Melati van Java: Orchidée
Amsterdam: L.J. Veen, derde dr., z. jr.
eerste druk 1905


X.

Dien avond ging Ludo naar huis; hij werd zooals hij dacht, met lange gezichten en ernstige woorden ontvangen.
't Deed hem bepaald leed om zijn vader, die er moe en kommervol uitzag en onder het eten weer uitgehaald werd, maar zijn stiefmoeder prikkelde hem altijd met haar gezicht van huilenden engel. Zij sprak geen woord doch keek telkens medelijdend naar haar kinderen alsof zij zeggen wilde:

[74:]

"Arme schapen! Wat komen jullie te kort omdat jelui oudste broer het geld zoo weggooit."
Maar hoe hij zich ook inwendig ergerde, hij hield zich goed. Anders had hij altijd bij de minste toespeling op zijn veel pret maken en weinig studeeren een scherp antwoord klaar en redeneerde dan zoo ratelend dat niemand er een woordje tusschen kon zeggen en ieder dus 't er maar voor houden moest dat hij 't toonbeeld was van alle zonen en broers, maar nu sprak hij niets tegen, scheen niets te hooren van hetgeen er gezegd werd en toen zijn vader bij een zieke geroepen, ondanks de koude, het warme vertrek moest verlaten, ging hij een eind met hem mede.
"Vader," zeide hij, en 't kostte zijn trotsche borst moeite de woorden te zeggen; - "'t spijt me vreeselijk dat het zoo geloopen is."
"Ja jongen, mij nog meer, ik had er zoo zeker op gerekend, dat het nu eindelijk gaan zou."
"Ik niet!" bekende hij oprecht en zijn vader hoorde verwonderd voor 't eerst die oprechte bekentenis, - "ik had 't moeten verwachten, want ik heb mijn tijd schandelijk verkwist..."
"En je wist toch hoeveel er voor mij aan gelegen is, dat je gauw klaar komt."
"Ja vader, maar ik ben een ellendige zwakkeling. U moet maar weer geduld met mij hebben, ik heb nu vast besloten 't anders op te nemen."
"Hoe dikwijls heb je dat besloten?"
"Nog nooit zoo vast als nu en daarom vraag ik u of ik voortaan in. Utrecht mag studeeren. In Amsterdam komt er niets van. Ik ben daar omringd door mijn vrienden en heb te veel afleiding, nu zal ik 't heel anders beginnen."
"Ik zal er over denken, ik was straks reeds van plan je de studie te laten opgeven en iets anders voor je te zoeken."

[75:]

"O neen, neen! Ik beloof u dat ik heel anders zal gaan doen in alle opzichten."
"Nu dan, ik zal er over nadenken."
Ludo had geen lust naar huis terug te keeren, want als iets hem van zijn goede voornemens kon afbrengen, beweerde hij, was het 't zuinige gezicht van zijn moeder. Eigenlijk was het zijn eigen kwaad geweten dat hij op het gelaat der overigens zoo goede en zorgzame vrouw ontdekte. Nergens las hij zoo duidelijk in de bladen van zijn geestelijk rekenboek dan daarop en dat was de reden, waarom 't hem zoo ergerde.
Hij ging naar 't eenvoudige huisje van zijn tante, juffrouw Kleiberg, die in den laatsten tijd erg sukkelend was en werd in de huiskamer gelaten. Hier, anders keurig netjes, zag het er nu tamelijk ongeredderd uit alsof 't schoonmaak was.
Zijn nichtje Josephine was bezig met het afnemen en afstoffen der schilderijen.
"He," riep hij, "wat gebeurt hier? Schoonmaak in 't begin van den winter."
"Weet je het dan niet," vroeg Jo, "heb je het zoo druk gehad met je examen?"
"Hm ja, je hoeft mij nu geen hatelijkheden meer te zeggen, ik heb er genoeg over gehoord, vertel me liever wat ik weten moest."
"Ik begrijp niet dat Oom of Tante het jou niet verteld of geschreven hebben dat er zoo'n verandering met ons op til is of je hebt het zeker vergeten."
"Wat denk je dan? Ik stel zoo veel belangstelling in jullie, dat ik zoo iets belangrijks niet zou vergeten hebben als ik er van gehoord had."
"Belangstelling van jongelui."
"Houd je steken voor je en zeg maar wat er op til is."
"Tante wordt hoe langer, hoe meer hulpbehoevend en nu heeft ze besloten naar een Damesgesticht te

[76:]

gaan, waar zij meteen verpleging vindt en minder zal behoeven te betalen dan hier in eigen huishouden met ons tweeën."
"Gebeurt het al spoedig?"
"Met 1 November."
"En waar blijf jij dan?
Zij zuchtte diep.
"Waar arme meisjes zonder diploma of zonder artistieke opleiding blijven, ik zoek een betrekking en in afwachting daarvan ga ik logeeren bij familie - koffertjesleven, je weet wel. Zoodra ze mij moe zijn, pak ik mijn koffer weer en ga een ander verheugen met mijn komst en mijn koffer."
"Maar dat is heel ongelukkig!"
"Ja, en neen! Toen ik jong was, heb ik. mij niet hoeven in te spannen met leeren, wat ik toch niet kon, ik heb geen examen-ellende doorleefd..."
"Gelukkig mensch!"
"Maar nu is 't achterop, nu kan ik mij voor niets uitgeven dan voor kinderjuffrouw, huishoudster of..."
"Huishoudster..."
"Nu ja, wat zou dat?"
"Dan heb ik misschien iets voor jou?"
"Jij een betrekking voor mij hebben?"
"En een heele goeie ook. Bij een weduwnaar..."
"Dat had ik liever niet, maar ik mag niet kieskeurig zijn, 't ergste van alles is dat eeuwig logeeren."
"Ik vat het wel, dat is niets voor jou, zoo'n existentie."
"Neen, ik werk en zorg graag. Nu wie is 't dan en hoe kom je er aan?"
"Je kent hem wel. Van den zomer heeft hij met zijn dochter gelogeerd in de Kreeft.
"Toch niet dat studentje met 'r vader. Hoe heeten ze ook? Zulke wonderlijke namen!"
"Juist, Sonerius!"
"Zoekt die een huishoudster, een juffrouw?"

[77:]

"Ik heb 't hem ten minste duidelijk gemaakt dat hij er een moest zoeken."
En toen vertelde hij, welken rol van engel in den nood hij gespeeld had bij Idée en haar vader.
Josephine lachte hartelijk.
"Neen maar! zoo'n boeltje te redderen is ook niet alles, hoor!"
"Als ik 't toch kon! Ze zijn beiden aardsdom in de gewoonste dingen. Werkelijk, je doet er hun een weldaad mee en jij zult het er goed hebben, als je zorgt dat het er gezellig wordt."
"Maar hij maakte op mij den indruk van vreeselijk eigenwijs te zijn."
"Tante was toch ook eigenwijs en die heb je wel klein gekregen."
"Kom, dat denk je maar. Ik heb meer van Tante geleerd dan zij van mij!"
"Nou, die kennis hoeft niet zoo heel groot te zijn, want 't is me daar een primitief huishouden, zoo iets zigeunerachtigs weet je; dus met hoogere huishoudkunde hoef je daar niet aan te komen."
"Als ik er maar geschikt voor ben! Misschien ben ik nog wel te precies..."
"Ja, als je alle sleutels nog gaat schuren en de vensters behangt met vijf lappen en het tapijt bedekt met allerlei kleedjes, maar je moet denken, daar zie je resultaten als je wat uitvoert en hier was 't altijd maar schooner maken dan schoon."
"En nu, ach! wat is 't nu een boeltje! Hebben wij daarvoor zoo gewerkt en gestoft om alles nu over te moeten laten aan anderen."
En er kwamen tranen in Josephine's oogen.
"Laat je groote talenten ten goede komen aan dat armoedige - want al hadden zij geld genoeg, ik noem het een armoedig - huishouden en je doet er bepaald een goed werk mee."
"'t Is de vraag of zij mij hebben willen; als die

[78:]

Baboe weer opknapt, dan ga ik er niet heen. Daar kan ik niet tegen in werken."
"Nu, zoodra ik in Utrecht kom, ga ik er naar toe en zal ik zien hoe de zaken staan..."
"En of ze mij hebben willen."
"Natuurlijk, maar daar twijfel ik niet aan."
"Op de recommandatie van den reddenden engel - dat zou ik denken. - Ik zal je maar niet lang aanhouden, Tante slaapt en ik heb 't verbazend druk en ongezellig is 't hier ook."
"Ja, ik heb het er wel eens gezelliger gezien. Bonsoir! Je hoort wel van mij, Jos!"
"Toch wel een goede jongen die Ludo," dacht Josephine, terwijl zij de glazen uit de kast nam, zorgvuldig afveegde en in papieren pakte, "nu ja, dat of ergens anders. 't Komt er niet op aan; onder vreemden zal toch voortaan mijn plaats zijn, dan is 't nog maar beter geen genadebrood te eten."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina