Melati van Java: Orchidée
Amsterdam: L.J. Veen, derde dr., z. jr.
eerste druk 1905


[136:]

XIX.

Gedurende eenige dagen was er geen sprake meer van Idée's gemoedsbezwaren; maar eens dat zij uit het college kwam, even vóór het eten, zag zij haar vader in de buiskamer zitten, voor bet raam dat op de achtertuintjes der huizen uitzicht gaf, ineengedoken, het hoofd op de handen, als drukte hem zware zorg of verdriet.
"Scheelt u iets Paatje?" vroeg Idée, zich bezorgd over bem buigend en de haren van zijn voorboofd wegstrijkend.
"Neen kind, niets! Een teleurstelling - waar ik over heen moet komen."
Idée durfde niet verder vragen. Zij keek rond of zij Josephine niet zag; maar deze was zoo als gewoonlijk vlak vóór het diner in de keuken bezig.
Zij ging naar de voorkamer, bergde haar dictaten en boeken weg en vroeg zich intusschen af, wat voor een teleurstelling het kon zijn, die haar vader drukte.
Iets in zaken of in politiek? Het eten werd opgediend en Josephine vroeg:
"Kom je Idée?"
Het was nog niet donker genoeg om het licht op te steken; dus kon zij de gezichten van haar vader en de juffrouw niet goed zien, maar zij merkte toch dadelijk dat Josephine heel bleek was - met randjes om de oogen en den neus en haar vader scheen ook ontdaan en somber.
"Zouden zij woorden hebben gehad," dacht zij.
"Ik ga morgen voor een paar dagen op reis," sprak de heer Sonerius.
"U Pa, en waarheen?"
"Ja, dat weet ik niet. Misschien naar Berlijn of Parijs, ik moet afleiding hebben."
"Heeft Paatje dan zoo'n verdriet," vroeg Idée op haar gewonen toon van klein meisje en sloeg den arm

[137:]

om zijn hals. "Kan Paatje het niet aan Idée zeggen?"
Anders, was zij gewoon, nam hij haar op zijn schoot en overlaadde haar met lieve naampjes en liefkoozingen, nu trok hij zich een beetje bruusk terug en zeide kortaf:
"Ach kind! Daar heb je geen verstand van!"
ldée zag hem bedroefd en verbaasd aan; zoo'n behandeling was zij niet van hem gewoon.
Josephine ging stil de kamer uit en kwam niet meer terug.
"Wat is er toch gebeurd?" dacht zij.
De heer Sonerius nam zijn hoed van de standaard en riep haar toe:
"Ik ga nog een singeltje om, wacht mij maar niet met de thee."
"Mag ik met u mee," vroeg zijn dochter.
"Neen, ga maar aan je werk. Je hebt het lang genoeg verzuimd.
"Josephine heeft er met Vader over gepraat en nu is hij boos op mij," viel haar plotseling in, maar waarom toch? Ik wil niet ongehoorzaam zijn; ik wil doen wat Vader het liefste wil."
Zij ging voor haar bureau zitten, maar het studeeren vlotte weer niets; zij zuchtte diep en keek soezend naar buiten.
Josephine bleef bijzonder lang in de keuken; anders kwam zij altijd om dezen tijd, terwijl de heer Sonerius in de achterkamer wat stil ging zitten, met haar handwerkje bij Idée en als dan 't meisje niet veel studeerzin had, praatten zij gezellig met elkaar.
Maar nu ging Josephine naar haar eigen kamer.
"Is zij dan ook al boos op mij? Wat heb ik toch misdaan?" vroeg zij zich af.
Zij kon 't niet uithouden, die dompige atmosfeer van zwijgen en mokken deed haar stikken en eensklaps haar boeken wegduwend, stond zij op en ging naar boven.

[138:]

"Juf, juf, juffrouw Josephine," zoo klopte zij aan haar deur.
"Wat is er Idée?"
"Waarom komt u niet bij mij zitten?"
"Ik heb zoo'n hoofdpijn."
Haar stem klonk schor en dik - als van tranen.
"Ligt u te bed?"
"J - a - een beetje. :Maar ik kom wel beneden met de thee!"
"Er is iets, zegt u toch wat er is. Waarom huilt u? En waarom is Pa zoo verdrietig? Waarom mag ik 't niet weten?"
"Je zult het wel weten, vroeg of laat, maar nu ben ik er niet toe gestemd."
"Dan is 't zeker iets heel ergs. Och toe! Ik kan 't niet uithouden van nieuwsgierigheid - of gaat het mij niet aan, dan vraag ik niet meer!"
Josephine maakte de deur open, zij had zich gewasschen en verkleed, maar men kon 't haar nog aanzien dat zij heel in de war was.
"Er is iets heel bijzonders dat u zoo van streek maakt en Vader ook, want anders gaat hij nooit dadelijk na 't eten wandelen en nu die reis. Maar zegt u gerust, als, ik 't niet weten mag, zal ik niet verder vragen."
"Je moet wat geduld hebben."
"Zegt u dan maar alleen: Is Vadertje boos op mij omdat ik... of liever omdat u hem gezegd heeft van 't geen ik u laatst zei?"
"Je vader is niet boos op jou."
"Hij was toch zoo hard tegen mij als hij het nog nooit geweest is - heb ik iets misdaan?"
"Neen hij heeft geen reden boos op je te zijn, als gij boos is op iemand dan is 't op mij - omdat - omdat ik... wegga..."
"U weggaan, juffrouw Josephine, u, en waarom dan toch, om 't geen ik laatst zei?"

[139:]

"Neen, omdat - nu ja, ik kan 't zoo niet zeggen, maar zoodra je vader terug is van de reis, ga ik weg."
"En u is er zoo bedroefd om en toch gaat u heen. Daar begrijp ik niets, niets van."
"Dat hoeft ook niet. 't Is eenvoudig zoo, ik heb mijn betrekking opgezegd, ik moet heengaan."
"En daar is Pa nu boos over?"
"Ja."
"Maar dan moet u niet gaan. Wij kunnen u niet missen. Ik ben zoo onhandig, zoo dom en ik heb nog niets van u geleerd."
"Maar er zijn anderen die evenveel kennen als ik en mij vervangen kunnen."
"O neen, neen, u mag niet weg. Waarom wil u heengaan? Zeker om die domme praatjes van mij."
"Neen, Idée, denk dat toch niet; er is niets aan te doen, het zijn - het zijn familieomstandigheden."
"Och hoe naar! Dan is er niets aan te doen. Akelige dingen zeker, niet waar juf, dat u er zoo om huilt of valt het u zoo hard ons te verlaten?"
En toen vielen beiden elkander snikkend om den hals en Idée ging met een zwaar hart naar beneden.
"Waarom kan ze niet blijven? Ik zal er met Vader over spreken, maar als het familieredenen zijn, dan moeten wij ze eerbiedigen. Maar hoe zal het gaan? Liesje kan niet zelfstandig werken en ik weet van niets."
Toen beving haar plotseling een stille vreugde.
"Nu moet ik voor Vader zorgen, 't is mijn plicht en hij kan er niets tegen hebben. Ik wil 't zoo regelen dat ik mijn studiën kan voortzetten en tevens voor het huishouden zorgen; terwijl Vader op reis is, zal ik er mij inwerken. Laura wil ook student en gewoon jong meisje tegelijk zijn, en wat Laura kan, dat kan ik ook."
Zij voelde het leêge gevoel in zich wijken, een ongekende energie vervulde haar, zij had nu wat haar

[140:]

ontbrak, een levensdoel, een roeping. Nu kon zij zich onmisbaar maken, natuurlijk, bekende zij zich in haar nederigheid, zou zij nooit alles zoo goed kunnen als Josephine, maar Vader zou met minder tevreden zijn, vooral wanneer hij zag, dat haar studiën niet er onder leden, zij zou een jaar later haar doctoraal doen, dat was alles, dan hoefde zij ook niet zoo ingespannen en aanhoudend te blokken - dat heen en weer trippelen zou haar afleiding bezorgen en goed doen.
Eigenlijk was zij heel blij dat de zaken zoo liepen; nu was het vraagstuk vanzelf opgelost. Zij mocht Josephine gaarne, meer niet, zij was niet innig aan haar gehecht.
Haar heengaan zou in haar leven geen leegte achterlaten, en nu mocht zij alleen voor haar vaders geluk en welzijn zorgen, met niemand hoefde zij dat te deelen.
Vanavond of morgen zou zij haar vader zeggen, maar toen bedacht zij zich, neen, zij zou wachten tot hij terugkwam, dan was zij, op de hoogte; in die dagen zou zij volstrekt niet studeeren, maar ijverig bij Josephine les nemen.
Zij schoof het raam open, een heerlijke voorjaarslucht drong naar binnen, een paar vogeltjes zongen zoo lustig beneden in de tuintjes en voor het eerst misschien in haar leven voelde Idée zich echt jong en begreep zij de vreugde van het jong zijn.
Den volgenden morgen vertrok de heer Sonerius even somber en zwijgend, hij kuste haar vluchtig en gaf juffrouw Josephine met een pijnlijk gezicht de hand, die zij nauwelijks drukte. Zij sloeg haar oogen nipt op.
"Zij schaamt zich voor vadertje," dacht Idée, omdat zij hem in den steek laat. Wacht maar eens Paatje-lief, als u terugkomt dan zal u inzien wat 'n knap dochtertje U heeft. Student en huisvrouw tegelijk! Ik

[141:]

wil, ik wil en wie kan al wat hij wil - is een gelukkig mensch."
Zij legde zich werkelijk toe op allerlei huishoudelijk werk; zij leerde dingen, die elk ander jong meisje vanzelve kent met allen ernst als waren het klassieke dichtwerken; onder Josephine's toezicht waschte zij glazen en kopjes, vulde botervlootje en suikervaas, nam stof af, begoot de planten, leerde zelfs een puddinkje maken en croquetjes of schelpjes.
Zij had er schik in en was vroolijk en opgewekt zooals Josephine haar nooit gezien had; ook wilde zij leeren naaien en stoppen.
Haar meesteres stond verbaasd over haar onkunde, zij kende letterlijk niets, telkens prikte zij zich met de naald, maakte groote onregelmatige steken, zoodat Josephine, hoe stil en gedrukt zij anders ook was, er om moest lachen.
"Neen," verklaarde Idée zelf, "dat gaat nu eenmaal niet, het zit niet in mijn vingers en komt er ook nooit in. Dan neem ik maar liever een naaister om de boel op te knappen, en geef repetitielessen in plaats daarvan."
"En 't andere bevalt je dat beter?"
"Dat gaat wel door de oefening en ik vind het ook niets onprettig. Gelukkig! Ik dacht eigenlijk dat het veel grooter heksenwerk was."
"Och! 't wordt hoe langer hoe makkelijker het huishouden. Je moest mijn tante er eens over hooren, hoe het vroeger ging. Alles gebeurde in huis, zelfs brood bakken en wasch doen; men had geen machines en alles moest met de hand genaaid worden. Als er eens een diner was dan kookten en braadden de dames wel een week vooruit, want je kon toen niet eventjes naar den banketbakker sturen om een paar dozijn ragoutbroodjes, een vol au vent, taart, ijs. Dat moest men alles zelf maken."
"Ja," zeide Idée nadenkend, "toen waren de vrouwen

[142:]

