Max van Ravestein/Melati van Java: Aan d'overkant
Amsterdam: L.J. Veen, 1916
(tweede druk, eerste dr.1911)


[183:]

LVV [=21:]

Mia versierde het altaartje naast het ledikant met veel lentebloemen en brandende kaarsen.
- 't Moet alles zoo mooi zijn om onzen goddelijken gast te ontvangen en ik wil zelf ook mooi zijn - mijn wit kanten peignoir uit mijn uitzet - ze lachten er zoo om - vee te chic voor een hollandsch burgermeisje, werd er gezegd...
Zij zag er zoo kinderlijk uit met het rosgouden haar in een dikke vlecht over haar schouder vallend - haar oogen vol van vreemde schittering, in vurige aanbidding gevestigd op de kleine pyx, waarin zich de heilige Hostie bevond, die de priester op het altaartje neerzette.
Zij knielden allen neer, haar vader in stomme smart, Elisabeth, Pia, die reeds zoo vaak aan sterfbedden hadden gestaan, rustig, onderworpen, Mia vol leven en schoonheid gereed te sterven voorde wereld, de beide broers, wien het zoo ongelooflijk voorkwam, dat zij hun ging verlaten, het lieve zusje, hun kleine prinses.
Zij richtte zich half op en klopte op haar borst vol berouw:
- Heer, ik ben niet waardig dat gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts een woord en mijn ziel zal gezond worden.
De priester hief de Hostie op:
- Custodiat Corpus Domini animam tuam, in vita maeternam. Amen. Het lichaam des Heeren beware uw ziel ten eeuwige leven!
Nu naderde de priester met de H. Olie het bed en sprak met plechtige stem: Oremus! Laat ons bidden.
- Almachtige, oneindige God! die door uw Apostel, den H. Jacobus, hebt gesproken: Is er iemand onder u ziek, dat hij de priesters der Kerk roepe, opdat hetgeen door onze bediening uiterlijk wordt vervuld, innerlijk moge werken door uw goddeliike genade en onzichtbaar door uw vergeving, door onzen Heer Jezus Christus. Amen.
Toen de oogen van het kind zalvend, sprak hij:
- Moge de Heer, door Zijn liefdevolle genade, u alles vergeven, wat gij gezondigd hebt door uw oogen! Arme, mooie oogen, die zoovele harten in liefde hadden ontstoken, die alles zoo ten volle konden genieten wat

[184:]

er schoon was in de wereld, in natuur en kunst... Door deze heilige zalving... en nu waren het de ooren, de neusgaten, de lippen, die zoovele lieve, zoete woorden hadden gesproken, de handen, die zich ver uitgestrekt hadden tot 's levens vreugde, de voeten - nog zoo kort te voren in bevallige beweging trippelend, toen zij den dans der engelen uitvoerden.
Daarna sprak hij haar vrij van alle zonden en straffen der zonden, in naam van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest.
Nadat de heilige handeling voorbij was, daalde rust, groote rust over het huis neer, het offer was gebracht.
Wat God gegeven had, zou men Hem terugschenken, nu Hij er om vroeg, en al scheurde het hart, al stroomden de oogen, Zijn wil werd geprezen, Zijn naam geloofd nu en in alle eeuwigheid.
Tot Pia sprak de zieke zacht:
- Tante, toen mijn moeder stierf noemde ieder het een geluk en ik ben zoo dankbaar, dat God mij zoo jong roept, juist als de strijd beginnen moet... en men mij nog betreuren mag.
- Stil kind, stil! Je moeder wacht je in den hemel.
- Zou u denken? Is het zonde, dat ik zoo wenig van haar houd, veel meer van u en van ma Elisabeth?
En tot haar vader en de jongens sprak zij:
- Als jullie samen zoo gezellig bijeen zit of wandelt, denk dan, Lucy is er ook nog bij, ik verlaat jullie nooit.
- Ons aardsch geluk is weg, voor goed,,snikte de arme vader.
- O neen Theo, plaagde zij, flink hoofd en hart naar boven. Sursum corda, zeggen ze in 't Latijn.
Van Gerard zeide zij: '
- Neen, laat hij niet meer komen, mijn lieve, goeie oom! Hij is nooit iets anders voor mij geweest en als hij 't later ook niet geworden was, zouden wij beiden ongelukkig zijn geweest. 't Was een dwaasheId... ik weet het nu zoo goed, maar ik deed altijd dwaze streken en wie weet, wat ik nog had uitgehaald! Dat ik zoo jong heenga, is mijn eerste wijze daad.

[185:]

Nog even sprak zij over Tom Hardy.
- Nu offer ik mijn leven misschien nog beter op voor zijn ziel. Arme jongen! zoo te sterven, wat heb ik veel voor. Wie had kunnen denken toen wij zoo onbezorgd deden, dat wij beiden - binnen het jaar - moesten gaan...
Zij bleef vroolijk en trachtte allen nog op te wekken en te troosten; niemand vooral mocht denken, dat zij ongaarne of verdrietig heenging.
- Neen, neen! 't Is zoo goed, zoo gemakkelijk...
Maar toch werden haar oogen soms vochtig, kwam een trek van droefheid over haar lippen.
- De aarde is zoo mooi - en dan reeds heengaan - neen, neen, de hemel zal veel mooier zijn - en zonder einde.
Eens dat zij alleen waren, boog Mia zich over haar en fluisterde haar eenige woorden toe.
- O Mia! het hoogste, het beste deel - zij vouwde haar handen en zag haar nichtje eerbiedig bewonderend aan - Maria, geen Martha! Ik zal bidden voor je volharding, want terugkeeren is zoo zielig. - Hij is onze bruidegom, ook mij roept hij: Veni Sponsa mea! Al 't aardsche zinkt weg. Hij alleen blijft!
Eenige dagen later waren de kaarsen ontstoken, om het reine jonkvrouwen-bed, waarop Lucy haar laatsten strijd voerde, allen knielden neer, zacht snikkend en telkens versaagden de stemmen bij het antwoorden op de litanie door den priester voorgebeden,
- Van de gevaren des doods.
- Van alle kwaad...
- Van de macht des duivels..
- Door uw geboorte.
- Door uw glorierijke verrijzenis...
- Verlos haar Heer!
- Wij zondaren, wij smeeken u, verhoor ons!
En toen verhief zich zijn stem...
- Vertrek Christen-ziele uit deze wereld, in naam des Almachtigen Vaders, die u schiep, in naam van Jezus Christus, den Zoon van den levenden God, die voor u leed, in naam van den Heiligen Geest, die zich in u uitstortte... in naam der Engelen en Aartsengelen - in

[186:]

naam der Aartsvaders en Profeten... van alle Belijders en Martelaren - van alle Maagden en Heiligen. Dat de vrede heden uw deel zij en het heilige Sion uw woonplaats...
- Barmhartige goedertieren God! vergeef haar, zie genadig neder op uw dienaresse, Lucretia, Maria, Anna, vergeef haar alles wat zij misdeed door aardsche zwakheid... heb medelijden met haar zuchten en tranen, zij, die geen ander vertrouwen heeft dan op Uw barmhartigheid...
- Wij bevelen u liefste zuster! aan de barmhartigheid van den Almachtigen God, wiens schepsel gij zijt - die u vormde uit de aarde, waartoe gij terug zult keeren... dat uw ziel, uw lichaam verlatende, ontvangen worde door het schitterende koor der Engelen, dat de raad der Apostelen tot u kome, dat de triomfeerende rij der Martelaren u begroete, - dat het jubelende koor der Maagden u omringe en gij in den schoot der Aartsvaders de heilige rust geniete, - dat het zoete gelaat van Christus Jezus u verschijne, en u tusschen de zaligen eens plaats aanwijze... Dat de duivelen en de legioenen der hel terugwijken... en de gekruisigde Christus... u van den eeuwigen dood verlosse... dat Hij, de Herder, u erkenne als een zijner lammeren, u al uwe zonden vergeve, en plaatse aan Zijn rechterhand onder zijn uitverkorenen... dat gij in het leer der gelukzaligen het aanschijn Gods moogt schouwen, m de eeuwen der eeuwen...
- Heer - gedenk de fouten harer jeugd niet en haar onwetenheid... maar herinner U alleen Uw barmhartigheid en voer haar in de glorie van Uw heerlijkheid. Dat de hemelen zich openen, dat de Engelen zich met haar verheugen... dat de H. Michaël, de vorst der hemelsche legermachten haar ontvange, dat de Engelen Gods haar geleiden in het hemelsche Jeruzalem.
En haar lippen bewogen zich en haar wasbleeke vingers hielden de blanke kaars omvat, en haar oogen, voor wie de aarde zich meer en meer omnevelde, zagen nog eens haar geliefden aan, zij glimlachte als tot troost of als groet aan hen, wier leven haar heengaan verdonkerde.
- In Uw handen Heer, sprak de priester haar toe, beveel ik mijn geest...

[187:]

Zij was reeds verre, haar oogen vielen toe, de doodsstrijd begon.. .
- Jezus - o zoete Jezus - kom... tot mij... -
't Was meer gezucht, dan gesproken...
- O mijn kind, mijn kind! snikte haar vader. O God! vraagt mij het zwaarste en toen... haast onhoorbaar:
- Heer! Gij hebt mij haar gegeven - ik geef haar U terug... Uw wil, Uw wil... geschiede - nu altijd - in eeuwigheid!

Toen Lucy in de rouwkamer lag, op het sneeuwwitte praalbedt tusschen leliën en rozen en witte seringen, den rijken bloei der jonge, blijde lente, verzoette nog steeds haar laatste lach vol bovenaardsche zoetheid het strakke, teere albast van haar gelaat.
Bij de baar knielde Dr. Gerard, doodsbleek, zijn smart bedwingend uit al zijn kracht, hij was oud geworden in de laatste weken - zijn haar scheen dunner en grijzer, zijn blik doffer.
Zacht en geruischloos kwam Bruno binnen, bedeesd en bescheiden als betrad hij verboden grond.
Gerard zag op en toen Bruno neerknielde en haar witte vingers kuste, begreep hij plots, hij, die zoo veel beter de geheimen kende van de lichamen dan van de zielen; even schrijnde bittere jaloezie in zijn doorwonde ziel, maar zich overwinnend, sprak hij:
- Bruno, jij ook!
En hij richtte hem op, sloeg zijn arm om zijn schouders.
- Zij was mij alles, snikte hij, zij heeft mij geroepen tot haar God, tot haar geloof. Ik had haar lief zonder eenige hoop, zonder eenig verlangen - O u kan het mij niet verwijten... en haar ook niet..; wij spraken over niets... nooit.
- Ik heb mij vergist, zuchtte Gerard, lente en herfst hooren niet bij elkander - 't ware beter geweest... - o leefde zij nog maar - niet voor mij....maar voor jou...
En toen drukten zij elkanders handen. Geen van beiden kon haar meer verliezen!


inhoud | vorige pagina | volgende pagina