Max van Ravestein/Melati van Java: Aan d'overkant
Amsterdam: L.J. Veen, 1916
(tweede druk, eerste dr.1911)


Inhoudsopgave *

boekomslag

Aan d'overkant.

I. De pastorie van Varenberg en het gezin. "De zon scheen helder in de groote huiskamer der pastorie van Varenberg en het onbarmhartige licht verried, hoe kaal het kleed, hoe versleten de overtrekken waren, hoe verschoten en bijgeplakt de behangsels." Lezen

II. Achteruitgang van Mietje. "Moeder moe, afgetobd, had sinds lang alle zucht tot gratie afgelegd. Na haar laatste bevalling was zij niet goed meer op krachten gekomen. Zij liet tegen haar gewoonte veel van het huiswerk, aan de meisjes over, maar altijd als "Paatje" het niet merkte, want Paatje was zoowel van de gemeente als van het huis "de Baas". Met zijn autocratische natuur kon hij hier gelegenheid vinden zijn aard vrij uit te vieren." Lezen

III. Lucy wijst de Indische Tom Hardy af. "- Ik zoek geen roem, ik zoek liefde...
- Die vind je gewoonlijk heel dicht bij den roem - en bij de hopjes.
- Liefde van jou...
- O hemel! Is 't zoo ver? Foei, hoe banaal en saai! Dan keer ik dadelijk om.
- Neen, blijf! Heb je nooit iets gemerkt van mijn gevoel, hoe ik om niets ter wereld geef dan alleen om jou? - Nu is alle aardigheid er af. Wij gingen zoo prettig en gezellig met elkaar om en dachten aan niets.
- Ik wel!
- Is dat mijn schuld? Waarom ben je zoo gek, je weet toch, dat het niets geven kan, hoe je denkt, of niet denkt. " Lezen

IV. Lucy terug in de familie. Haar oom Gerard is er ook. Zelfmoord van Tom. "- U is pas twintig geweest, plaagde Lucy en wierp hem een klimoptak om den hals, u is vrij wat pittiger en fermer dan die ouwe, jonge jongens van tegenwoordig. Pia sloeg haar onbevangen manier om met Gerard om te gaan, wel eens ongerust gade, maar zij durfde niets zeggen. Lucy scheen zoo onschuldig, zoo te goeder trouw, zoo kinderlijk, dat het verkeerd zou zijn haar te herinneren, dat Gerard een flinke man was in de kracht van zijn leven, die eigenlijk nooit tijd had gehad aan vrijen en trouwen te denken." Lezen

V. Door verdriet om Tom verlooft Lucy zich met Gerard. "- Oom en ik zijn verloofd, hoe vindt u dat, moedertje? Dan word ik uw zuster en van tante Pia, leuk hè, en de tante van de jongens, U vindt het toch goed, Bets? en Pa is alles best, wat u goedvindt. - Maar Gerard, begon Elisabeth, wat doe je overijld! Hij liet zijn meisje niet los en drukte haar vaster tegen zich aan. ' - Laat haar mij, smeekte hij, ik 'kan niet meer buiten haar en ik zal zoo goed voor haar zijn - zoo lang ik leef." Lezen

VI. Geloofsleven van Mia. "Sedert Agnes' terugkeer kwam er een vreemde geest in het huis, zij sprak ruim en vrij over godsdienstzaken tot angst en ergernis van Mia, die er physiek zelf onder leed wanneer alles, haar zoo heilig en intiem, door het loslippige zusje zonder eenige reserve of eerbied werd besproken en bespot." Lezen

VII. Bespreking van geloof en geloofstwijfels. "- 't Schijnt toch van wel, en twijfelen moet ook beter zijn dan weten - zeggen ze, - en toch als ik in de rechten of de medicijnen studeer, dan weet ik waar ik aan toe ben, wat de proffen mij leeren staat op vaste basis. - Allen zijn het er over eens: dit leert het Romeinsche recht, dat de bacterologie of wat dan ook. Ik kan mijn kennis opbouwen uit hun lessen, - maar in theologie sta

ik te waggelen, ik weet niet of ik voor of achteruit moet gaan om niet te vallen in den afgrond van het ongeloof."Lezen

VIII. Lucy is bij haar vriendin Mia en left uit waarom ze met oom Gerard is verloofd: "Lucy werd niet moe haar vriendin alles te vertellen van den tocht op de "Nancy", van het vreeselijke geval met Tom Hardy, van haar berouw, haar boete." Gerard is niet gelukkig. Gesprekken over geloven. Lezen

IX. Bruno Wegers stuurt zijn vader (de domine) een brief dat hij wegens geloofstwijfels niet meer voor predikant kan studeren. Zijn ouders zijn diep bedroefd en ontsteld. "Hij wilde in geen twistgesprek met hem treden, de toestand zijner moeder ontnam hem allen moed en strijdlust, maar met de Kerstdagen wenschte hij zijn plichtvergeten zoon niet aan den huiselijken haard te zien, - hij zou de waardige stemming van het feest maar verstoren door zijn afval, daarna echter wachtte hij hem thuis om de zaak ernstig te bespreken. Was geteekend: Uw Vader." Lezen

X. Pia en tante Cecilie over Gerard en Lucy, over geloven. Bruno weet niet of hij van Lucy houdt: "Had hij omdat zij katholiek was, zijn eigen godsdienst beginnen te wantrouwen, - was zij de onschuldige aanleiding geweest tot zijn ernstig onderzoek, dat hem reeds zoo ver had gebracht, - had hij haar Kerk lief, zooals hij haar liefhad, diep, vurig, innig, voor altijd? " Hij gaat mee naar de nachtmis die veel indruk op hem maakt. Lezen

XI. Familiperikelen. "'t Avondgebed bracht tranen in Bruno's oogen - hij vernederde zich met de anderen voor God, Hem vergeving vragend voor de fouten van den dag..." Lezen

XII.Bruno in gesprek met zijn moeder. Zij ziet dat Bruno verliefd is op Lucy. "- Arme jongen, zie je wel, dat is het vooral - en zijn hoofd in haar armen nemend, drukte zij het vast tegen haar borst; hij huilde tegen zijn moeders hart, zijn bittere smart uit - en zij snikte mee, toen maakte hij zich langzaam los en ging naar het raam." Lezen

XIII. Bruno verlaat na de confrontatie het ouderlijk huis: "- Ja, ik leg u dat arrest op, voor den tijd dat u hier in huis zijt; zoodra u tot betere gedachten zijt gekomen, hef ik het op. - En anders? - Dan kan u heengaan als u het wenscht, maar dan blijft de deur, die achter u toeslaat, voor goed voor u gesloten. Ik trek mij niets meer aan van uw toekomst, van uw verdere wegen - u is meerderjarig, kan doen wat u wil." Lezen

XIV. Feestelijke bijeenkomst in de Apollo van een liefdadigheidscommissie: verschillende standen en welvaartsniveau's zijn aanwezig. Beschrijving van de wrijvingen. Bruno en Lucy praten over haar voorgenomen huwelijk. Men plaagt hem met zijn godsdienst: "- Ja, dominé, of is zoo'n dans voor uw bedeesde oogen te weelderig? Wees maar niet bang, wij zijn omringd door de roomsche élite, je zult niets zien, wat je puriteinsche oogen of ooren kwetst - ten hoogste een paar centimeters hals of bloote armpjes - die zie je bij je zusters ook wel, als zij de wasch doen! Bruno antwoordde niet, hij hoorde haar nauwelijks." Lezen

XV. Lucy heeft gedanst in de Apollo en kan daarna nauwelijks tot rust komen: "- Wat bezielde mij toch, wat deed mijn ziel zoo zweven en zingen en bidden terwijl ik danste, wat ontrukte mij zoo aan mijzelf, - wat was het toch...? En toen schrikte zij plotseling, een huivering doorvoer haar ziel, zij liet zich achterover vallen, de handen voor de oogen. - Bruno... hij... o... 't was voor hem - neen, neen!ik wil niet denken, ik mag niet - "Lezen

XVI. Tante Cecile over o.a. Lucy en de Roomsen: "- Braaf, roomsch meisje waar zijn die tegenwoordig? Zij doen allerlei dingen, die je niet van hen mag verwachten. Zij worden student, zij fietsen met jongelui, zij roeIen en sporten en spelen komedie - ~Zij trekken het land door zonder chaperon, verbeeld je zoo iets in onzen - ja, zelfs in jouw tijd - zij vragen zelfs haar man, en daarvoor worden vereenigingen opgericht van tooneel en gymnastiek of andere springerij, en dan zetten zij er R. K. voorop en zij krijgen er nog een pastoor of kapelaan bij als adviseur - een mooie wereld is het, waar moet het naar toe - als de geestelijken zelfs meedoen? Lezen

XVII. Lucy hoort dat Toms zelfmoord een ongeluk is geweest. Nu verlangt ze meer naar Bruno: "Toen Lucy hem zag, scheen alles rondom haar verheerlijkt - zij had dien heelen avond en dag zich maar telkens toegeroepen: "Ik wil niet nadenken - er is niets aan te doen - alles moet blijven zooals het is..." maar toen zij Bruno zag, ontvlamde in haar plots een heftige begeerte naar geluk, naar liefde, naar bedwelming - naar vergeten..." Lezen

XVIII Verscheurd tussen Tom, Gerard en Bruno, met kwellende gedachten over God, wordt Lucy ziek: "Zij stond op, maar zij duizelde, alles warrelde om haar heen, met moeite bereikte zij den divan, viel neer huiverend, tandenklapperend, hijgend naar adem." Lezen

XIX. Artsen erbij, Lucy blijkt erg ziek: "- Hoogst zenuwachtig! Hoe het hart werkt, kan ik nog niet dadelijk zeggen, wat dunkt je, als wij morgen Jeurissen er bij haalden."Lezen

XX. Lucy is thuis en volgens haar wens bbediend: "Reeds dadelijk na haar aankomst vroeg Lucy zelf om bediend te worden. - Ik voel mij dikwijls of ik zoo sterven ga, zeide zij, en ik wil voorbereid zijn op alles.
De dokters vonden echter bedienen nog niet noodig - maar nu haar geweten rein was van alle kleine zonden en overtredingen, nu niets meer haar benauwde of beangstigde, scheen zij veel kalmer en gelukkiger, - zij voelde zich zoo goed, zoo kinderlijk rein - en haar gelaat straalde blijde als de priester haar wekelijks kwam voeden met het Brood der sterken, als de Koning der koningen haar bezocht in haar eenvoudig, lief kamertje, als de goddedelijke glorie haar kwam omstralen en verheerlijken. Dan bleef zij met gevouwen handen als verzonken in stille extase - alles vergetend, in stille herdenking van het groote geluk dat in haar was gekomen."Lezen

XXI. Sterfbed van Lucy, gebeden: "Wij bevelen u liefste zuster! aan de barmhartigheid van den Almachtigen God, wiens schepsel gij zijt - die u vormde uit de aarde, waartoe gij terug zult keeren... dat uw ziel, uw lichaam verlatende, ontvangen worde door het schitterende koor der Engelen, dat de raad der Apostelen tot u kome, dat de triomfeerende rij der Martelaren u begroete..." Lezen

XXII. Mia vertelt haar ouders dat ze in het klooster wil treden. Die staan er minder positef tegenover: "- Ik heb er voor gevreesd en mama ook. Gisteravond sprak zij er nog van, natuurlijk ziet zij het met heel andere oogen aan, dan jij en - ik en onze familie. - 't Doet ons niet het minste plezier, dat begrijp je wel. Je kunt even goed godsdienstig leven in de wereld als in het klooster; Ik zie het niet in, waarom het verdienstelijker is andere kinderen te leeren, of vreemde zieken te verplegen, dan je eigen familieleden. In de wereld kan je nog veel meer goed doen, als je het maar zoekt.
- Dat weet ik wel, vader maar u is katholiek en u weet toch als God je roept, dan moet je gaan, al valt het je nog zoo zwaar." Lezen

XXIII. Overlijden en bescheiden erfenis van tante Cecile. Treurnis om Lucy e besluit van Mia. Gesprekken over de betekenis en waarde van jong sterven en het kloosterleven. "- Had ik mijn Lucy nog maar, zuchtte Theo, desnoods als Carmelites. - Dat is onchristelijk gezegd van iemand zoo fijn als jij, viel Alfred uit, en dan nog, dan nog.. . ik zelf zou er mij nog misschien in schikken, maar mijn arme vrouw is wanhopend, verbitterd tegen alles wat roomsch is. Ons heele huishouden lijdt mede, als dat de vrucht is van Mia's vroomheid, dan bedank ik er voor." Lezen

XIV. Bruno aanvaardt de onverzoenlijke houding van zijn vader (de dominee). Mita gaat naar familie in Den Haag. Gesprekken met familie over de recente ontwikkelingen. Ze ontmoet haar zusters. Sophie vertelt over de ontmoeting met een roomse verpleegster: "Omdat elke zieke voor ons Christus is... Zij zag op naar het groote kruis aan den muur - ter liefde van Hem valt ons niets zwaar meer. - En toen begreep ik het hoe Zijn leer goed gevolgd, de menschen hoog kan doen stijgen, hooger dan wij ons verbeelden kunnen, hen tot echte Uebermenschen maakt en dat Zijn stem nog altijd door de wereld klinkt, naar d'overkant. Hij heeft Felix geroepen en Benno en Mia... en 't helpt niets of jij je verzet en tegenstribbelt zooals ik eens deed."

Lezen

XV. Laatste hoofdstuk. Lezen

Verantwoording*

De inhoudsopgave is gebaseerd op Aand'overkant (1916). In deze uitgave is in de hoofdstuknummering niet helemaal correct; de volgorde is hier aangehouden en tussen [vierkante haken] is het juiste hoofdstuknummer toegevoegd. Voor kennelijke fouten die aan mijn waarneming zijn ontsnapt, hou ik me aanbevolen.

Vilan van de Loo