Melati van Java: 'Een Kerstavond'
in: Miss Campbell en andere verhalen
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1924 (vierde druk)


II.

Zoo vroolijk als in de eenvoudige, geriefelijke huiskamer der Bauers is het niet in de groote zaal van het kasteel. Slechts een klein gedeelte van de lange galerij is verlicht; het overige is donker en koud; bruin, somber houtwerk bekleedt de muren, die hier bedekt zijn met breede boekenkasten, daar hertenkoppen en tropeeën dragen, en eindelijk, waar het houtvuur in den diepen schouw brandt, een eetvertrek schijnen te omsluiten.
Een koperen lamp hangt van de zoldering en werpt spookachtige schaduwen op de donkere muren en de oude schilderijen, familieportretten van stijf ingeregen dames en geharnaste heeren.
De tafel is bij den haard geschoven, want daar alleen is 't iets warm; verder blijft alles kil en koud.
De barones zit op een hoogen stoel, met gebeeldhouwden rug; haar witte handen houden nog het boek vast, waaruit zij heeft trachten te lezen, maar waarvan zij niets verstaat; haar oogen volgen de wijzers op de ouderwetsche klok, doch met angst en schrik.
Zeven uur komt nader en nader en zij kan er slechts met vrees


[65:]


aan denken. Tegenover haar zit freule Dora te werken; freule Dora is een familiestuk. Niemand weet hoe oud of jong zij is; sinds menschengeheugen heeft zij op het kasteel gewoond en zat ze tegenover de barones te borduren aan een nooit afgewerkte tappisseriestrook.
"Nog tien minuten," zucht de barones, na een schichtigen blik in de donkere, gapende ruimte geworpen te hebben, en nu hoort zij een regelmatigen stap heel in de verte van de zaal.
"Maar de trein verlaat zich gewoonlijk op zulke dagen," troost freule Dora.
"'t Is toch maar uitstel," en snel strijkt de hooggeboren Vrouwe met den zakdoek langs de oogen, want de stappen komen nader en weldra werpt de lamp haar volle stralen op een lang, mager man, met strenge trekken, wiens stemmig gesloten kleederen den oud-militair verraden.
"Is het rijtuig vertrokken?" vraagt hij koud en stroef.
"Ik weet het niet."
"Het wordt tijd, de trein kan elk oogenblik aankomen," en hij drukt op een knop naast den schoorsteenmantel. Een lakei treedt binnen en blijft in afwachtende houding staan.
"Denkt men er wel aan, dat de jonker met den trein van zeven uur aankomt?"
"Het rijtuig staat gereed om te vertrekken, en de koetsier meende dat mijnheer... ."
"Neen, ik ga niet mee; laat hem afrijden."
De knecht buigt en verwijdert zich; de baron zet zijn wandeling voort; mevrouw trekt haar pelisse dichter om de leden.
Niettegenstaande zij vlak voor het vuur zit, rilt en klappertandt zij nog.
"Wat zal dat een ontvangst wezen!" fluistert ze als de stappen in de galerij bijna weggestorven zijn.
"Die arme Siegfried!"
"Kent u haar, Dora?"
"Zou ik Antoinette Bauer niet kennen," antwoordde de freule, "van jongs af, nicht."
"O ja, maar u weet, we hebben in den laatsten tijd met de Bauers weinig omgang gehad en ik bedoel of u haar laatst gezien heeft?"
"Ja, eens, bij den dokter aan huis, 't vorige jaar; een mooi, lief, ontwikkeld meisje."
"Als zij hem gelukkig, maar vooral braaf maakte! Ach God! Dora, je weet hoeveel ik heb uitgestaan toen hij zoo los en lichtzinnig leefde, en ook Frederik leed er door, al zeide hij het niet, maar sedert hij dat meisje kent is hij geheel veranderd. Zes maanden lang heeft hij haar gekend en we hebben geen klachten over hem gehoord. O, als Frederik toch maar toestemde." Zij sprak hoe langer hoe zachter, want de stappen kwamen weer dichterbij.
Dezen keer betrad de baron echter niet den lichtkring om de

 

[66:]

lamp; hij keerde reeds op het jachtterrein om en verdween opnieuw in de duisternis.
"Daar broeit niets goeds op die eenzame wandeling, Dora. Hoor, zeven uur; och, zet toch den wijn klaar, de arme jongen zal zoo koud wezen en hij mag zijn zoon toch geen verkwikkenden teug weigeren."
Freule Dora stond op; stil knielde zij voor het antieke buffet en haaldle er een blad met glazen en een kristallen wijnkaraf uit, maar niet zoo stil of het rinkelen trof het oor van den eenzamen wandelaar. Ofschoon hij nog niet tot het einde zijner wandeling gekomen was, stond hij stil en met rassche schreden terugkeerend, bleef hij dreigend op de onthutste vrouwen neerzien.
"Wat moet dat beteekenen?" vroeg hij, "is dat voor je zoon?"
"Hij zal zoo koud zijn, Frederik!"
"Koud? Hij zal 't straks nog kouder hebben als hij koppig blijft en ik hem het huis gebied te verlaten."
"O Frederik," en met een pijnlijken kreet kromp zij als onder een smartelijken druk ineen, "wees rechtvaardig! Nooit was je zoo streng toen onze zoon zijn ouders geheel vergat en er niet aan dacht ons bij huiselijke feesten te bezoeken, maar zijn geld verkwistte in loszinnigheid. En nu hij je toestemming vraagt voor een huwelijk met een onberispelijk meisje, nu..."
"Zwijg, vrouw! Hij zal te kiezen hebben tusschen dat huwelijk met een burgermeid en onze vriendschap."
"O, ik ken hem; hij zal niet weifelen."
"Des te erger voor hem. Dora, berg dien wijn maar op; liever zie ik hem dood dan zoo gekoppeld."
En hij hervatte zijn wandeling.
De barones weerhield haar tranen niet meer, snikkend leunde zij achterover en weende om haar dierbaar kind.
"Nicht," troostte freule Dora, "het meisje is goed en braaf; zij wil hem niet trouwen dan met toestemming van zijn ouders en ook de oude heer Bauer zal niet in de verloving van zijn dochter toestemmen dan als de baron haar hand in persoon komt vragen."
Voor de honderdste maal had de baron zijn zwijgenden tocht hervat; voor de duizendste maal wellicht had mevrouw Bauer den blik op de pendule geworpen. De reizigers waren er nog niet; de kleinere kinderen, moe van het wachten, maakten geen gebruik meer van de toestemming langer op te blijven. Het oudste zusje te huis had hen naar boven gebracht.
Een onverklaarbare angst maakte zich van de moeder geheel en al meester.
"Half negen, 't is ongehoord I Suze, doe je mantel om en ga met me mee. Ik moet naar 't station."
De barones hing nu ook met haar blikken aan de klok, de stomme oorzaak van zoovele smarten, zoo vele angsten; zij betreurde het niet meer, dat het al zoo laat was. Als Siegfried

 

[67:]

 

maar aankwam, als zij hem maar terug had, want akelig als een doodsklok tikte het haar in de ooren, wat de baron gezegd had:
"Liever dood dan... ."
"Wat denk je, Dora?" vroeg ze.
"Och, nicht, er ligt zoo veel sneeuwen de treinen zijn zoo vol."
Nu stond ook de baron binnen den lichtkring stil en zag naar de klok.
"Jacob had niet zoolang moeten wachten, de dieren kunnen niet tegen zulk een lang oponthoud in de koude. Hij denkt zeker met huurpaarden te doen te hebben."
"Maar als de trein nog niet aan is, Frederik?"
"De trein moet er al wezen, mijnheer is zeker niet aangekomen."
Zijn stem klonk hardvochtig en koud, maar vergiste zich de barones niet? Het was of bij dat laatste woord zijn stem eenigszins onvast klonk.
"Een ongeluk, Frederik, wanneer hoort men dat?"
"Als het te laat is," sprak hij en begon nogmaals zijn wandeling, maar de stappen weerklonken niet zoo regelmatig meer; hij bleef staan, haalde diep adem en de barones stond ook op.
Zij volgde hem in de duisternis.
"Kwart voor negen en nog niet! och, Frederik, kunnen we niets doen?"
"Wachten en geduld hebben."
"Wachten en geduld; o Frederik, als... als wat jij zooeven zeidet..."
Hij haalde zijn schouders op en ging voort; de barones keerde troosteloos terug.
"Ach, Dora," smeekte zij; "misschien is hij wel regelrecht naar de Bauers gegaan. Laat daar eens vragen, wil je?"
Zwijgend stond Dora op en mevrouw viel weer zenuwachtig bevend in haar fauteuil terug.
Een oogenblik later maakte Dora haastiger dan zij sinds jaren gedaan had een der deuren open, maar sprak nu den baron aan en nog vóór mevrouw haar binnenkomen bemerkt had, was haar man naar buiten gesneld.
"Is er iets, Dora?" vroeg zij schier onhoorbaar.
"Iemand om neef te spreken," klonk het hortend en stootend van de lippen der freule.
"Iets over... over de trein?"
"Ik weet denk het niet..."
"O mijn God, welk een Kerstavond! Vrede aan de menschen! Vrede! welk een spot! Ha, vrede!"
En zij stond op, handenwringend, een beeld van machtelooze smart.
"Liever dood! mijn God, hebt gij zijn goddeloozen wensch dan verhoord? O, hij meende het niet. Hij heeft Siegfried even lief als ik. Verhoor hem niet en schenk vrede! vrede!"


[68:]


Zij was op de knieën gezonken en verborg het gelaat in de kussens van den divan.
Freule Dora trachtte haar te troosten. "Het kan nog ten goede keeren. Misschien is 't overdreven."
De goede ziel vergat blijkbaar, wat zij gezegd of gezwegen had.
"Overdreven, wat is overdreven?" gilde de barones ontzet, "zeg me, wat?"


vorige pagina | inhoud | volgende pagina