werkelijk nuttig en kon de wereld niet buiten haar, maar nu is dat zoo anders geworden."
"Nu zitten de vrouwen met de handen over elkaar en moeten wel werk zoeken; daarom doen ze ook mannenwerk."
"Ten minste werk wat mannen even goed of liever nog beter kunnen. Ik zou wel eens willen weten, als ik nu hier geboren en opgevoed was in een gewoon hollandsch huishouden, of ik dan een normaal meisje was geworden. Wat dunkt u, juffrouw?"
"Je hebt bijzondere gaven naar den geest."
"Dat weet ik niet. Vlug van leeren ben ik wel, maar ik ben in een broeikast gestoofd, een kasplantje, mijn heele leven heb ik niets anders gedaan dan leeren. Ik ben net een plant, waarvan.men alle knoppen heeft afgeknipt om een groote bloem te krijgen. Maar nu ben ik met mijzelf in 't klare gekomen. 't Spijt me dat u weg moet, maar nu wil ik ook uw taak heelemaal overnemen."
"Ik hoop dat ik 't gerust kan overgeven," en Josephine's stem klonk treurig.
"Wat heeft ze toch?" dacht Idée, "'t is zeker iets heel bijzonders misschien hartsverdriet," en toen hardop:
"Zeg juffrouw Josephine, u gaat toch niet trouwen?"
Juffrouw Kleiberg schrikte.
"Trouwen, ik? Hoe kom je daaraan?"
"Nu ja, u hoeft het mij niet te zeggen als u niet wil, maar ik dacht maar, omdat u zoo geheimzinnig doet en erg veel verdriet schijnt te hebben."
"Neen, ik zal wel nooit trouwen."
"Dan slacht u mij wat. Ik blijf bij mijn lief vadertje, zoo lang als hij leeft en dan - dan ga ik een school opzetten voor arme kinderen."
"Luchtkasteelen?" en Josephine ging de kamer uit.
Idée werd hoe langer hoe nieuwsgieriger.
Dien avond kwam Ludo juist toen Josephine even

[143:]

uit was. Hij had zich een paar dagen niet laten zien en keek wel wat op toen hij hoorde dat de heer Sonerius op reis was en Josephine weg ging.
Daar glom een verraderlijk lichtje in zijn oogen. Hij wilde iets zeggen, maar bedacht zich.
"Vreemd! Gaat ze weg om familieredenen. Wat kan dat zijn?"
"Jij moest het toch weten, dunkt mij, omdat zij je nicht is. Weet je wat ik dacht?"
"Nu?"
"Dat zij trouwplannen had."
"Met...."
"Ja, hoe kan ik dat weten, zij doet zoo raar en gek! dat Pa nu ook zoo gedrukt is en zorgen schijnt te hebben."
Ludo beet zich op de lippen om niet in lachen uit te barsten, maar Idée merkte het niet.
"Ik verlang zoo vreeselijk naar Vadertje, 't Is nu al acht dagen dat hij weg is en ik heb niets van hem gehad dan een paar ansichten. Nooit heb ik hem in zoo lang niet gezien."
"En wanneer gaat Josephine heen?"
"Met Mei, ik hoop dat ik dan zoo knap zal zijn om haar werk over te nemen. Had je ooit gedacht Ludo, dat ik zoo knap zou worden?"
"Ik had het gehoopt Idée," antwoordde hij ernstig, "ik vond het jammer, dat jij je zoo eenzijdig ontwikkelde, een boekenmeisje was, niets meer, nu word je langzamerband vrouw!"
"Ik wil worden als Lau, zoo flink en knap in alles. 't Zal wel niet uitstekend gaan, want ik ben er te oud voor, maar toch doe ik mijn best."
"Meer kan je ook niet doen!"
"Als Pa 't dan maar goed vindt en mij toestaat mij te verdeelen tusschen studie en huis. Ik hoop dat hij Josephine niet meer mist omdat ik 't bem zoo gezellig weet te maken."

[144:]

"Ik hoop dat het je lukt. Nu moet ik weg. Dag waardig studentje!"
Een paar huizen verder in de straat ontmoette Ludo Josephine en ook hem viel haar vervallen gezicht op.
"Wat 'n treurig einde van je betrekking, maar het was te voorzien."
Verbaasd keek zij hem aan.
"Hoe weet je - wat wil je zeggen?"
"Wel wat nogal gemakkelijk te begrijpen is, voor ieder, behalve voor dat wereld domme meisje."
"Vermoedt zij niets?"
"In de verste verte niet. Wat 'n désillusie voor haar 't arme kind!"
"Nu ja," bitste Josephille, "'t is toch om haar dat, dat... alles zoo gebeurt als het nu is."
"Om haar?"
"Natuurlijk, om wie anders? Denk je misschien dat ik zonder haar zou weigeren; maar ik wil mij niet tusschen hen plaatsen en ga dus heen. Zij vermoedt toch niets?"
"Neen, en dat is ook maar goed. Nu wij spreken mekaar nader. 't Spijt me voor jou, Jos en misschien ook voor een ander."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina