Melati van Java: Orchidée
Amsterdam: L.J. Veen, derde dr., z. jr.
eerste druk 1905


XXII.

Idée leefde voort als in een droom of liever als in een duizeling. 't Was haar of zij een zwaren slag tegen het voorhoofd had gekregen, die haar het denken en voelen belette.
Zij sprak met haar vader niets dan het hoognoodige en hij tegen haar ook niet; hij zat te hangen voor het raam en zuchtte telkens heel diep.
Zij had graag iets gevraagd over zijn reizen, maar zij kon 't niet doen; alles scheen in haar dichtgeschroefd!
Zij kon maar niet tot klaarheid komen; na het eten

[158:]

nam zij haar boeken en deed of zij studeerde, de letters dansten echter tusschen de regels.
"Ik ga naar bed," zeide haar vader plotseling.
"Wil u geen thee?" vroeg zij dof.
"Dank je!"
Zoodra hij weg was, zette zij haar hoed op, en daar 't niet koel was, deed zij haar mantel niet eens om en liep de straat op naar de singels.
Daar kon zij vrijer ademen.
"Vader en Josephine - Josephine en Vader. Dat was 't! Dat ik het niet eerder raadde - dat ik er niet aan dacht en Liesje merkte het reeds en Ludo zou die het weten?"
Zij liep de paden af van het Lucasbolwerk; de lente suisde door de lucht, 't gras glinsterde groengoud in de laatste zonnestralen, de tulpen en crocussen in de perken rooden en geelden zoo lief tegen al dat jonge groen.
Zij sloot even de oogen, 't deed haar zoo pijn als zij dacht aan haar bloemen - de kastanjes stonden vol roode en witte kaarsjes, de andere boomen schenen een wolk van teer loot.
Ja, 't was mooi, gister nog had ze vol verrukking hier geloopen, toen drukte zij de handen tegen de borst omdat het daar zoo klopte en jubelde en zij begreep hoe een leeuwerik moet voelen, die in de eerste lentezonnestralen al zingend opstijgt, hooger en hooger.
Maar nu vond zij alles zoo vaal, zoo dof en 't was toch een nog mooier avond dan gisteren.
"Hé, Idée, jij hier, en ik dacht dat je vader vandaag thuiskwam."
't Was Ludo, dien zij ontmoette.
"En jij gaat wandelen, en laat hem alleen. Ik wilde jullie niet storen anders was ik aangekomen om hem te begroeten."
"O Ludo," barstte zij uit, "wist je het?"
Hij zag haar bleek, desolaat gezichtje en hoefde niet te vragen wat haar zoo aandeed;

[159:]

"Of ik 't wist - van..."
"Van Pa en - Josephine!"
"Ja, ik wist het."
"Hebben zij 't je gezegd?"
"Neen, ik begreep het."
"Allen begrepen het, alleen ik domoor niet. Zelfs Liesje had het gezien en ik - o waarom het mij niet gezegd?"
"Ik kon 't moeilijk doen, als zij het beter oordeelden er over te zwijgen."
"'t Was veel beter geweest als je mij niet had laten begaan, nu was 't zoo erg voor Vader dat ik zoo blij deed."
"En voor jou niet minder!"
"Dat komt er niet op aan. Maar nu is Vader boos op mij. Hij noemt mij harteloos."
"Maar vind je het zoo erg als je Pa - en Josepine.... "
"Trouwden?"
Haar oogen schoten vlammen.
"Dat kan toch niet, dat kan niet."
"Waarom? Ik zou 't heel gewoon en verstandig vinden. Jij bleef aan je boeken en Josephine zorgde voor je vader en 't huishouden. Alles bleef precies zooals het was."
"'t Kan niet, 't kan niet," beet zij hem toe en zonder groeten sloeg zij een zijpad in.
Hij liep haar na en haalde haar gauw in.
"Waarom kan 't niet?"
"'t Kan niet omdat ik niet wil."
"Een mooie reden, en waarom wil je niet?"
"Omdat ik Pa zijn dochter ben en ik voor hem zorgen moet nu mijn moeder dood is."
"En als je pa niet van die zorg gediend is?"
"Ik ben hem toch het naaste."
Ludo lachte medelijdend.
"Idée, je weet zoo weinig van de wereld. Doe je

[160:]

best er in te komen en dan zal je anders leeren denken."
"Ik wil niet anders denken."
"Zoo'n willetje. Heel anders als de zachte, droomerige Idée, candidaat in de klassieke letteren, zie ik nu voor mij!"
"Ik vind je niets aardig. Je hadt mij alles moeten zeggen en nu houd je mij voor de gek!"
"Als je kalmer bent, zullen wij nader praten."
Idée ging haar weg; zij liep door of zij altijd maar door moest loopen. Zij kende zichzelf niet meer. 't Was precies zooals Ludo zeide, een heel andere Idée, dan die zij zoo goed kende, leefde, sprak en dacht in haar, de andere, de oude, gewone Idée was weg, - ver weg.
Zij liep bijna de heele stad om, toen merkte zij eensklaps hoe ver zij van huis was, stapte in de eerste tram de beste en kwam dicht bij huis aan.
Zij schelde en ging zwijgend de trap op: de huiskamer zag er donker en verlaten uit, de geuren der bloemen hingen er nog in.
"Juffrouw, wat moet ik met de roosjes doen? Mag ik ze meenemen naar huis? Licht kan vader er nog een centje mee verdienen."
"Ga je gang, Lize."
"Nu juffrouw, ik zal maar gauw gaan, het is al zoo laat geworden."
"Ja 't is goed."
Zij ging ook naar bed; het was zoo stil en doodsch als een sterfhuis. Nooit zou zij dien nacht zonder slaap of rust vergeten; geregeld denken kon zij niet, het stormde in haar hoofd, als ze even indommelde werd zij met een schok wakker, en zij droomde van allerlei nare, akelige dingen - naast haar hoorde zij haar vader zuchten. Zij wilde zoo gaarne eens ernstig denken en beraadslagen, maar het was of haar gedachten een kluwen waren; telkens wond zij

[161:]

het garen op en juist als het klaar scheen, liet zij het vieren, het kluwen viel op den grond en zij moest weer opnieuw het oprapen en langzaam opwinden. Zij voelde zich dood op - anders stroomden haar tranen heel gauw, nu scheen de bron opgedroogd, haar oogen gloeiden en haar lippen brandden.
"Was het een droom of niet? Haar vader ongelukkig door haar, ja door haar en wat zei Ludo ook?
"O ja, 't zou zoo gezellig zijn, met hun drieën - neen hij begreep haar ook al niet. Dan had zij geen vader meer, maar nu dan? Vader dacht meer aan die andere dan aan haar. Zij was niets meer voor hem, niets! Geen woord van waardeering vond hij voor haar, en zij had toch zoo haar best gedaan, zij had zich zoo verheugd op zijn komst. Dom schepsel! en allen wisten het beter, Vader, Josephine, Ludo, ja zelfs Liesje!
Maar neen! zij wilde het niet, het mocht niet. Een vreemde zou hier niet komen. Zij zou haar plaats niet afstaan, zij, de dochter, de eenige dochter.
Zóó zij altijd geweest was, wat zij had moeten zijn, de huishoudster, de steun van haar vader, dan zou hij nooit op Josephine, die noch mooi, noch jong was, het oog hebben laten vallen - nu waardeerde hij haar huishoudelijke talenten, meer niet - zoo redeneerde zij in haar jonge wijsheid. Als zij haar vader maar overtuigen kon dat zij spoedig even knap zou wezen als Josephine, dan liet hij stellig dat plan varen, maar hoe zou dat gaan? Vader gaf haar immers geen gelegenheid. Hij keurde alles af, zond haar terug naar haar boeken.
Weer liet het garen los, het kluwen gleed haar uit de handen en zoo ging het door den geheelen nacht, totdat zij 's morgens opstond, ellendig van hoofdpijn en pijn in den rug en met zware oogen.
Liesje was al in de keuken en zette de thee; zij had netjes voor het ontbijt gedekt - en ldée wachtte

[162:]

op haar vader. Hij kwam heel laat beneden en beantwoordde heel koel haar goeien morgenwensch en morgenzoen; hij zeide niets en ook Idée beproefde niet het gesprek gaande te houden.
Zij ruimde alles op en ging tegen elf uur naar het college, maar voor niets had zij aandacht; het ging alles zoo slaapwandelend.
Zij kwam iets later thuis dan gewoonlijk en moest zich haasten de koffie klaar te krijgen, haar vader verscheen nog vóór dat alles in orde was en maakte op hoogen toon aanmerkingen - 't ging zoo niet langer, het was een schande dat hij alles niet klaar vond. Nu moest zij toch wel inzien dat het niet ging voor 't huishouden te zorgen en student te zijn tevens.
Idée antwoordde niet, maar haar handen beefden en haar lippen trilden.
Zij voelde dat haar last hoe langer hoe zwaarder werd, maar zij wilde het volhouden, hoe moeilijk het ook werd, en dien avond na een zeer onbillijke berisping, zeide zij zacht smeekend:
"Och Vadertje! Wil u dan geen geduld met mij hebben? Ik doe zoo mijn best!"
"Neen, 't gaat zoo niet. Of je studies lijden er onder of ik krijg het comfort niet, waaraan ik in den laatsten tijd gewend ben geraakt. 't Gaat zoo niet langer, wij breken 't huishouden op en trekken in pension."
"Och wat waren wij vroeger gelukkig," dacht Idée, "toen wij als zigeuners leefden, honger en koude leden, terwijl Baboe in de keuken knoeide; maar toen waren wij één, Vader en ik, maar nu zijn wij zoover van elkaar en het komt nooit in orde, vrees ik, nooit."
Het waren sombere dagen voor Idée; zij zag haar vader treuren en hangen, nergens lust in hebben, alles bevittend en bespottend wat zij deed. Zij voelde dat hij Josephine ieder oogenblik miste, alleen aan haar dacht en het niet kon verdragen dat zij haar werk deed.

[163:]

De toestand was onhoudbaar en langzamerhand werd het lichter in Idée's ziel; haar bittere jaloezie en wrok smolten weg, zij zag alleen dat haar vader zich ongelukkig voelde en dat zij er de oorzaak van was.
Eens vond Ludo haar in de voorkamer aan het bureau zitten, bleek, mager, treurig, zooals bij haar in de laatste maanden niet meer gezien had.
"Idée, wat ben je ongelukkig!"
"Ja, dat ben ik ook, maar Vader is nog veel ongelukkiger, 't kan zoo niet blijven. Je zei laatst dat je mij meer wilde zeggen als ik kalmer zou zijn. Nu ben ik kalm, wil je mij alles vertellen?"
"Wat vertellen?"
"Wel, wat je weet van Papa en Josephine."
"Och,'t is niets bijzonders. Je vader houdt van Josephine en zij ook van hem."
"Dat ik 't nooit merkte!"
"En toen hij Josephine ten huwelijk vroeg, heeft zij hem bedankt omdat zij niet tusschen jullie wou treden en daarom is zij heengegaan."
Idée zweeg een poos.
"En waar is zij nu?"
"Bij de freules Van Geel in Delft. Heeft zij je niet geschreven?"
"Neen, nog geen woord."
"Zij heeft flink alles afgesneden en toonde wel het meenens was."
"En geloof je werkelijk dat zij Vader had aangenomen als - als ik er niet geweest was?"
"Wel zeker!"
"Houdt zij zoo veel van mijn vader?"
"Ten minste genoeg om zulk een mooi aanbod niet te weigeren. Ik had gewild dat zij er eerst met jou over had gesproken, maar dat wilde zij niet. Dat was een zedelijke dwang, beweerde zij - en je verhouding tot je vader was zoo innig, dat zij er niet tusschen wilde treden, tot geen prijs."

[164:]

"Zij is er toch reeds tusschen," zuchtte Idée. "Stil, daar komt Vader aan."
De heer Sonerius kwam binnen met het offerlamgezicht zooals Ludo het in stilte noemde, dat hij in den laatsten tijd steeds vertoonde.
Er werd een oogenblik over onverschillige dingen gepraat, toen stond Ludo op en nam afscheid.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina