Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[122:]

X.

Den volgenden avond ontving Willem tot zijn groote verbazing een brief van zijn zuster uit Amsterdam.
Tot nu toe had Prada hem niet verwend met haar brieven, zij maakte haar correspondentie gewoonlijk met briefkaarten af, waarop niets anders stond dan:
"Alles wel - het gaat uitstekend. - Ik hoop, dat gij beiden het ook goed maakt - vele groeten!
Hierop kwamen met kleine varianten al haar briefkaarten neder, en nu een brief, en een dikke nog wel; zoo blasé was de arme Willem niet onder het oogpunt van afleiding om er niet gretig naar te grijpen.
Meer dan hij zichzelf bekennen wilde, was hij nieuwsgierig naar de ondervindingen van Leonore in de vreemde stad. Nu hij zelf het groote, volle leven niet meer kon meeleven, was het zijn grootste genoegen uit de verte dit leven te volgen in zijn verschillende uitingen; nu de Waelbekes echter weg waren en zijn zuster even

[123:]

eens, scheen het of alle gemeenschap voor hem afgebroken was, of een groote hooge muur voor zijn oogen was opgetrokken, die hem het gezicht op de levendige, woelige wereld geheel onttrok.
Ondanks zijn beminnelijke philosophie en zijn onverstoorbaar goed humeur kon het niet anders of deze afgeslotenheid in dit sombere jaargetijde drukte hem zwaar neer. Otto had het zoo druk, dat hij hem weinig spreken kon. Zijn vader werd hoe langer hoe suffiger en slaperiger. Eerst als hij een paar glaasjes ophad, kwam er een schijn van levendigheid over hem, maar een geregeld gesprek was toch niet vol te houden.
Ook Willem's werk vlotte niet, hij vreesde dat zijn herinneringen uitgeput raakten, dat de frischheid van zijn geest verloren ging, omdat nieuwe indrukken ze nooit meer kwamen opwekken; de denkbeelden lieten hem in den steek, zelfs geen nieuwe gedachten wilden meer opkomen in zijn brein, alles bleef daar van binnen wanhopend dof en grauw, en huiverend dacht Willem aan het misschien nog zoo lange leven, zonder eenige kleur, zonder eenige afwisseling, zonder eenig voorwerp van belangstelling dat voor hem uitgespreid lag.
In deze stemming vond hem dus Leonore's brief; wanneer zij geweten had, hoeveel goed alleen het zien der dikke enveloppe met het krachtige, flinke handschrift op haar ongelukkigen broer maakte, wellicht zou zij zich verwaardigd hebben hem meer te schrijven; misschien ook niet. Leed en vreugde van anderen maakten niet den minsten indruk op haar. Willem sympathiseerde niet met haar, vooral niet meer nadat zij Otto zoo erbarmelijk

[124:]

had behandeld; maar zij was de eenige, die hem nog met de buitenwereld verbond, het eenige lid zijner familie met wie nog een beetje verstandig te praten viel, de eenige, die hem nog iets zeggen kon, wat het hooren waard was, en met een blijde trilling in de vingers, die hij gelukkig was nog te kunnen voelen, opende hij de enveloppe.
"Willem," stond er bovenop, "Lieve of beste" vond Leonore een overbodig verbruik van inkt.
"Willem!
"Je vindt het zeker vreemd dat ik je schrijf - maar ik vind het nog vreemder, vooral omdat ik weet waarom ik je ga schrijven.
"Een maand geleden had ik niet gedacht, dat het mogelijk of zelfs denkbaar zou wezen, dat ik over zoo iets met je zou praten, en nu wend ik mij tot je als tot mijn eenigen raadsman!
"Hoe gek, hè! Ik moet ook eens mijzelf er op bezien of het waar is, dat ik mijn hoogwijzen, philosophischen broer om raad vraag; dat je er "Schadenfreude" over voelen zult, begrijp ik, maar het kan mij niet schelen, 't is dwaasheid mij te geneeren, want après tout ben je toch maar een broer!"
"Wat zit die meid in de kneep," dacht Willem, "dat ze het noodig oordeelt zulk een voorrede te houden tegen mij."
"Nu dan, recht op het doel af!
"Volgens mijn briefkaarten weet je zoowat alles van mijn toestand hier. 't Gaat heel best, 't is een éénige

[125:]

betrekking, in heel Europa en daarbuiten vind ik er geen beteren. 't is juist iets voor mij en wat je gelieft te noemen mijn artistocratische neigingen. Er is niets, waarover ik te klagen zou hebben, al wilde ik ook - behalve het kind.
"O maar! Dat kind, dat kind! Zie je Willem, dat is iets niet te beschrijven, al had ik jou pen ook. 't Is geen kind, 't is een redeloos dier, een monster, minder dan een orang-oetang. Anders kan ik er niets van zeggen. Er is niets van haar te maken. Ik verzeker je, wanneer ik niet alles en alles met haar beproefd had, ik zou het je niet bekennen die onmacht van mij. Ontzag noch liefde kan ik van haar winnen. Maar is zij er vatbaar voor? Ik geloof het niet. Het eenige wat haar regeeren kan is de zweep van haar vader, zijn ranselpartijes mist zij noodig. 't Is het eenige middel om met haar klaar te komen, en ik, die toen met mijn humane begrippen zoo iets in de hoogste mate stuitend en walgelijk vond. Natuurlijk kan ik dat middel niet toepassen, en op dat punt is zij mijn meerdere; mijn gezicht schrijnt nog van haar krabben, op mijn borst voel ik nog den sIag mij daarop gegeven. Nooit vergeet ik dat gezicht, zoo'n heks, zoo'n furie, zooals zij daar op mij aanstoof.
En de oorzaak? Zij sluit zich op in haar kamer, in haar vesting; nooit mag iemand daarin komen en ik heb toch. als de vrouw, aan wie haar opvoeding toevertrouwd is, wel het recht in haar geheimen te dringen.
"Ik heb dus, terwijl zij uit was, haar kamer laten openen en keek daar alles in na. Wat is nu dat groote geheim van een veertienjarig kind? Je raadt het niet

[26:]

in tien! Een vergadering poppen voila tout! Om die te kleeden verknipt zij haar kostumes, haar mantels en ondergoed! Eenige hebben recht op haar liefde, een enkele wordt door haar gehaat - en die heet - "Juf".
"Nu schijn ik iets niet in orde te hebben gebracht, tenminste zij is er achter gekomen, dat ik haar kamer heb nagezien, en vandaar die vreeselijke scène. Ik, die zoo gauw niet schrik of nerveus word, ben er nog geheel ontdaan van. Nu slaapt zij, ik heb er den dokter bij laten komen en hij heeft haar een kalmeerend drankje gegeven, misschien wel met morphine ingespoten. Nu heb ik tenminste rust, maar wat zal het morgen geven?
Doch Willem, ik zou het zoo dolgaarne vol willen houden; 't is zoo schandelijk mijn onmacht te bekennen, mijn post te verlaten. En waar moet ik weer naar toe? Ik ben zoo verwend, zoo vreeselijk verwend, nooit zal ik het meer bij jelui kunnen uithouden, zeg mij toch wat moet ik doen?
"Je bent in Indië geweest; je kent dat volkje beter dan ik, je weet misschien hoe er mee om te gaan.
Verbeeld je, wat zou dat een triomf zijn: t h e t a m i n g o f t h e S h r e w, want grooter feeks heeft Shakespeare zelfs niet kunnen scheppen. Ik bid je, schaf raad! Ik ga nu naar bed, ik kan niet meer schrijven, mijn handen beven.
zoo! Tot morgen!"
P. S. Verbeeld je, van morgen stond de kamer van de jonge dame wijd open, zij zat beneden, alle poppen heeft zij uit het raam gegooid, 't is daar zoo'n desolate boel binnen als men maar denken kan! Zij zit beneden, doodstil, mat, met behuilde oogen, weigert te eten en te drinken.

[127:]

"Ik heb de kamer een duchtige beurt laten geven, daar kon ik nu mee voort; maar het kind! - Willem, zeg eens iets - of nog liever, kom eens hier! Het oude Geertje kan, terwijl je hier bent, heel goed bij den Baron blijven, ik zal haar wel betalen, laat je in den waggon tillen en je kunt dan blijven zitten tot Amsterdam. Ik haal je met het rijtuig af. Toe, Willem, doe je het? Morgen? Kom, je hebt nog zoo weinig voor je eenige zus gedaan. Telegrapheer maar "lk kom trein zooveel" en je zult het bepaald goed bij me hebben. Mondeling kunnen wij alles zooveel beter afpraten.
"Nog iets! Geen woord aan Otto over hetgeen ik schrijf. 't Is strikt confidentieel, aan den Baron natuurlijk niets, dat weet je wel!
"Je zusje
"PRADA."

