijn buiten 't oog der gevreesde mama.
Anderhalf uur later zat mevrouw Van Helden in de voor

[86:]

galerij op haar Amerikaanschen wipstoel; Cato en Leen zaten aan weerszijden van haar op kleinere stoelen. Mevrouw was smaakvol gekleed; de meisjes hadden gelijke, eenvoudige jurkjes aan, die niet zeer geschikt waren om hare geringe bekoorlijkheden te doen uitkomen.
“Daar komt ze, daar komt ze!” fluisterden de meisjes.
Inderdaad trad Eugenie de Lody langs een zijtrap in de galerij. Mevrouw nam haar van 't hoofd tot de voeten op, en drukte hare oogen toe om beter te zien en hare lippen om te toonen, dat zij niet alles zag wat zij verwacht had.
Ze stond op en gaf 't meisje de hand, een weinig uit de hoogte, maar toch niet met al te grooten trots; Cato en Leentje deden eveneens. Eugenie beantwoordde die groeten op hare gewone ongedwongene wijze.
“Ga zitten, juffrouw Lovi als ik mij niet vergis ?”
“De Lody, mevrouw.”
“Ah, Lody. U heeft de d zeker heel onduidelijk geschreven, dat ik me zoo heb verkeken: om u de waarheid te zeggen, had ik verwacht dat u ouder zou zijn. Mag ik naar uw ouderdom vragen?”
“Een en twintig jaar, mevrouw.”
“Zoo jong nog! Is u een geboren Hollandsche?”
“Neen mevrouw, ik ben een Indische.”
“Maar uw opvoeding heeft u toch in Europa ontvangen?”
“Ook niet, mevrouw. Ik heb er mijn examens gepasseerd en ben er slechts drie en een half jaar geweest.”
“Zoo kort!I U heeft er mij niets van geschreven; ik meende, dat u een pur sang Hollandsche was.”
“Ik dacht niet, dat dit iets tot de zaak deed, en dat het genoeg zou zijn, wanneer u wist waartoe ik bevoegd of in staat ben les te geven.”
“Voor mij was dit niet voldoende. De heer Tellings schreef mij nog dat u als schrijfster is opgetreden.” Eugenie, bloosde toen zij antwoordde, dat dit inderdaad zoo was.
“Dit is voor mij geen aanbeveling; mijn man wil van zijn dochters geen savantes maken; niets dan wel opgevoede meisjes. Ge kunt gaan wandelen, Cato en Leen.”
Als automaten verwijderden zich beide meisjes, en liepen recht als kaarsen den tuin door naar 't hek.
“Nu u eens hier is, zullen wij 't probeeren; maar ik kan het niet ontveinzen, dat alles wat ik hoor een groote teleurstelling is. Was uw moeder een Europeesche?”

[87:]

“Neen, mevrouw.”
“Alweer niet! Van Helden heeft een tegenzin in alles wat Inlandsch is in de verste verte; als ik u dus raden mag, dan is 't nimmer iets te laten blijken van uw afkomst. Laat ieder denken dat u een Hollandsche is.”
Eugenie was vuurrood geworden en beet zich op de lippen.
“'t Zal moeielijk gaan, mevrouw,” gaf zij ten antwoord, “want de naam mijns vaders, majoor de Lody, is algemeen in Indië bekend.”
“Was uw vader gepensioneerd?”
“Ja, mevrouw. Sedert een jaar of acht.”
“Wat een illusie dan, kind! Geloof me, zoodra is een officier niet gepensioneerd, of zijn naam is vergeten. Acht jaren is een lange tijd. Ik hoop dat uw bekwaamheden niets te wenschen overlaten, anders...”
“Anders zou ik tot mijn spijt moeten inzien, dat hier mijn plaats niet is.”
“'t Doet me genoegen dat u 't zoo gauw inziet, juffrouw Lody, en nu zal ik tot morgen wachten om u eenige inlichtingen te geven aangaande 't karakter en de neigingen mijner kinderen. Heeft u een goede reis gehad?”
't Gesprek liep over onverschillige dingen, maar toch kon Eugenie begrijpen uit alles, wat hare nieuwe meesteres zeide, dat deze een dame was van ongewone geestesvermogens en karakter. Zij was geboeid door hare schoonheid, geboeid door hare manieren, en 't was zonderling, misschien door een gevoel of ze niet met een onbekende sprak, of zij vroeger reeds dat gelaat en die houding had gezien. Dit onverklaarbare gevoel, dat haar verstrooid en zonderling te moede maakte, voegde zich bij den onaangenamen indruk, dien mevrouw Van HeIdens woorden op haar hadden achtergelaten en deden haar soms verlegen zijn. Zij toonde dus niet haar beste zijde en 't was met een gevoel van verlichting, dat zij de residentsvrouw, een aardige, gulle vrouw, met haar vierjarig dochtertje zag binnenkomen.
Zij had nog een benauwd oogenblik toen de heer Van Helden, dien zij reeds uit het gesprek had leeren vreezen, binnenkwam en aan haar werd voorgesteld. Zijn uitzicht viel haar echter mee en 't kwam haar voor, dat hij meer had van een zeer vreedzamen huisvader, dan, zooals mevrouw 't liet voorkomen, van een tiran, die alles voor zijn onverbiddelijken wil deed buigen. Hij sprak haar nauwelijks aan; na een gewoon gezegde tegen de residentsvrouw, stak hij zijn sigaar op en

[88:]

ging wandelen. Eugenie bleef dus nog alleen met de twee dames, die zeer druk met elkander spraken; zoodat zij weinig gelegenheid had er iets tusschen in te brengen.
Toen de lampen aangestoken en de meisjes teruggekomen waren, verzocht de huisvrouw haar iets te spelen. Cato bracht haar naar de piano, opende die zonder een woord te spreken, stak de bougies aan en bleef toen er bij staan, de oogen op de toetsen gericht. Eugenie speelde een concert-stuk van Thalberg, uit het hoofd, en nadat ze het laatste akkoord had aangeslagen en opstond, zag zij mijnheer en mevrouw Van Helden, hun eenigen zoon en de residentsvrouw met haar man achter zich staan.
“Bravo!” riepen allen.
“Prachtig!”' zei de resident. “U kan het goed, juffrouw, en Cato moet haar best doen, dat ze het spoedig ook zoo kan.”
Cato maakte een beweging met den mond en de schouders die genoeg wilde zeggen:
“'t Is me onverschillig of ik zoo ver kom of niet.”
“'t Spelen maakt veel goed,” zei mevrouw Van Helden, “zeer veel, vind je niet, Van Helden?”
“Ja zeker,” antwoordde deze, “maar 't zit niet alleen in ’t pianospelen.”
“O neen! en we hopen dat alles in evenredigheid zal zijn.”
“Maar dat merk ik al,” zei de goedhartige residentsvrouw, “dat juffrouw Lody een fameuze aanwinst is voor onze recepties.”
“Daar komt ze niet voor,” fluisterde de huisvrouw.
“Och, beste Fanny, maar dat begrijp je wel: ze is een jong meisje en...”
“En daarom heb ik zoo wat niets gewonnen. Over een jaar is ze getrouwd en ik kan opnieuw beginnen. Cato en Leen krijgen een gebroken opvoeding en geen man.”
“Maar denkt ge daar al over, Fanny?”
“Wel zeker, Doortje! Evenals ik reeds denk aan Charlies beroepskeus.”
Charlie stond te hangen aan de kleeren van Leentje, die naast Cato aan de piano stond. Eugenie trachtte met de zusters een gesprek te beginnen, maar vergeefs! “Ja” en “Neen” waren de eenige woorden, die over hare lippen kwamen.
“Cato,” zeide Charlie, “waarom is de nonna mooier dan jij ?”
“Hou je toch stil jongen,” bromde Leen.

[89:]

“Ma, Cato is niet zoo bagoes [Mooi] als die n o n n a b a r o e.” [Nieuwe juffrouw]
“Dank je voor 't compliment,” antwoordde Cato.
Eugenie glimlachte en verschoonde het enfant terrible door te zeggen, dat hij later zeker galanter zou worden, en meteen streek zij met de hand over zijn borstelig haar. Charlie zag haar oplettend aan.
“Jij speelt ook zoo bagoes,” was eindelijk het resultaat van zijn beschouwing.
Mevrouwen de anderen lachten hartelijk. Eugenie nam hem op de armen en hij, die anders zoo éénkennig was, liet haar begaan; wat meer was, hij trok haar aan de oorbellen en zelfs aan den neus. 't Was zeker een stap vooruitgedaan in de gunsten van mevrouw, door den lieveling aan zich te hechten; maar lasten waren er ook aan verbonden. Charlie had Eugenie zijn vriendschap geschonken en nu moest zij zich ook getroosten hem onder't diner naast haar te zien zitten en hem onophoudelijk ten dienste te staan. Ze was doodmoe van de reis, doodmoe van de indrukken, die in bonte verscheidenheid zich in haar hoofd opvolgden, en wenschte niets liever dan ongestoord in hare kamer te kunnen rusten. Maar dat ging zoo gauw niet; de meisjes moesten eerst proeven van hun talent geven; zij begaven zich voor de piano en begonnen een symphonie van Haydn in een en dezelfde maat en toon te spelen, bladzijden lang, zonder de minste variatie, als waren meisjes en piano een en hetzelfde instrument.
Uit belangstelling bleef Eugenie naast de piano zitten, met Charlie, die in slaap was gevallen op haren schoot, en langzamerhand vielen ook haar oogen toe en zij droomde dat ze op Groenerode was en dat juffrouw Tang tot vervelens toe op de ramen tikte om de aandacht te trekken van mevrouw Venners, die met het geheele comité langs den Groenert wandelde, en toen Cato en Leentje met een zwaar akkoord eindigden, was 't of het plafond in elkander stortte en zij ontwaakte met een schok uit hare sluimering.
Juist sprak mevrouw Van Helden met haar echtgenoot over de nieuwe gouvernante.
“Hoe bevalt ze u?” vroeg hij.
“Ze is mij in alles tegengevallen. Ze is een Liplap, een savante en heel mooi.”
“De mooiste gouvernante, die we nog gehad hebben.”

[90:]

“Ik wou dat ze eens zoo oud was. Och heer, ze is aan het dutten.”
“Arm kind, ze zal moe zijn.”
Mevrouw ging naar de meisjes toe en vroeg Eugenie spottend, hoe zij 't spel vond.
“Och mevrouw,” antwoordde zij, “ik ben doodaf; als u 't goed vindt zal ik morgen met meer attentie luisteren en nu naar mijn kamer gaan.”
“Zooals u wil; geef mij Charlie dan, doch voorzichtig, dat hij niet wakker wordt.”
De jonge heer sliep echter heel licht; onmiddellijk begon hij te schreeuwen: Eugenie mocht hem niet verlaten, Eugenie moest hem uitkleeden, hem naar bed brengen en voor’t kleine bedje zitten met zijn hand in de hare, zoo lang totdat mevrouw Van Helden haar voorzichtig afloste. Eindelijk kon zij dus naar hare kamer gaan, twee nette vertrekken, bestaande uit een salon, waarachter zich eene kleine slaapkamer bevond. 't Was prachtig weer: de maan goot hare heldere, bijna aan zonneschijn gelijke stralen door het raam. Als betooverd door dit schouwspel, waarnaar zij in 't benauwde kabinet van Groenerode zoo vaak had gesmacht, zette zij zich voor 't raam neer. 't Was stil buiten, ten minste zooals een nacht in 't gebergte stil kan zijn.
De msecten gonsden hun eentonig gezang; in de verte klonk het spel van een g a m e I a n [Javaansch muziekinstrument.] en 't bruisen van den bergstroom. Er ontbrak niets aan om 't volledig te maken, dan het gebrul van een tijger of gejank van den jakhals.
De bergen, die zich links van haar verhieven, baadden in den zilvergloed; de schaduw der hooge waringin-boomen teekende zich op de muren van 't hoofdgebouwen een zoete geur van kemoenieng- en kenanga-bloemen drong in de kamer.
Geen Europeaan kan ooit droomen van de zoete weelde van een tropischen nacht; geen pen zou ooit de harmonie kunnen schilderen, die alle zinnen streelt en betoovert. En toch genoot Eugenie niet, toch was haar hart in 't verleden, in Groenerode. Wat scheen deze indruk haar mat toe in vergelijking met hetgeen zij gevoelde, toen zij op dien gelukkigen April-avond tusschen haar vader en Hartwig van 't station wandelde naar het oude kasteel. Maar

[91:]

die tijd scheen reeds tot in het verwijderde verleden te behooren en geen band hechtte dien nog aan 't tegenwoordige.
Er zijn oogenblikken, waarin wij onzen toestand duidelijker inzien, waarin het geleden verlies, de nooit geheel verdwenen smart zich alweer in hun volle zwaarte doen gevoelen en ons als ondraaglijk schijnt. Zulk een oogenblik had Eugenie, toen zij, voor 't raam gezeten, overwoog hoe alleen zij thans was in 't midden van vreemden, die haar niet beminden en ook niet noodig hadden. Zij barstte in tranen uit en beweende haar vervlogen geluk, want die vergulde armoede, eens hare dagelijksche kwelling, scheen haar nu een tijd toe van onbeschrijfelijk genot. Alles kwam haar voor den geest: hare moeder, met wie zij zoo vaak in dienzelfden zilverachtigen maneschijn had gewandeld; haar vader, die goede, die teedere vader, dat oude kind, en Hartwig dan; de edele, ongelukkige Hartwig. Ach! zij waren beiden zoo eenzaam, zoo alleen. Waarom konden zij elkander niet tot troost en steun verstrekken! In hare gedachten schreef zij hem een brief, waarin zij haar gevoel uitstortte in het volle smartelijk geweld van dit oogenblik. De maan speelde in hare tranen en veranderde ze in paarlen.
“Uit tranen worden paarlen, uit paarlen worden tranen,” zegt een Duitsch liedje, maar hier dacht Eugenie niet aan.
Zij vermoedde niet in dit oogenblik welk een betooverend beeld zij nu aan den dichter of den schilder bood; zij wist alléén, dat zij ongelukkig, diep ongelukkig was.
Op het zelfde oogenblik gierde in Groenerode de wind langs de ramen en Hartwig zat voor zijn lessenaar te schrijven.
“Wat een storm,” dacht hij; “Zou ze nog op zee zijn?”
De oude meid kwam met zijn sober avondmaal binnen en verhaalde dat een der schoorsteenen van het oude kasteel was ingestort.
“Dat beteekent niets goeds voor de freule, mijnheer Wolfgang,” zeide zij op dien toon van familiariteit, welke alleen ouden, trouwen bedienden toegestaan wordt.
“Laat ons dat niet denken, Griet,” antwoordde hij, “en hopen dat zij nu reeds een gelukkige plaatsing heeft gevonden.”
“Zou ze niet bij mijnheer Gerard kunnen komen? Ze zal dien toch bepaald zien.”

[92:]

“Och Griet, je kunt het niet helpen, dat je zoo weinig van de aardrijkskunde weet; maar denk niet dat de Oost zoo klein is als Groenendam.”
En hij. boog zich over zijn werk.
Voor het raam was Eugenie, moe van 't weenen, ingeslapen en droomde niets, letterlijk niets meer, zóó was zij verzonken in een soort van zelfvergetelheid. Plotseling, ze wist niet waardoor, ontwaakte ze uit den vasten slaap: zij zag de lichten in 't hoofdgebouw uitgedoofd. 't Was zeker reeds nacht en de eerste dag, dien zij in geheel vreemde omgeving doorbracht, was geëindigd.






vorige pagina | inhoud | volgende pagina