Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


I

[5:]

"Dus kan het niet anders?"
Achter hen gloeide het bosch in volle herfstpracht, de ondergaande zon had alle boomen in vlammen gestoken; het helderste goudgeel ging op in rosse vurigheid, groenrood, bruin paars, geelbruin, alles smolt ineen tot een kolossalen brand; de lichte wolkjes, waartusschen de zon langzaam nederdaalde, schenen gouden rozen, drijvend op een zee van oranje, die onmerkbaar zacht, langs fijne lilatinten wegsmolt in het teerste blauw.
Aan hun voeten glooide zacht de heideweg, die reeds langzaam haar winterkleur aannam, maar toch een warmen gloed behield door de rose klokjes, die nog aan de half verdorde struikjes bleven hangen.
Zij stonden beiden stil en zagen rondom hen; was dat niet het beeld van hun lot, die korte lente van hun

[6:]

geluk, door geen zomer gevolgd en plotseling overgaande in een somberen herfst? Die brand van hemel en aarde, waren het hun schoonste illusieën niet, opgaande in vlammen?
Toen liepen zij langzaam voort; het droge heidekruid kraakte onder hun voeten, elke stap, dien zij deden, vertrad een hoop, een geluk. Zij waren beiden jong, schoon, krachtig; een week geleden schitterde alles om hen nog in vollen zonnegloed, maar die gloed was bedrieglijk geweest, bedrieglijk als de schoonheid van dezen herfstavond, die reeds morgen of over een uur plaats zou maken voor de kille ruwheid van den naderenden winter.
Hij was vijf- of zes-en-twintig jaar oud, zij een paar jaar jonger; hij droeg een officiersmantel los om de schouders, zijn gelaat stond bleek en vermoeid als van iemand, die in lang niet geslapen of zelfs gerust heeft.
Mooi van trekken in de gewone beteekenis van het woord was hij niet, maar er lag iets rustigs, iets aangenaams in de heldere open oogen, in het door een blonden baard omringde gelaat. Die oogen vooral, met hun altijd wisselende uitdrukking en kleur, zouden aan het leelijkste gezicht nog aantrekkelijkheid aan de onbeduidendste trekken waardigheid hebben gegeven; nu stonden zij mat en moe, maar toch rustten zij vol teedere; onderzoekende zorg op het meisje naast hem.
Zij ging met gebogen hoofd, haar groote hoed bij de linten om haar linkerarm gestrikt; met de punt van haar roode parasol stiet zij de heideplanten voor haar voeten weg; zij had de eigenaardige, ras verra

[7:]

dende schoonheid, die niet anders dan door een lange reeks van geslachten, waarin het edele bloed zuiver bewaard is gebleven en aan het lichaam groote zorg is besteed, verkregen kan worden; haar tint had de witte kleur van oud ivoor; thans, onder de schuine; rosse stralen der ondergaande zon, nam zij een nog fijneren toon aan. Haar dikke, half gekrulde, licht kastanjebruine haren werden in diezelfde stralen met goud overglansd; haar oogen van dezelfde vreemde roodbruine kleur, welke, hoewel veel donkerder, tot de kleurengamma behoorde van haar gelaatshuid en haar lokken, flikkerden van kleine vonkjes; haar neusvleugels, die nu zenuwachtig trilden, verrieden temperament, maar de vierkante kin, de dunne, hoewel onberispelijk zuiver geteekende lippen een vastberadenheid, die de kracht had, alle opwellingen van dat temperament te onderdrukken. Om de wat al te rijzige gestaite sloot het bruinrood lakensche kleed, zonder eenig sieraad, maar van een snit, die aan Redfern deed denken en volkomen overeenstemde met haar gelaatskleuren; zij liet den korten sleep over de heide glijden, en sloeg er geen acht op, zoo was zij verzonken in haar gedachten, meer dan in het gesprek.
"Dus, Leonore?" vroeg hij na een oogenblik.
"Ik zie er niets anders op, Otto," antwoordde zij.
"Je hebt dus geen moed!"
Zij hief het hoofd op en zag hem aan; langzaam, bijna kletterend als regendruppels op een ijzeren plaat, vielen de woorden van haar lippen.
"Ik weet niet of het moed is, die mij ontbreekt, Otto, maar in elk geval vertrouwen."

[8:]

"Vertrouwen op mij, Leonore?"
En zijn stem klonk bedroefd.
"Op jou, of liever op de taak, die je op je neemt. Ik zeg het je oprecht, ik noem het Don-quichotterie, anders niets."
Elk woord sneed hem als een zweepslag door het gezicht en hij wendde den blik af.
"Ik heb er lang over nagedacht, Leo," antwoordde hij, "geheele nachten, en ik zie er niets anders op."
"Had je de gedachten van anderen geraadpleegd, dan zou het resultaat van je eigen misschien anders zijn uitgevallen."
"En beter ook?"
Zij haalde de schouders op.
"Er is maar een ding, Leonore, dat mij nog bindt aan het verleden; en dat is mijn woord aan jou."
"O, laat je dat niet afschrikken! Ik geef het je dadelijk terug!"
"Kan je dat zoo zeggen, zoo koel, zoo....."
"Nu, ik zie dat het je drukt, je in den weg zit voor je edele voornemens; nu weet ik niets spoediger te doen, dan je er van te ontslaan."
"Maar... maar..."
"Ja, je moet kiezen, het een of het ander. Je mooi plan, ofwel... mij."
"Dus als ik eenvoudig deed, wat..."
"Ieder in jou plaats zou doen, dan - ja, dan spreekt het van zelf, dat ik mijn woord zou houden."
De laatste woorden kwamen er met moeite uit, als viel het haar zwaar; ze uit te spreken.

[9:]

Haar blik vestigde zich op een groep statige boomen aan hun rechterhand, uit welke nog volIe kruinen de schoorsteenen van een suikerfabriek omhoogstaken.
Schoorsteenen, die thans echter niet rookten en kil en strak zich afteekenden tegen de violetblauwe lucht.
"Maar kan ik dat in geweten doen, Leonore?"
Weer dat minachtende schouderophalen, en het onderste lipje werd even, haast onmerkhaar, vooruitgestoken.
"Daar heb ik geen verstand van, Otto."
"Geen verstand van? Je weet toch dat in de Tien Geboden staat: "Gij zult geen onrechtvaardig goed begeeren," en wat zou ik anders doen, als ik de geheele fabriek liquideerde en vaders erfenis onder, voorrecht van boedelscbrijving aannam?"
Zij zweeg.
"'t Spijt me, dat wij het niet eens kunnen worden, Leonore!" zeide hij moedeloos.
"Niet eens!" en nu sprak zij vlugger en met meer vuur, "er valt niet eens te worden. Jij hebt je plan opgevat; -'t is doodeenvoudig helder, als glas. Je vader deed schitterende zaken, hij heette een rijk man, en nu hij dood is, blijkt dat alles maar klatergoud was. Hij leefde van het geld van anderen; hij heeft een commanditair vennoot met valsche - ik bedoel geflatteerde - balansen overgehaald een groote som te storten en daardoor was 't mogelijk de zaak nog een poos schijnbaar te rekken, en nu is je vader gestorven - aan een beroerte, of een hartziekte.. ."
Zij sprak die laatste woorden weer langzamer uit, en

[10:]

intusschen volgden haar oogen onder de lange wimpers opmerkzaam elke beweging, elke schaduw van een gedachte op zijn gelaat; hij liep nu met de handen op den rug, het hoofd dieper gebogen.
"Wat het is, weet ik, de aanstaande schoondochter, niet eens," ging zij scherp voort, "maar het doet er niet toe; hij is dood, de vennoot vraagt zijn geld terug, en zooals nu de zaken staan kan men het hem niet teruggeven; en nu zal Otto Waelbeke de verplichtingen van zijn vader op zich nemen, en zonder dat hij eenig verstand van de zaak heeft, zijn ontslag nemen uit den militairen dienst, en - natuurlijk zijn meisje haar afscheid geven."
Een pijnlijke stilte volgde, alleen afgebroken door het kraken van het heidekruid onder hun voeten en het ruischen van haar japon over het droge mos.
"Heb je gedaan, Leonore?" vroeg hij met gedempte stem, en toen zij bleef zwijgen: "je begrijpt niet en kunt het niet begrijpen, hoe je manier om de zaak om te vatten, mij pijn doet."
"Maar is dat zoo niet? ik ken geen andere manier."
"Ik voel het, je bent verbitterd, en dat ik die verbittering in je doe ontstaan, is misschien het hardste van alles, - na het vooruitzicht je te verliezen."
"O, zoo!"
"'t Is voor mij een slag geweest, een vreeselijke slag; ik ben in de week, na vaders dood, tien, neen twintig jaren ouder geworden. 't Is waar," en hij glimlacht treurig, "ik was een groot kind, niet veel meer, vóórdat het gebeurde. Ik heb mijn tijd verspeeld, alleen

[11:]

voor mijn genoegens heb ik geleefd. Dat papa zoveel geld verteerde, het kwam hoofdzakelijk door mij; hij kon mij geen enkele gril weigeren; ik heb hem veel gekost door mijn dure liefhebberijen, en eerst sedert ik jou terugzag ben ik tot nadenken gekomen."
Het edele zelfverwijt, dat uit zijn woorden sprak, liet haar koud; zij was te veel vervuld van belangstelling in zichzelf.
"Ja, toen ik je leerde liefkrijgen, toen was het te laat, veel te laat; dat zie ik nu in. Mijn toekomstig leven zal aan hard werk gewijd zijn, ik mag niet aan trouwen denken, vóórdat ik weet hoe de zaken loopen; ik moet nu ook voor mijne moeder en de kinderen zorgen."
"Maar je moeder heeft toch geld van zichzelf. Dat weet iedereen, zij was een rijk meisje."
"Nu niet meer."
"ls haar geld ook in dien chaos verdwenen?"
"Het zal er ten minste in verdwijnen."
"Maar Otto!"
Zij zag hem verontwaardigd aan.
"Wat handel je toch onverantwoordelijk dwaas! Je neemt immers veel te veel op je schouders, dat kan je niet dragen."
"En daarom wil je mij niet er in helpen?"
"Ik je helpen," zij lachte spottend, "dat zou mooi helpen zijn. Ik zou het je maar moeilijker maken, als ik je sleep nog vermeerderde; die sleep is waarlijk zwaar en lang genoeg. Dora op kostschool, Willem op het gymnasium, Maus en Marietje nog haast in de kin

[12:]

derkamer en mama in het salon, en ik er dan nog bij. Dank je, hoor!"
Zij schoof den ring van haar vinger op en neer.
"Dus je wilt niet wachten."
"Waar zou het toe dienen? Doe jij wat je goeddunkt. Ik zal mijn weg zoeken en... en... als later..."
"Als je niets beters gevonden hebt, en mij gaat het redelijk, dan kunnen wij altijd nog zien. Bedoel je dit, Leo?"
Zijn stem klonk nu nog bitterder dan de hare, zoo scherp als zij nog nooit van hem had gehoord; maar zij durfde niet j a antwoorden, en als zij n e e n zeide, begreep hij toch dat zij onwaarheid sprak.
Hij zag haar lang aan, en nam haar beeld in zich op zooals het daar stond, nog in den vollen glans van de zonnestralen, gebaad in goud, als het ware, goud uitstrooiend van haar en oogen, van handen en kleederen zelfs. Bittere smart vervulde zijn ziel. Hij had haar zoo lief, zoo innig lief, niets was hem op het oogenblik liever, dan haar op te nemen in zijn armen, met haar te vluchten naar een verafgelegen land, naar een tooverland, waar geen, zorgen waren en geen smart, geen nacht en geen winter, waar zij altijd baden kon in goud en schitteren in juweelen, en hem slechts beloonde met haar schaarschen, maar dan ook onweerstaanbaar zoeten glimlach.
Doch de glimlach was dood op haar lippen en de zonnestralen verglommen, en ontdaan van dien glans stond zij naast hem, dof, mat, koel.
"Wat helpt het mij, of ik je beloof, Otto, op je te

[13:]

wachten? Het kan jaren en jaren duren; wij worden er oud onder, onze beste krachten gaan er mede heen. Wij worden moe en bitter onder de eindelooze teleurstellingen. Als het tijd is, wat dan? Wat blijft er dan over? Twee gedesillusioneerde menschen, anders niets, en een in ontbering en verdriet verspilde jeugd."
"Je vergeet," zeide hij bijna schuchter, "dat mij dan in mijn donker leven nog altijd een straaltje hoop overblijft, een licht in de duisternis."
"Mij geeft dat geen licht, integendeel, de gedachte dat jij in je zorgen nog aan het oprichten van een huishouden moet denken, zal mijn last nog zwaarder maken."
"Dus je breekt af?"
"Ten minste als...."
Zij hield den ring reeds in de andere hand en weifelde.
"Als ik gevolg geef aan mijn plan. En ik kan, niet anders, Leonore, waarlijk niet. Je wilt toch niet, dat ik je een onreinen naam geef, in ruil voor je edelen titel?"
"Och, je weet, in onzen tijd ziet men die dingen anders in. Zulke ouderwetsche idee's als naam en stand, daar kijkt men nu op neer."
"Ik niet, Leonore!"
"Je hoort ook niet in onzen tijd thuis."
Zij stonden juist voor de fabriek, met haar kolossale, stevige gebouwen, en het mooie woonhuis daarnaast, een villa, waarvan de naam "Arethuse" met gouden letters op het hek stond, een villa met veranda's en balkons, waarom zich de bloedroode wijnrank in, een weelde van grillige kronkelingen slingerde; de tuin

[14:]

schitterde nog in vollen zomertooi, al waren net vooral de dahlia's en asters, in vollen, veelkleurigen glans, die er dezen rijkdom van kleuren aan gaf.
Anders was alles om dezen tijd in de villa leven en beweging; de sportkar der kinderen, de theetafel van mevrouw, de bonte papegaai in zijn vergulde kooi, de Japansche kakameno's en Chineesche lantaarns in de warande, de vroolijke bloemen in vazen en potten, alles was nu weg, de gordijnen hingen neer, op alles drukte nog de schaduw van den treurigen stoet, die er vóór eenige dagen uitgetrokken was.
Leonore zag met matelooze spijt naar de thans zoo droevige, rouwdragende woning; wat had zij zich daar in de laatste zeven jaren thuis gevoeld. Met hoeveel liefde en hartelijkheid was "Otto's meisje" daarin steeds ontvangen, wat droegen de oude heer en mevrouw haar op de handen, wat hingen de kinderen aan haar kleeren en hoe voelde zij zich opleven in deze weelderige, elegante omgeving, die zoo verschilde met haar treurig kaal eigen tehuis! En nu stond zij voor de deur en mocht of wilde er niet meer binnen.
"Wil je even mama groeten?"
Zij schudde het hoofd.
"Waar dient het voor? Het zou je taak maar verzwaren."
Hij zuchtte, ja zij had gelijk, zijn moeder en Leonore sympathiseerden nu beter dan ooit, beiden zouden vinden dat hij dwaas, zeer dwaas handelde. 't Eenige verschil was, dat Leonore alles begreep, maar dat zijn mama de handen tegen het hoofd drukte, schreide en klaagde, om

[15:]

dat zij volstrekt geen verstand had van al die cijfers, dat haar beste man er haar steeds buiten had gehouden. Hij gunde haar geen zorgen en verdriet, maar Otto wist haar niet te sparen.
"Drukt je dien ring zoo, Leo? Geef hem dan maar hier!" zeide Otto; zijn stem klonk nu zoo zacht, zoo onnatuurlijk week, en uit zijn oogen sprak een wereld van smart, en toen voor het eerst voelde Leonore dat haar zelfvertrouwen haar verliet, dat zij voor een ondeelbaar oogenblik zich afvroeg, of de liefde, de achting en de steun van dezen man niet meer waard waren dan alle schatten der aarde, en of zij niet met dit eenvoudig ringetje een kostbaar kleinood, het geluk van haar leven wegwierp.
"Maar neen! ik wil verstandig zijn, met gevoel komt men niet door de wereld. Mij binden aan zoo'n Don Quichotte, morgen reeds zou 't mij spijten. Zoolang ik vrij ben, staat de wereld voor mij open."
En zij gaf hem den ring; hij nam nu den zijne en wilde haar dien ook teruggeven, maar plotseling bedacht hij zich.
"Neen," zeide hij vastberaden, "ik zal hem houden. Dat is nog een band, een enkele, een zeer zwakke, maar wie weet, of het voor mij geen spoorslag zal zijn om voort te gaan, of het mij niet zal opwekken, als ik moede word en wanhopend! Mag ik hem houden, Leonore, als een aandenken of als een pand van misschien ijdele hoop?"
"O, zeker! Een herinnering aan iemand, die je toch gauw genoeg vergeten zult."

[16:]

"Dat verdien ik niet, Leonore; mag ik je thuisbrengen, want wij scheiden immers in vrede?"
De zon was ondergegaan en nu lag doffe schaduw over de heide; de weg voerde in een kwartiertje naar de kleine stad, waar Leonore woonde.
"Och nee! 't Is beter, dat wij hier maar scheiden," zeide zij koel. "Adieu, Otto."
"Leonore! Ik had het niet gedacht!"
"Ieder zou zoo handelen in mijn plaats."
"Ja, ieder! Maar jij niet, dat meende ik vast."
"Dus ik val je tegen, het spijt me!"
"En wat ga je nu doen?"
"Stel je daar nog belang in? Doodeenvoudig, een advertentie in de courant zetten, gebruik maken van mijn diploma."
"Wij gaan dus samen een kleurlooze, sombere toekomst tegemoet. Zal het je waarlijk geen goed doen, als er dan nog een klein sterretje flikkert in de verte?"
"Och Otto! Wees zoo poëtisch niet, de tijden zijn zoo bar ernstig! Wat geeft het toch, niets dan armoede en ellende in het verschiet? 't Is immers beter, dat alleen te dragen, alleen den strijd des levens te voeren."
"Dat vind ik niet!"
"Ik wel. Ik schijn de sterkste van ons tweeën, daarom moet ik ook resoluut den knoop doorhakken; dat weifelen brengt ons geen stap verder. Goedennacht!"
"Geluk op je weg, Leonore! Dat het zoo eindigen moest!"
Hij hield haar hand in de zijne, dorstig en verlangend zag hij haar in het gelaat; hij smachtte naar een

[17:]

goed woord, een vriendelijken lach, naar een kus, naar iets wat naar hoop zweemde, iets wat beter was dan het koele verstand, dat zij onophoudelijk tegen hem liet spreken, naar een traan misschien, die het verdriet der scheiding deed blijken.
"Lieveling!" fluisterde hij, "ik heb je nog altijd even lief als dien avond, je weet wel; daar in het priëel."
Zij trilde van het hoofd tot de voeten.Gelukkiger dan dien avond, zou zij het ooit worden? Maar het was immers de bekentenis van zijn liefde niet alleen, die haar toen doortintelde van genot; het bewustzijn haar doel bereikt te hebben, rijk te worden, zeer rijk, dat sprak toen ook mede, misschien het hoogst.
"Dat is voorbij," sprak zij koud en hard, trok haar hand snel terug, nam haar sleep in de hand en liep vlug den weg op, naar de stad.


inhoud | volgende pagina