"Och, och! wat staat het water hoog aan de lippen! Nog Prada teekent men op den koop toe. Zoo lief! Geen kleinigheid wat zij mij vraagt. Met mijn treurigen nasleep op reis gaan, en naar Amsterdam nog wel. Hoe verzint zij het! Egoïst, egoïst! O, Otto mag blij zijn dat hij den dans door het leven met haar ontsprongen is."
Hij las den brief nog eens over.
"Lust om er eens uit te breken, eens iets anders om mij heen te zien, genoeg! Maar, maar, maar! Ik verplaats mij zoo moeilijk. Ik kan den ouden heer zoo bezwaarlijk alleen laten. En dan mij in andermans zaken mengen. Zij heeft haar pannetje gekookt, laat zij het nu maar zelf eten. Hoe kan ik nu daar iets goeds doen?"
Maar toen vroeg hij zich af, of het nu niet zelf egoïst

[128:]

van hem was op dien noodkreet niets te antwoorden.
Zou Leonore hem dan niet kunnen verwijten dat hij oorzaak was van haar slecht succès?
"Hoe grenzenloos lichtvaardig is dat ook toegegaan," mompelde hij, "die oude, betooverd door haar mooie gezichtje en besliste manier van handelen en praten, vertrouwt aan zoo'n jong schepsel huis en kind toe en zij neemt de leiding van zoo'n onbekend wezen geheel op zich, vraagt niemand om raad en moet reeds na een maand bekennen, dat zij er niet tegen opgewassen is."
Hoe langer Willem er over nadacht, hoe aannemelijker en aantrekkelijker hem Prada's voorstel leek; hij smachtte naar een verandering, naar een kleine prikkeling in zijn leven, naar iets dat er eenige kleur aan kon geven, dat aan zijn gedachten nieuw voedsel toevoerde, en nu kwam het tot hem bijna in den vorm van een plicht.
"Er mankeert niets aan, zelfs niet een maskertje van zelfopoffering," dacht hij glimlachend, nog altijd in twijfel.
Juist kwam Otto even aanloopen en Willem zeide:
"Wat een gelukkige avond, allerlei buitenkansjes!"
In zijn leven, waarin van geen groot geluk meer sprake kon zijn, zette hij de deur open voor elk klein genoegen, voor elken zonnestraal; hij liet ze altijd dankbaar binnen en koesterde er zich vroolijk in.
"Verbeeld je, wat ze van mij vergen, Otto!" zeide Willem tot zijn vriend, "zij willen mij een reis om de wereld laten maken."
"Hoe dat?"

[129:]

"Nu ja,ik bedoel ons klein wereldje, en dat Holland en Amsterdam is de antipode van Ankeloo."
"Naar je zuster?" vroeg Otto, met zoo'n tikje van verandering in, de stem, als Willem maar al te goed kende.
"Ja, naar Prada, naar mijn zuster bedoel ik! Verbeeld je, zij heeft heimwee naar mij."
"Zoo! Dat doet me plezier!"
Hij zweeg een oogenblik, en toen, na een pauze:
"Gaat het haar goed?"
"Uitstekend! Alleen zooals ik zeg, ik mankeer haar om haar geluk volmaakt te doen zijn."
"En je gaat dan toch?"
"Vind je het geen dolheid?
"Wel neen, het zal je opklappen!"
"Nu, om je de waarheid te zeggen, ik zat er over te suffen, of ik 't doen zou of niet, minder nog dan over de vraag, of het egoïsme of opoffering moet genoemd worden."
"Altijd dat zelfonderzoek! Wat doet het er toe? Ga of ga niet, zooals je hart het je ingeeft!"
"Ja, wist ik maar wat hart en verstand raden."
"Kunnen ze beide tegelijk niet hetzelfde advies geven?"
"Neen! Ik vrees dat het hart te zacht spreekt."
Weer zwegen beiden een poos; toen vroeg Otto:
"Je houdt niet veel van - van Leonore?"
"Och, wij zijn geen demonstratief volkje. Wij kiezen onze familie ongelukkig niet, en ik verkeer in het treurige maar niet zeldzame geval dat de familie, die toevallig de mijne is; het nooit zou geworden zijn, had de keuze aan mij gestaan."

[130:]

"Ik begrijp het niet van jou en je zuster! Je beiden hebt zooveel van mekaar, dat gedecideerde, dat flinke, dat niets doen zonder het voor zichzelf te kunnen verantwoorden."
Willem glimlachte spottend; de, brief in zijn zak brandde hem als vuur, maar hij dacht er niet aan dien aan Otto voor te lezen.
"Dat meende je vroeger, en nu ook nog?"
"Wel zeker, mijn opinie over Leonore heeft evenmin verandering ondergaan als - als mijn gevoel voor haar."
Hij zag naar den verlovingsring aan zijn vinger.
"En haar handelwijze tegenover jou!"
"Ik ben zeker, dat zij meende de verstandigste partij te kiezen voor haar zelf en voor mij, en hoogst waarschijnlijk heeft zij gelijk."
"Ot, Ot! Je bent van het. hout, waarvan men de goede, beste mannen maakt, meer dan ik. Gelukkig dat voor mij de kans verkeken is. Ik geloof dat ik te scherp zie -"
"En te liefdeloos oordeel!" vulde Otto een weinig vinnig aan.
"Het eene komt van het andere. Liefde maakt blind en gebrek aan liefde scherpziende."
"Tenminste als het je zuster geldt!"
"Mijn zuster is - Prada! En ik ben blij voor jou, oude jongen, dat het je bespaard is op een goeden dag door dat p r a d a te moeten heen zien, want dan was het gedaan met je levensgeluk en -"
"Met je achting voor haar karakter," wilde Willem nog zeggen, maar hij hield zich in, want al kon hij

[131:]

soms in een vertrouwelijke bui iets meer zeggen dan hij eigenlijk van plan was, hij hield er niet van zijn aangezicht te schenden door zijn neus te bezeeren.
"Maar wij zijn afgedwaald! Wat denk je nu, ga je werkelijk naar Amsterdam, dan zal ik je op den trein bezorgen, zooveel ik kan naar den ouden heer komen zien, je verslag sturen van zijn doen en laten."
"Je bent een bovenste beste kerel en je maakt het mij gemakkelijk genoeg, en ik geloof waarlijk, hoe meer ik er over nadenk, hoe meer zin ik er in krijg."
"Hij moest eens weten," dacht Willem, "hoe ik geinviteerd ben, daar voor blankofficier te spelen."
"Dan ga je maar! Wanneer zal het zijn?"
"Zoo spoedig mogelijk als het eenmaal gedecideerd is. Met den trein van twaalf zooveel, dan ben ik vóór het eten in Amsterdam; morgen heb ik tijd Geertje bij Papa te installeeren, mijn plunje te laten inpakken, en dan gaat het de wijde wereld in. Verbeeld je, ik nog op reis!"
"Wat zou dat? Verheug je dat er nog iemand is, die op je gaan en komen gesteld is."
Willem trok een grimas.
"Ja, ja, dat is een voorrecht, zeker! En hoe gaat het jou? Ik ben zoo vervuld van mijzelf en van mijn groote plannen, dat ik heelemaal die van mijn eenigen vriend vergeet. Druk aan den winkel?"
"'t Schikt, maar wij gaan vooruit en ik werk er mij langzamerhand, zoetjesaan in!" en na een oogenblik uit de volheid van zijn hart: "Och Willem, daar gaat toch niets boven het leger!"

[132:]

"Ja jongen, dat zeg ik ook. Maar we zijn er beiden kaal van afgekomen."
"Ik geloof als ik er weer voor stond, ik liet den boel den boel en ik zocht in Atjeh een kogel."
"Om twee krukken te vinden."
"Och, het leven is zoo ellendig."
"Begin je dan ook niet langzamerhand te denken, Otto, dat dit het eigenlijke leven niet is, maar een voorbereiding - de weg tot het doel?"
"Ja Willem, als ik jou hoor en jou zie, ja! Dan wil ik het gelooven, maar soms - soms - dan vraag ik me af, of die hoop ook al weer niet eens teleurstelling zal worden, zooals alles. Wat is ouderliefde voor mij geworden? Mijn vader heeft het leven genoten, en toen het hem te zwaar werd 't weggeworpen, en liet mij zitten voor de doornen, waarvan hij de rozen had geplukt. Mijn moeder werkt mij tegen en bekommert zich niet anders om mij dan om te klagen dat ik haar zoo slecht heb behandeld. Mijn aanstaande is te verstandig, terwijl mijn ouders handelden uit onverstand, en van beiden werd ik het slachtoffer."
"Is hun aller fout niet, Otto, dat zij hun hart te veel hechten aan het verguldsel en voor het echte goud geen oog hadden?"
Otto drukte hem de hand.
"Willem, als ik je vreugdeloos leven zie en merk wat je daarvan toch maakt nadat alles voor jou heeft schipbreuk geleden, dan zijn er oog en blikken dat ik je benijd."
"Mij benijden? Waarom?"

[133:]

"Om je karakter, je vertrouwen. Ik voel mij zoo zwak, ik had steun noodig en ik zocht die -"
"Bij Prada, ja! Zet je gedachten af van die meid en gooi dien ring in het vuur. Waarlijk, zij drukt je neer! Eerst als je vrij bent als ik, kan je nog genieten van wat wij hier leven noemen - maar als dilettant."
"Ik wil niet vrij zijn, ik wil mij nog aan haar gebonden rekenen -"
"Totdat zij mevrouw Mac Dunolly wordt!"
"Is daar kans op?"
"Ben je wijzer? De man zit in Indië."
Otto haalde geruster adem en deed een onverschillige vraag over Willem's aanstaande reis; zij bespraken daarvan nog de bijzonderheden en na eenige oogenblikken stond Otto op en beloofde den volgenden morgen zeer vroeg terug te komen.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina