Max van Ravestein/Melati van Java: Aan d'overkant
Amsterdam: L.J. Veen, 1916
(tweede druk, eerste dr.1911)


[30:]

IV.

Bij de Duroy's heerschte groote vreugde toen Zus haar terugkomst telegrafeerde. George, de student, en Frank, de seminarist, haalden haar met vader en tante Pia af; zij verwachtten haar stralend van vreugde te zien, in plaats daarvan stapte uit den trein, een rillend, bleek meisje met ingevallen oogen en slordig opgestoken haar, dat zich als hulpzoekend in vaders armen wierp.
- Maar kindjelief! wat is er gebeurd? vroeg Dr. Duroy, een deftig oud heer met grijzen baard, die vooral zittend een goed figuur maakte, want zijn beenen en armen waren overdreven lang als hij liep, bengelden zij er bij, of zij los zaten en van bordpapier waren.
- Och vadertje, ik ben zoo zeeziek geweest. Dag jongens, dag tantelief! Hoe jammer dat u met in Amsterdam was, dan zou ik eerst bij u gebleven zijn tot ik wat opknapte en er niet zoo ellendig uitzag.
- Kon je dan niet bij tante Nans blijven?
- Neen, ik verlangde te veel noor huis.
Toen Lucy den volgenden morgen na een heerlijken, rustigen nacht wakker werd in haar eigen kamertje en haar eigen bedje, wierp de zon, haar goudlicht door de wit tullen gordijnen, waartusschen, de blauwe lucht schemerde. Zij sprong op en 't scheen of al het verdriet van de laatste dagen gedroomd was, alleen een beetje melancholie bleef achter - maar dit was niets meer dan donzige wolkjes over helderen hemel drijvend. 't Leek zoo ver achter haar, het jacht, en Shanklin en tante Nans.
Zelfs Tom Hardy doezelde weg, in ver verschiet.
Toen zij opgewekt beneden kwam ende lieve gezichten

[31:]

zag, opklarend door haar lach, werd zij weer ouderwetsch vroolijk en begon te vertellen van het leven op zee, en aan land; de jongens zagen haar benijdend aan.
- Mijn ideaal, zoo'n tocht! riep George, als ik rijk word, schaf ik mij een jacht aan. Waarom vroeg tante mij er niet bij?
- Och, filosofeerde Frank, wij zijn niet zoo chic, als onze aristocratische zuster, die is geboren voor auto's en jachten, wij voor aapjes en trekschuiten.
- Ik had het jullie graag gegund, zuchtte Lucy en haar gezichtje omwolkte zich weer, ik ga nooit meer weg, in der eeuwIgheid niet.
Op een lange wandeling met Pia stortte zij haar hart uit en al vertellend, vergrootte zij zonder het te bedoelen haar liefde voor Tom, idealiseerde haar gevoel en haar gedrag alsof het een groot offer gold, dat zij haar liefde had gebracht en of het haar veel, veel verdriet kostte.
't Was zoo zalig tante Pia alles toe te vertrouwen.
Zij begreep je dadelijk, zij leefde met je mee. Moeder was ook lief en goed, maar zij stond te hoog boven al dat kleine gedoe en dan ~ er was iets, dat haar de lippen sloot tegenover Elisabeth. - Zij wist dat haar eIgen ouders met gelukkig waren geweest door haar moeders schuld, - bij de Erlenburgen had zij er genoeg van gehoord, - en hoewel men haar steeds had geleerd voor Mama in den hemel te bidden, voelde zij als bij instinkt dat haar moeder geen heilige was geweest en nu had tante Nancy, haar eigen zuster, het haar kind zoo onbarmhartig in het gezicht geslingerd - meer dan ooit schaamde zich Lucy tegenover moeders opvolgster en nu begreep zij ook, waarom zij die twee Lucy's zoo moeilijk in toom kon houden.
En aan tante Pia durfde zij alles zeggen, zelfs het ergste, dat verwijt aan paar moeder, waarop zij niet kon antwoorden. Elisabeth verblijdde zich omdat Lucy zooveel vertrouwen in Pia stelde, zij was er niets jaloersch om- integendeel! Tusschen haar en Lucy stond nog altijd de doode EIsa - soms was het haar of Lucy door een woord, blik of gebaar haar herinnering opriep. Zonder

[32:]

het te bekennen was zij angstig voor die bleeke schim.
Zij huiverde als zij iets in Lucy terug vond van de verdoolde moeder en daarom stelde het haar gerust dat Pia haar leidde en met het angstwekkende in het kind den strijd aan durfde, waarvoor zij den moed miste en dat zelfs de vader niet scheen te vermoeden.
Na eenige dagen klonk Lucfs parellach weer door het huis, hartelijk liefkoosde zij haar ouders, stoeide plaagziek met de jongens, werkte zoo ijverig dat Elisabeth en Pia den geheelen dag konden rentenieren, zooals zij het noemde, hoewel de keukenmeid ziek naar huis moest.
Zij kookte alle lievelingskostjes voor het gezin, hield de kamers in orde, tornde een japon van haar moeder uit om ze te moderniseeren - want mijn moedertje mag er niet ouderwetsch uitzien. Ik wil haar mooi hebben zoodat tante Nans er niets bij is met haar schwung. - 't Staat zoo anti-diluviaansch die wijde mouwen en die sleep.
Pia vertelde haar zuster in het kort wat er gebeurd was.
- Zie je wel, verontwaardigde zich Elisabeth. Ik was er al bang voor. Theo had het niet moeten toestaan. Wanneer ik de eigen moeder was geweest, zou het nooit gebeurd zijn maar de Erlenburgen verwijten mij al genoeg mijn bekrompenheid in de opvoeding. Verbeeld je dat Lucy minder verstandig was, de ellende zou niet te overzien zijn geweest..
- Van de Wailers heeft ze voorloopig genoeg. Nans heeft haar schandelijk behandeld, zelfs geslagen en gestompt.
- De eIgen zuster van haar moeder nog wel! 't Is geen gezelschap voor Lucy. Voor de wereld zijn Nora en Leo zeer gelukkig maar zij gaan hun eigen weg en doen en laten wat hun bevalt. Wat ik blij zal zijn als Lucy een goeden man heeft en die familiestrijd om ons kind ophoudt.
Elisabeth scheen knapper dan vroeger, zij was met de jaren in haar, een beetje ouwelijke trekken, gegroeid, haar vroeg vergrijsde haren stonden goed bij haar frisch gezicht, dat vroeger wel wat al te hoog gekleurd scheen; zij was ook zwaarder geworden en voller. Zij leek op haar moeder terwijl Pia daarentegen nog altijd haar slank figuur

[33:]

en rein, effen gelaat had behouden met den mooien, kalmen lach. Geen zilver haar streepte door haar donkere coiffure; hoewel zij nauwelijks twee jaren met Elisabeth verschilde; kon zij haast voor haar dochter doorgaan. Dit jeugdig voorkomen maakte haar dan ook tot een bijna gelijke vriendin van de jonge nichtjes.
Op zekeren avond verscheen onverwacht oom Gerard.
Hij vond het niets gezellig in den Eiffel, het regende daar en het was verbazend slikkerig. Toen hij Lucy zag, klaarde zijn knorrig gezicht op.
- Al thuis en niet verwailerd, hoop ik!
- Alles behalve oompie! Zoo bly dat ik thuis ben nu de heele familie bijeen is. Ik zal zoo lekker voor u koken, oom, al uw lievelingskostjes, - champignonragout, hé? - Dat hebben zij in dien woesten Eiffel zeker niet? De jongens moeten maar eerst de paddenstoelen gaan zoeken.
- Om mij te vergiftigen, zeker!
Hij greep haar beide handen, zag haar in de tintelende oogjes, in den vroolijken, kinderlijken lach, toen liet hij haar los, keerde zich om, streek zich over het gezicht en vroeg aan George of hij dat artikel over de wonderen van het Radium had gelezen, - verbazend - de heele wetenschap zou er van op stelten komen te staan.
't Waren gezellige dagen, fietstochten, pic-nics, wandelingen, rijtoeren naar Serg en Dal en het Reichswald, en den St. Jansberg en Kleef. Lucy een en al lachjes en blijde jeugd. - Zij had alles van het jacht vergeten, zij begreep zelf niet, dat zij er zoo over heen was, zij dacht niet meer aan Hardy - zij vond het wel lichtzinnig en oppervlakkig van zichzelf, maar zij kon er niets aan doen. Oom Gerard was voor haar alles, zij vond hem veel zachter dan anders, hij kon zoo jolig doen met de jongens of hij hun speelkameraad was, juist als tante Pia. -
- Zijn dat nu ouwe menschen, zij zijn jonger dan wij, plaagde zij, - maar dan zuchtte Gerard:
- Ik vergeet dat ik aan den leelijken kant ben van de veertig.

[34:]

- U is pas twintig geweest, plaagde Lucy en wierp hem een klimoptak om den hals, u is vrij wat pittiger en fermer dan die ouwe, jonge jongens van tegenwoordig.
Pia sloeg haar onbevangen manier om met Gerard om te gaan, wel eens ongerust gade, maar zij durfde niets zeggen. Lucy scheen zoo onschuldig, zoo te goeder trouw, zoo kinderlijk, dat het verkeerd zou zijn haar te herinneren, dat Gerard een flinke man was in de kracht van zijn leven, die eigenlijk nooit tijd had gehad aan vrijen en trouwen te denken.
Hij voelde zich zoo ingeburgerd in het kalme, rustige leventje met Pia. Zijn ouders waren gestorven, de andere broers en zusters het huis uitgegaan, hij en zijn zuster bleven achter, zij leefden tevreden en gelukkig samen- zijn praktijk werd steeds drukker - misschien zag hij de vrouwen en de realiteit der liefde van te nabij en ontnam hem dit de lust tot trouwen.
- Eerst moet ik verliefd worden, - sprak hij - en dan vrees ik, zal het mij geducht aanpakken, maar de tijd is voorbij, zal ik hopen.
Pia vond dat hij heel anders deed dan vroeger tegen Lucy; hij was galant, hij plukte bloemen voor haar, liet zich soms door haar plagen en streelen, totdat hij haar dan weer eens ruw van zich afstiet en wegging, om heel alleen een paar uur rond te dwalen en somber thuis te komen, maar 't idee was te gek om er bij te blijven staan. Lucy zoo'n kind en hij, de man van wetenschap, ernst en leeftijd.
- Pia, wij gaan morgen weg, zeide hij eens heel onverwacht aan tafel, na lang, dreigend zwijgen, toen Lucy zelf met vermocht zijn voorhoofd te ontrimpelen.
Op verschillende tonen riepen allen "maar Gerrit, maar oom!"
- Hoe kom je er aan, vroeg Duroy, je vacantie is nog niet om en wij amuseeren ons zoo, de kinderen ook.
- Een kraamvrouw, loog hij.
- De traditioneele kraamvrouw van de dokters. Weet jij er van, Pia?

[35:]

- Neen, ik hoor 't voor 't eerst, maar 't is mij goed, ik zal dadelijk aan pakken.
- Tante, foeI toch!
- Jij kunt blijven, als je trek hebt.
- Oom - vleIde Lucy, de handen om zijn hals slaande en hem diep in de oogen kijkend, die hij telkens afwendde, wat hebben de kindertjes misdaan, zijn ze stout geweest? Hebben zij 't u zoo lastig gemaakt? Als u blijft, zullen wij toch zoo braaf doen, zoo lief zijn, bijtijds naar bed gaan.
- Laat mij met rust, snauwde hij, zijn aderen zwollen op, zijn gezicht werd vuurrood en hij beet zich op de lippen. Pia verbleekte.
- Als je gaat, dan ga ik natuurlijk ook mede, sprak zij zacht.
- Dan ben ik boos, heel boos, voor goed boos, pruilde Lucy, u is een akelige, nare man, tante ook weg tronen, ik wil u niet meer zien, en zij draaide het kopje om.
- Foei, Lucy niet brutaal zijn, vermaande Elisabeth, maar het komt ook zoo vreeselijk onverwacht.
- Er is een tijd van komen en gaan, suste Pia.
- En wij moeten nog naar Den Haag, naar Alfred, bedacht Gerard.
- Nu, dan wil ik je niet tegenhouden, zuchtte Duroy, 't stelt ons vreeselijk teleur, maar Alfred is je broer, en Louise verbeeldt zich altijd dat zij tekort komt bij de overige familie.
- Nu komen wij te kort, klaagde Elisabeth.
- U moet niets meer zeggen, moeder, baasde Lucy. Oom houdt veel meer van die stijve tante Lou, als van zijn eigen zusters, en de Haagsche nichtjes zijn hem ook nader, dan zijn echte nichten: en neven. Wij zijn maar familie van den linkerkant.
Met de houding van een beleedigd prinsesje, het figuurtje aardig opgetrokken, het hoofd schuin omgedraaid, ging zij haar oom voorbij naar de veranda. Zij nam Pia's arm en samen wandelden zij door den tuin.
- En nu moet ik u ook missen. Valsch van oom! Wat doet oompje toch raar vindt u niet? Als hij niet zoo'n verstokte oude vrijer was, zou ik zeggen, hij is verliefd.

[36:]

Pia schrikte. - Maar kind, hoe kom je er aan?
- Ik heb meer verliefde mannen gezien, beweerde zij hoogwijs, - hij heeft zeker te diep in de oogen gekeken van een moffin ergens in den Eiffel - wacht, ik zal hem eens plagen.
- Neen, neen! Laat hem begaan, als hij zulke buien heeft moet je hem stil laten loop en, anders wordt hij boos en ruw.
- Tante, vroeg zij zonder te luisteren - als oom trouwt met zijn Freifrau, want dat is zij stellig, niet meer of minder, komt u dan bij ons wonen?
- Neen, stellig niet, dan ga ik naar een gesticht voor oude dames.
- Zoo'n lief jong meisje tusschen oude tptebellen. Dat zou iets moois zijn. Tante, waarom is u niet getrouwd?
- Omdat niemand mij hebben wilde.
- Dat weet ik beter. Zeg tante, heeft u ook een ongelukkige liefde gehad? Beken het mij maar...
- Gekke meid, wel neen!
- En u bloost, dat staat u zoo snoezig. Ik weet er toch alles van, in Brussel zijn ze zoo bescheiden niet.
- O, je grootma en tantes weten alles beter.
- Zij zeggen dat - ben ik onbescheiden, neen, wel?
- dat u oom Felix heeft bekeerd en dat hij naar het klooster is gegaan, omdat u hem niet wilde hebben, alleen omdat hij uw volle neef was.
- Zij weten er niets van - oom is monnik geworden omdat God hem riep, dat is de eenige reden.
- Ik wou oom wel eens zien en spreken en hem alles -eens zeggen. Maar hij komt nooit meer in Holland, hij voelt zich niet thuis bij die mondame familie van hem. - Als ik rijk word, ga ik naar Italie hem bezoeken. Gerard met Theo en de jongens, kwamen ook in den tuin, zij liet Pia los, vloog naar hen toe.
- Oom, ik ben niet meer boos op u. Ik weet het nu. U is verliefd, en verliefde menschen moet men alles vergeven. Die zijn abnormaal.
Gerard werd krijtwit.

[37:]

- Wie zegt dat - wie - Pia?
- Ha, ziet u wel, 't is waar, juichte zij, ik krijg een nieuwe tante, een moffin, een pruisin, neen, ik bedoel een duitsche, maar ik had veel liever een nieuwe oom, ik houd veel meer van ooms dan van tantes, behalve van tante Pia, die is een uitzondering en spant de kroon.
- Is dat naïveteit of koketterie, vroeg Pia zich af, of beide tegelijk?
Zij voelde zich ongerust en verlangde weg te zijn met Gerard uit die omgeving, welke haar plots verschrikte.
- Je bent niet wijs - en Gerard's stem klonk echt boos.
- Gaan wij wandelen, kom oom! Wij tweeën saampjes en dan vertelt u mij alles.
- Neen!
- O, wat is u lief tegen 't arme Lucytje. Die nare Fräulein, zij bederft mijn liefste oompje.
- Ik ben je oom niet, alleen je achterneef.
- Dan zeg ik geen oom meer, als u mij niet tot nichtje wil hebben dan zeg ik Gerard - of neen Dokter! Is dat goed, kijk mij dan eens lief aan, Dokter! Gerard! Gerritje!
- Foei, wat ben je kinderachtig, ergerde zich George, oom is niets op je flauwiteiten gesteld.
- Dan is het uit tusschen ons. Ha, - de post! Een brief voor oom van zijn Angebetene...
Zij holde naar het hek - voor pa, voor tante, voor George, hé voor mij van tante Nans... Ik dacht dat ze boos was - alle menschen worden boos op mij - en ik doe toch niemand kwaad. Lui! jullie mag mij niet storen, ik ga naar 't prieel hem op mijn gemak lezen.
De familie was onder de veranda g~ zitten, Elsabeth zette thee, Pia handwerkte, Theo las de courant en de jongens praatten met oom Gerard, toen een akelige gil de lucht scheurde.
- Wat is er weer? Luus? dat kind heeft altijd iets anders, hoorde Pia nog George pruttelen. Zij wierp haar werkje neer en vloog naar het prieel, door de anderen gevolgd, Lucy lag met het hoofd op de tafel, kermend en kreunend, de brief op den grond.

[38:]

- O mijn God, mijn God! 't Is mijn schuld, mijn schuld.
- Wat is er toch, zeg nu iets!
Duroy nam den brief op en las:
"Wij zijn vreeselijk onder den indruk van een ontzettend geval. Van morgen heeft men Tom Hardy dood op zijn kamer gevonden - de gaskroon stond open - opzet of ongeluk, dat weet jij 't beste. Een jongen van zoo groot talent, zoo'n toekomst - wij zijn verpletterd en 't spijt ons zoo dat...
- Infaam, riep Gerard uit en Pia hief het kind op, en Elisabeth bracht water; zij klemde zich aan haar tante vast, benauwd, snikkend, hijgend naar lucht.
- O God, een doode op mijn geweten, zelfmoord, zijn arme ziel! Ik moet boeten voor hem...


inhoud | vorige pagina | volgende pagina