Max van Ravestein/Melati van Java: Aan d'overkant
Amsterdam: L.J. Veen, 1916
(tweede druk, eerste dr.1911)


[179:]

XX.

Lucy was naar huis vertrokken, zoodra zij zich wat beter gevoelde. Zij had er om gedwongen, Gerard vond het verkeerd, heel en al verkeerd; zij had hier in Amsterdam zulke goede geneeskundige hulp en verpleging alles prima, maar zij wilde weg, naar vader en moeder.
Elisabeth kwam haar halen, zij was tamelijk wel bij het vertrek, met geweld hield zij zich op, maar zij voelde zich zwak en mat. De auto van mevrouw Ameland bracht haar, haar moeder en Pia naar Nijmegen.
Nu lag zij in haar eigen lief kamertje, in haar eigen wit bedje, met vlak voor haar het raam, dat zich opende op het heerlijke, jonge lentegroen; de vogels kwamen zmgen op de vensterbank, ter eere van haar, die hun dagelijks van broodkruimels pleegde te voorzien.
De blijde zonnestralen zeefden door het teere, zachte groen vriendelijk naar binnen - 't was er zoo rustig, zoo kalm, heel anders dan in Amsterdam, waar de zware wagens hotsten over de straatsteenen :en de hortende schokken en schelle signalen der taxi's de stilte verscheurden en drongen in de ziekenkamer ~ ja, 't was goed hier te zijn, hier ziek te liggen! zoo rustig, zoo vredig na het jagen van den laatsten tijd.
Zij voelde zich gelukkig; noch verleden, noch toekomst beangstigden haar meer, 't was of zij slechts wachten moest op een groot, een onzegbaar geluk, of alle duisternis achter haar lag en niets dan licht en gloed haar zouden omstralen.
Zij vroeg naar niets, zij lag maar te staren naar het doorzonde gouden groen, als een scherm voor haar raam

[180:]

gespannen en te luisteren naar het gekwinkei der vogeltjes, stil glimlachend als er een naar binnen tripte, met verwonderde oogjes turend naar het witte meisje op de blanke kussens, tusschen wier wasbleeke vingers langzaam de zilveren koralen van haar rozenkrans gleden.
't Was zoo'n gemakkelijke zieke; alles vond zij goed, niets wenschte zij. Voor alles, voor het kleinste bewijs van vriendelijkheid was zij dankbaar, zij sprak weinig, bijna niet uit zich zelf, en dat vond haar omgeving juist zoo vreemd en onnatuurlijk. Lucy in haar gezonde dagen juist zoo levendig en druk, daar te zien nederliggen, mat en zwijgend, met niets sprekends in haar, dan de groote, onnatuurlijk schitterende oogen.
Rust was haar voorgeschreven, groote rust, en rust genoot zij dan ook hier ten volle, niets kwam de rust verstoren, - somtijds alleen begon haar hart wild te jagen en snakte en hijgde zij geheel uitgeput naar lucht en bleef uren lang met gesloten oogen liggen, stil als een doode.
Pia was teruggekeerd naar Amsterdam. Gerard kwam geregeld haar bezoeken, zij ontving hem vriendelijk, gelaten bijna, niets zeggend dan een paar lieve, aardige woordjes, - hij ging heen, verdrietig, moedeloos, reeds geheel er van overtuigd, dat nooit, nooit hun huwelijk zou plaats vinden.
Elisabeth verpleegde haar alleen, zij duldde niemand naast zich, zij sliep met de naaste kamer, bij elk geritsel, bij elke beweging der zieke was zij dadelijk op. Verzwaard werd haar taak door de onrust van Theo, die telkens weten wilde hoe 't met haar was, hoe zij zich voelde, of zij niet beter werd. In de ziekenkamer maakte hij het kind onrustig door zijn zielsbedroefd gezicht, zijn herhaalde vragen, zijn blykbaar ongeduld dat er maar geen vooruitgang vieI te bespeuren.
Reeds dadelijk na haar aankomst vroeg Lucy zelf om bediend te worden.
- Ik voel mij dikwijls of ik zoo sterven ga, zeide zij, en ik wil voorbereid zijn op alles.
De dokters vonden echter bedienen nog niet noodig - maar nu haar geweten rein was van alle kleine zonden

[181:]

en overtredingen, nu niets meer haar benauwde of beangstigde, scheen zij veel kalmer en gelukkiger, - zij voelde zich zoo goed, zoo kinderlijk rein - en haar gelaat straalde blijde als de priester haar wekelijks kwam voeden met het Brood der sterken, als de Koning der koningen haar bezocht in haar eenvoudig, lief kamertje, als de goddedelijke glorie haar kwam omstralen en verheerlijken. Dan bleef zij met gevouwen handen als verzonken in stille extase - alles vergetend, in stille herdenking van het groote geluk dat in haar was gekomen.
In den eersten tijd als zij stil lag te sluimeren, dan was het haar soms of zij heel in de verte Tom's viool hoorde, die haar aan zijn zijde riep, of wel zij was weer in de feestzaal en danste, danste zonder van eindigen te weten, dan werd zij met een schok wakker, angstzweet bedekte haar leden, hart en slapen hamerden, klopten wild - zij gaf soms een gil van ontzetting en klampte zich aan de lakens vast ro waren doodsangst - maar die aanvallen werden nu steeds zeldzamer. Het was of de muziek steeds verder, zoeter en stiller klonk, in wilde passie zich niet meer uitend, maar bedarend, troostend, en zij danste in haar geest altijd langzamer, op een statig rhythme, stil, plechtig bijna, zonder dat het haar vermoeide.
George kwam meestal om de veertien dagen, de week in Nijmegen eindigen.
- Bruno vraagt altijd met zooveel belangstelling naar je, zeide George. Hij ziet er zorgvol uit, hij schijnt hard te studeeren en zich zijn verbanning van huis erg aan te trekken. Hij leert bij Pater Z. en:ik denk wel dat hij tegen Pinksteren zal worden aangenomen. Hij vroeg mij zijn peet te worden.
Lucy glimlachte blijde, maar sprak niets.
- Ik vroeg hem, ging George argeloos voort, van eens mee te komen, zich hier te ontspannen, maar hij wilde, niet, hij gunt zich geen tijd...
- 't Is ook beter, fluisterde zij, groet hem van mij en zeg, dat ik veel voor hem bid - en later nog meer.
Eens vroeg zij naar Mia.
- Waarom komt zij mij niet bezoeken?

[182:]

- Zij heeft er reeds zoo dikwijls om gevraagd, maar wij vreesden, dat het je te veel zou vermoeien.
- O neen! Ik verlang naar haar, zij geeft rust.
Mia was er reeds den volgenden dag, zij schrikte toen zij Lucy bleek en zwak terug zag, en kon haar tranen met verbergen.
- O, die losse traanklieren van jou, lachte Lucy, kom, er is meer reden tot lachen dan huilen - als ik bleef leven, dan zou het aan mij zijn traantjes te laten in de toekomst. Voor zulke schepsels als ik, is het leven zoo wreed - maar God is goed...
En toen zij samen waren, zonder dat iemand het hoorde, bekende zij:
- Ik heb mijn korte leven reeds zoo verknoeid; twee mannen, misschIen drie maakte ik ongelukkig.
- Maar kind, hoe verzin je het?
- 't Is zoo! Tom Hardy, oom Gerard en - en - Bruno.
Mia staarde haar verbaasd aan.
- Ja, je weet het niet. - Bruno en ik wij hebben mekaar lief en - merkten het te laat - al spraken wij het niet uit, geen van beiden.
- Neen, neen! niet te laat! Er is niets verloren!
Zij schudde het hoofd.
- Alles is zoo goed. Praat er niet meer over, Mies! Hoe minder er over gezegd wordt, hoe beter, --: ook voor hem!
Eenige dagen later vroeg zij zelf weer, of zij het heilige Oliesel mocht ontvangen; haar familie schrikte, maar den dokter scheen het bijzonder genoegen te doen. Hij had reeds dagen lang plan gehad er over te spreken maar zag er tegen op, haar leven ebde immers langzaam weg, het hart werd steeds trager en onregelmatiger, zij had soms flauwten, die hem onrustwekkend vóórkwamen.
- Tante Pia moet er bij zijn - sprak zij.
- En Gerard?
- Neen, zeide zij beslist, hij niet, - en een oogenblik later - 't Is te hard voor oom, dezer dagen zou het zijn trouwdag zijn en nu...


inhoud | vorige pagina | volgende pagina