Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[134:]

XI.

"Welkom in mijn huis, Willem!" zeide Leonore tot haar broer, toen hij, gesteund door den knecht, de vestibule van de villa Mac Dunolly binnenstrompelde.
"Is het al zoo ver?"' dacht Willem spottend, en op den arm zijner zuster leunend, trad hij in het salon Louis XV binnen, waar de morgenwijn hem' wachtte.
Willem viel op den fauteuil neer en zag rond.
"Zoo, zoo! heeft dit salon het je aangedaan?" vroeg hij glimlachend, "bijna mooi genoeg, dat moet ik bekennen, om er een dwaasheid voor te doen," en toen zonder eenigen overgang: "Je moet de groeten hebben van Otto!"
"Dank je!" antwoordde zij droog.
"Interesseert hij je niet meer?"
"Ik heb zooveel andere dingen aan het hoofd."
"Maar aan het hart?"
Zij trok de lippen neer.

[135:]

"Daar heb ik geen tijd voor!"
"Dan hield je nooit van hem."
"Wat weet jij daarvan? Ik verzeker je, dat ik nog veel liever met hem in "Arethuse" zat in mijn eigen huis, dan hier met andermans kind!"
Willem hinkte naar de eetkamer, gesteund door Leonore's arm en zijn kruk aan den anderen kant; zoo kwamen zij binnen. Juffrouw Van Duin ontving haar beleefd en gaf Leonore een knipoogje; deze zag dadelijk wat zij bedoelde. Op haar gewone plaats aan tafel zat Daisy. Zij trok haar donkerste gezicht, de wenkbrauwen zwaar gefronst, de lippen nijdig op elkander geklemd, de oogen strak op de deur gericht, waardoor zij het met moeite voortstrompelende paar binnentreden.
"Juffrouw Mac Dunolly zeker!" zeide Willem met zijn welluidende, aangename stem. "Neem u mij niet kwalijk dat ik u mijn opwachting niet kan maken, zooals het behoort!"
Het kind bleef onbeweeglijk, maar Willem maakte zijn arm los uit dien van zijn zuster en deed met toegestoken hand eenige stappen vooruit naar het kind; zij verroerde zich nog niet en zag hem kwaadaardig aan.
"Wil u mij niet groeten, vóór wij samen gaan eten?"
"Ik verzoek u niet; u gast van mijn "juf'", snauwde zij hem barsch toe.
"Het is toch met toestemming en uitnoodiging van uw vader, dat ik hier gekomen ben," antwoordde Willem ernstig, "anders zou mijn zuster mij niet uitgenoodigd hebben tot komen."

[136:]

De blikken van het meisje vlogen van zijn gezicht naar het hare, als om tusschen beiden vergelijkingen te maken.
"Ik lijk niets op mijn zuster, niet waar?" vroeg Willem, terwijl hij, door juffrouw Van Duin geholpen, ging zitten, "daar hebben de Atjineezen wel voor gezorgd."
Zij bleef hem aanzien, maar steeds zonder een woord te zeggen. Toen de juffrouw de borden soep ronddeelde, bood hij het zijne Daisy aan; zij zette het op haar eetbord, en met denzelfden vijandigen blik staarde zij Willem en Leonore aan, maar zij sprak geen woord.
Zij at en dronk verder van alles mede en deed zelfs haar best om gemanierd te zijn.
"Wat voor nieuwe caprice dat weer mag zijn?" dacht Leonore; het gesprek liep tusschen de drie groote menschen. Willem beproefde een paar keer Daisy er in te halen, maar zijn goedgemeende pogingen stuitten op haar boos stilzwijgen.
Na het eten zou er theegedronken worden in het salon, en wat nooit anders gebeurde, Daisy ging mee; zij koos de eereplaats, sloeg de armen over elkander en zag de anderen aan alsof zij zeggen wilde:
"Ik ben hier meesteres, gij zijt maar indringers!"
Willem bewees haar een kleine beleefdheid; toen zeide zij trotsch en uit de hoogte:
"Niet noodig! Ik doe hier wat Daisy wil. Daisy hier meesteres!"
"Ja zeker," antwoordde Willem, "wij zijn uw logés!"
"En als ik allen wegjaag?"
"Er is hier nog een grooter meester dan juffrouw

[137:]

Daisy, al zien wij hem niet, en deze heeft freule Leonore tot zijn plaatsbekleedster aangesteld, omdat Daisy nog te jong is zelf hier meesteres te zijn. Dat is uw vader!"
"Maar zij mag niet alles doen!"
"Wie zal dat bepalen?"
"Ik!"
"Neen, miss Daisy, dat kan u nog niet, en dat heeft uw Papa ook gedacht, anders zou hij u geen gouvernante gegeven hebben. Als u goed leert bij mijn zuster en u toont geen kind meer te zijn, dan zal u hier werkelijk meesteres zijn."
"Ik wil niet leeren."
"Weet uw vader dat?"
"Ik wil wel leeren schrijven, maar niet van haar!"
"Van mij wel?" vroeg Willem vriendelijker.
"Neen, ook niet! U ook maar zoo'n opeter!"
Willem haalde de schouders op.
"Juffrouw Daisy, als ik niet wist, dat u zoo jong en zoo onverstandig was, dan zou ik nog van avond dit huis verlaten."
Daar stoof het kind op en de vraag siste over de lippen:
"Wie zegt dat ik onverstandig ben? Zij - zeker - zij?"
"Ik heb het reeds gemerkt. Niemand behoefde het mij te zeggen, niemand!"
"Zij praat altijd kwaad van mij.- Zij, is een slang! Zij kijkt mijn kamer na, zij bederft daar alles!"
Leonore schonk doodbedaard de thee in, alsof de wilde toorn van het kind haar niet aanging.
"Zoo is zij nu altijd. Wat ik ook zeg, zij geeft er

[138:]

niets om, niets! Zij doet alles wat zij wil en ik mag niets doen, en alles hier is van Papa, en wat van Pa is, is ook van Daisy!"
"Een kopje thee, kind?" vroeg Leonore sarrend door haar koelheid.
Het kind strekte de hand uit, maar vlak bij het kopje, dat Leonore haar toestak, sloeg zij het met een slag weg, zoodat het in stukken neerviel en de thee over Leonore's japon en het tapijt stortte.
De gouvernante werd doodsbleek, zij had dat beeldige grijze foulardje vandaag pas voor 't eerst aan.
Daisy lachte; een duivelsche, hatelijke lach.
"Bezit uw ziel in lijdzaamheid," sprak Leonore tot haar broer, en toen met verbeten woede tot Daisy: "U spreekt altijd over uw goed en uw bezitting; 't is nu uw fijn kopje dat u gebroken heeft en het is over uw tapijt en het bekleedsel van uw stoel dat u de theevlekken heeft gemaakt."
"Maar op "juf" haar japon ook!"
"Dat komt er niet op aan. Dat is minder dan niets."
En hooghartig, zonder naar haar bevlekt kleed te zien, ging Leonore met haar theeschenken voort.
Willem had geen woord gezegd bij dit heele tooneel; hij zat achterovergeleund in zijn fauteuil en scheen niets op te merken.
"Meubels en kleeren moeten Daisy dienen," zeide Daisy op gebiedenden toon.
"Zeker, en daarom knipt Daisy ook poppenjaponnen uit fonkelnieuwe kleeren."
"Zwijg over mijn poppen -" beval het kind met

[139:]

brandende oogen, "allemaal kapot, en dat jou schuld." Met den vinger wees zij op haar gouvernante.
"Leonone," verzocht Willem met matte stem, "ik ben erg moede; zou ik niet naar mijn kamer kunnen gaan?"
"Zeker! Dat kind maakt je geheel van streek."
"O neen! Juffrouw Mac Dunolly is in haar eigen huis en mag dus doen en zeggen wat zij wil, maar in mijn eigen kamer, daar kan ik vrij zijn."
"Kom dan, geef mij den arm!"
"Goedennacht! Juffrouw Mac Dunolly, ik zou u graag een hand willen geven, maar u is er niet op gesteld."
"Hoef niet!" snauwde zij.
"Dan wensch ik u een aangename nachtrust!"
Daisy zag hen zich verwijderen; zij hoorde het kloppen van Willem's kruk in de marmeren gang; zij hoorde Leonore Antoon den knecht roepen, om Willem te steunen op de trap, en zij balde haar vuistjes en dreigde daarmede naar boven.
"Nu weet ik hoe haar te plagen. Zij houdt zooveel van hem als ik van mijn poppen," mompelde zij, "nu weet ik, nu weet ik."
In de logeerkamer lag Willem op de sofa en Leonore zette zich naast hem; de tranen gloeiden in haar oogen, terwijl zij haar mooi foulardje met den zakdoek afwreef en Willem vroeg:
"Wat zeg je nu van dat mopster ?"
"Je taak is zwaar en - je bent er niet voor berekend."
"Dat heb je zooeven ook al gezegd," antwoordde zij bits, "toen je haar nog niet gezien hadt."

[140:]

"Nu ben ik er nog meer van overtuigd."
"Zou er dan een middel zijn dat ellendige schepsel klein te krijgen? Zij heeft zoo'n slecht hart."
"Zeg liever nog geen hart en nog geen ziel. 't Is aan jou, haar die te geven, Prada, wil je haar zoo maken als haar vader het verlangt, maar..."
"Hoe kan men een ander iets geven, wat men zelf niet bezit," dacht hij en sloot de oogen.
"Ja, je praat mooi van ziel en hart, maar ik blijf er bij, dat het een monster is en dat je al heel knap moet zijn om daarmee vooruit te komen. Wat doe ik dan verkeerd?"
"Je verplettert haar onder het bewustzijn van je meerderheid; dat gewicht zoekt zij af te werpen en daarom stelt zij zich aan als een bezetene."
"Ik kan niet anders handelen; met vriendelijkheid ben ik begonnen, maar 't hielp niets, en nu is mijn geduld ten einde."
"Maar hoe wil je nu dat ik invloed op dat kind zal uitoefenen? Om je de waarheid te zeggen stuit het mij erg tegen de borst gast te zijn onder haar dak. Je hebt gehoord, hoe zij mij dat verweten heeft, en elk stuk brood, dat ik hier eet, blijft mij in de keel steken."
"Belachelijk! Dat kind is immers niet toerekenbaar. Haar vader heeft je hier geïnviteerd en je geniet zijn gastvrijheid. Hij wilde je zelfs voorgoed hier hebben."
"God beware mij! Dan liever onze ongezellige, akelige, kale kluis; daar ben ik ten minste vrij, maar hier! Ik begrijp niet hoe je het er uithoudt. Je moet al heel veel van verguldsel houden, Prada; dat je zulke ketens dragen wil, al lijken zij ook nog zoo op goud!"

[141:]

"lk heb ze vrijwillig opgenomen en wil ze niet afwerpen dan in den uitersten nood."
"En ik zie niet in hoe ik je helpen kan. Hoe gauwer ik heenga, hoe beter en hoe rustiger het voor mij is."
"Gekheid! Je bent hier en je blijft een poos!"
"Ik maak je positie maar moeilijker!"
"O, wat dat betreft. Een beetje meer of minder! Dat doet er niet toe! Och, och! die vlekken gaan er niet uit, en al deden zij het ook, de fraicheur is er toch af. Ik zal er een nieuwe baan in moeten laten zetten. Als zij die stof nog maar hebben; zoo'n satanskind!"
"Zoo moet je niet over haar denken, want dan kom je geen stap vooruit."
"'t Mankeert er nog maar aan dat ik ze engel zou moeten noemen! O, wat ik ze haat!"
"Leonore, mag ik je een raad geven? Telegrapheer den vader dat je heengaat en hij zijn kind maar naar Indië moet laten komen. Waarlijk, met zulke gevoelens mag je hier niet langer blijven. Jij gaat onder en het kind ook!"
"Neen," zeide Leonore vastberaden, ik geef het nog niet op en ik wil het niet opgeven."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina