Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[161:]

XIII.

Den volgenden morgen was het duidelijk dat Willems hersenen niet geleden hadden door zijn val, zoodat er van gevaar geen sprake meer was; wel echter kon het lang duren voordat de beenen van den armen invalide hersteld zouden zijn in hun vroegeren toestand.
Toen Leonore bij Willem kwam waken, hield de pijn hem nog klaar wakker, maar hij vertelde haar toch niets van zijn gesprek met Daisy; hij kon het tegenover haar niet zeggen. Hij vreesde haar gewoon minachtend lachje, haar verachtelijk schouderophalen, en hij wilde gelooven aan een ommekeer ten goede in het kind; de gedachte dat hij oorzaak zou wezen en middel om haar een "ziel" te geven, deed hem zich verzoenen met het leven, schonk hem nieuwe belangstelling, hij dacht haast een levensdoel. Het kind had hem reeds dadelijk aangetrokken: haar wilde, ongetemde natuur, die voor Leonore terugschrikte en die niet, door gewone huismiddeltjes, welke

[162:]

bij andere kinderen slagen, kon gewonnen worden, vond weerklank bij hem.
Bovendien alles wat Indisch was interesseerde hem; van zijn kort verblijf op Java en Atjeh had hij een aangename herinnering bewaard ,en vooral een, warme sympathie voor dat land. Hij had een Indisch meisje liefgehad voor korten tijd, maar hij had haar zijn liefde niet bekend; hij vroeg zijn overplaatsing naar Atjeh juist om haar te ontvluchten, want hij kon niet trouwen; hij was immers de verzorger van zijn familie in Hollaad.
Hij had zich bovendien in schulden gestoken om zijn vader, te helpen en zijn eigen studiën te bekostigen; later, na zijn wreede verwonding, zijn lange ziekte en zijn reis naar Europa was het stille bloempje zijner liefde gaan kwijnen, hij waande het geheel gestorven, maar het gezicht van Daisy herinnerde hem weer aan zijn Nonnie.
Zij was sedert lang getrouwd en misschien wist zij niet eens wat er van het knappe officiertje geworden was, die zoo onverwacht naar Atjeh vertrok, zonder haar een vraag te doen, die zij half en half tegemoet zag en waarop haar antwoord niet twijfelachtig zou wezen.
Nu vond Willem er een zoetheid in aan Nonnie te herdenken; zij had evenals Daisy de bij Indische meisjes vreemde eigenaardigheid van lichte oogen bij donker haar; anders was het nog niet ontwikkelde kind slecht te vergelijken bij de bloeiende, elegante Nonnie, maar zelfs haar spraak deed hem aan haar denken.
Dien geheelen nacht droomde hij van beiden, verwisselde ze in zijn koorts en noemde dikwijls tot Leonore's groote verwondering haar namen in één adem.

[163:]

Tegen den morgen viel hij afgemat in rustiger slaap; toen hij ontwaakte zag hij Daisy aan zijn voeteneind zitten, met gevouwen handen en strak op hem gevestigde oogen; toen zij hem wakker wist, flikkerde een straal van vreugde in haar oogen.
"Mijnheer goed geslapen?" en de vriendelijke uitdrukking op haar gelaat maakte van haar een geheel andere Daisy, dan die Leonore kende.
"Ja, Daisy, dank je wel! Dat laatste uurtje heeft mij goed gedaan."
"Hoofd nog pijn?"
Hij drukte de hand op de getroffen plek en antwoordde:
"Neen, wat licht, maar anders toch niet pijnlijk."
"En de beenen?"
"O die - maar dat komt er niet op aan. Ik heb er al zooveel pijn door geleden."
Leonore kwam binnen, en vertrouwde haar oogen niet toen zij haar plaats door Daisy ingenomen zag.
Willem glimlachte en vroeg haar:
"Wat zeg je er van? Wij zijn zulke goeie vrienden geworden, niet waar, Daisy?"
Verlegen draaide het kind haar hoofd om en stak den vinger tusschen de lippen als een bestraft schoolmeisje.
"Daisy, wensch je mijn zuster goedenmorgen."
Het kind liet haar hand vallen, zag eerst hem en toen Leonore aan, en zeide toen, de oogen neergeslagen:
"Goedenmorgen, freule!"
"Wat een beleefdheid!" viel Leonore bitter uit.
"Leonore! Geef haar een goed voorbeeld!" verzocht Willem in het Fransch, maar zij deed of zij 't niet hoorde.

[164:]

"Ik zal den dokter vragen of je vandaag niet naar een ziekenverpleging kunt vervoerd worden; je hoofd is zooveel beter dan gisteren, dat het geen bezwaar zal opleveren. Ik ga dan ergens en pension, in afwachting van je herstel, en dan keeren wij naar Ankeloo terug. De grond brandt mij in dit huis onder de voeten, ik blijf er geen dag meer."
Een ware angstkreet steeg uit Daisy's borst; zij vluchtte naar Willem, greep hem bij de handen en smeekte:
"Niet weggaan, niet weggaan, hier blijven, in Daisy, in papa zijn huis!"
"Mijn hemel! Wat een hartelijkheid! Ieder uur een nieuwe kuur. Wat bezielt dat kind toch!"
"Wil mijnheer ook weg?" vroeg zij met zulk een bezorgdheid in de oogen, dat Willem er diep door getroffen werd; "mijnheer nog boos?"
"Neen, Daisy!" zeide hij en weerde haar zacht af, "ik ben niet boos, maar mijn zuster wil niet langer blijven. Misschien heeft ze gelijk..."
Nu zag Daisy Leonore strak aan, haar lippen trilden, haar lichaam schokte, eerst kon zij geen woord uitbrengen, toen stotterde zij bijna onhoorbaar:
"Freule, Daisy zal goed oppassen, zal nooit meer zoo gek doen, maar ga niet weg met mijnheer! Laat hem hier blijven!"
In angstige verwachting zag Willem zijn zuster aan; het kind was nu zoo week als was in haar vingers, zij kon haar vormen zooals zij wilde; een weinig liefde, een weinig hartelijkheid was voldoende. Een omhelzing, een liefkoozing, een woord zooals vrouwen die zoo ge

[165:]

makkelijk vinden kunnen, en voorgoed zou de scheidsmuur tusschen gouvernante en leerling gevallen zijn; maar Leonore bleef stijf, hoog, met medelijdende minachting op het berouwhebbend gebroken kind nederzien.
In een oogenblik overzag haar koele geest den toestand; zij behoefde niet te vertrekken, zij kon blijven en haar zoo hooggeschatte positie behouden; gisteren had zij uit haat en zelfs angst voor Daisy zich vast voorgenomen heen te gaan, nu was alles veranderd, het meisje zelf verzocht haar om te blijven; nu was het alleen zaak zooveel mogelijk voordeel te trekken uit die stemming van het oogenblik.
Zij bedacht zich even en antwoordde toen streng:
"Zeker zal ik weggaan, Daisy! Ik heb hier niets te doen. U wil niet leeren; ik ben geen oogenblik zeker van mijn leven, en dus besteel ik niet alleen uw papa, maar verlies mijn tijd en breng mijzelf en mijn broer in gevaar.
"Maar Daisy zal heel anders worden."
"Kom, Daisy, dat begrijp ik nu wel beter: Op het oogenblik ben je bang dat mijnheer sterft, omdat je dan in de gevangenis zoudt komen als moordenares, en in je angst beloof je nu- alles - -"
"Leonore, Leonore!" bad Willem.
"Maar is die schrik voorbij en die angst, dan begint het lieve leventje opnieuw. Ik ken je te goed, Daisy," ging Leonore op snijdenden toon onbarmhartig voort.
Het kind begon luid te schreien en klampte zich aan de dekens vast.
"Daisy ziet bang voor straf. Sluit Daisy op, geef haar

[166:]

water en brood, sla haar! Kan Daisy niet schelen, maar mijnheer moet blijven!"
Een booze zucht teekende zich op Leonore's mooie trekken, waarin Willem als in een geopend boek las.
Eindelijk bezat zij het middel om zich op dat kind te wreken, haar te straffen door haar langer in spanning te houden. Zij wilde iets zeggen, dat het geknakte riet nog meer zou breken, maar hij voorkwam haar.
"Daisy," zeide hij, "kom straks maar terug. De juffrouw - ik bedoel de freule kan je zoo spoedig nier antwoorden; zij moet zich nog bedenken en met mij spreken. Tot straks, hoor kind!"
Zij ging heen na nog een smeekenden blik op broeder en zuster te hebben geworpen. In de eetkamer stond haar ontbijt te wachten; zij wilde echter niets eten dan een stuk brood en noch koffie, noch thee of chocolade, die altijd voor haar gereedstonden, drinken. Leonora was haar naar de deur gevolgd en wierp die, zoodra zij in de gang stond, met een harden slag in.het sIot; toen kwam zij bij Willem's bed terug.
"Wat een komediant," zeide zij verachtelijk.
Willem zuchtte.
"Prada, Prada! Dat kind is beter dan jij!"
"Wat wil je dan? Dat ik, die zooveel van haar uitgestaan, haar nu ga zoenen en flikflooien, nu haar in het hoofd komt berouw te huichelen?"
"Foei, huichelen, hoe hard!"
"Kan ik iets anders denken na hetgeen er gisteren voorgevallen is? Neen, daar heb ik te veel karakter voor, om mij dadelijk zoo te laten inpalmen als jelui

[167:]

mannen het doen. 't Is me wat moois: een schepsel, dat bijna oorzaak was geworden van jou dood, zou ik gaan vleien. Grand merci, hoor!"
De zieke glimlachte; hij wist precies wat van die zoogenaamde teederheid zijner zuster voor hem te denken.
"Laat dit nu maar rusten, Leo! Dat is mijn zaak, 't is mijn lichaam, en het kind was gisteren niet toerekenbaar toen het gebeurde."
"Wat? Niet toerekenbaar gisteren, en vandaag wel! Neen, ik verafschuw dat wicht, ik geloof nooit dat ik hier blijf. Er is toch geen eer bij te behalen!"
"Kom, kom! Dat weet ik beter! Je bent hier al te graag, en 't hangt nu alleen van jou af, je positie hier geheel en al te veraangenamen. Met een beetje liefde win je dat kind! Hoe zij je doorzien heeft, bleek gisteren toen zij zei: u blijft hier alleen om lekker te eten en prettig te rijden, niet om mij!"
"Nu, is dat geen schandelijke impertinentie?"
"Maar daarom niet minder waar. Ik bewonderde het doorzicht en de menschenkennis van dit kind. Dom is zij in geen geval."
"'t Is zoo'n liefelijke hebbelijkheid van jou om mij altijd ongelijk te geven, onverschillig of het Otto geldt of dat schepsel."
"Aan wie de schuld, Prada?"
Zij keerde zich gepiqueerd om; zij verlangde niets liever dan hier te blijven, maar zij wilde het niet laten merken, zij moest zich laten bidden.
De dokter verklaarde, zooals te verwachten was, elk idee op gevaar geweken; alleen groote rust en kalmte

[168:]

zou de zieke nog behoeven; aan de beenen wilde hij doen wat er te doen was, maar hij vreesde ze te masseeren, daar zij reeds zoo zwak waren, na hun verwonding.
"Hadden zij die beide blokken maar afgezet, scherste hij, "dan had ik er nu ten minste die pijn en last niet meer van gehad."
Toen de dokter weg was en Leonore hem uitgeleide deed, sloop Daisy weer aan Willem's bed en vroeg angstig:
"Gaat mijnheer nu weg?"
"Neen, kind! Ik blijf hier tot ik beter ben."
Zij klapte in de handen van blijdschap en zag hem verrukt aan.
"Maar nu begint Daisy morgen te leeren, niet waar?"
Zij knikte van ja.
Willem vond het beter haar niet meer rechtstreeks met zijn zuster in betrekking te stellen; zoodra Leonore trouwens in de kamer kwam, trok het meisje zich schuw terug.
"Daisy wil morgen les van je nemen," zei de Willem tegen Leonore.
"Altijd die Daisy! Ik wou dat je het être maar liet rusten," was het bitse antwoord.
"Beste Prada! Hoe kan je mij dat nu kwalijk nemen? Daarvoor ben ik immers hier, om vredestichter te spelen tusschen jou en je pupil. Je hebt het mijzelf gevraagd."
"O ja, toen! Maar na dien tijd is zoo veel gebeurd!"
"Zoo'n oplossing hadden wij niet durven hopen! Dat moet je bekennen."
Den volgenden morgen begon Leonore werkelijk met

[169:]

de eerste les aan Daisy; het kind deed haar best oplettend te zijn en Leonore bleef waardig en ontoegankelijk, maar het ware vuur ontbrak geheel; het was duidelijk dat beiden zich inhielden om niets van haar onderlinge antipathie te doen blijken.
Zoodra zij de kans schoon zag, wist Daisy weer bij Willem's bed te komen; zij had uit de serre een prachtige slinger orchideeën, rozen en viooltjes geplukt en legde dien naast hem neer.
"Hoe heerlijk!" zeide hij, en de blijde blik in zijn oogen beloonde baar voor de attentie.
"Houdt mijnheer van bloemen?"
"Dol veel, Daisy! Iaat mij eens ruiken."
Vol genot dronk hij de zoete geuren in en drukte haar hand vol dankbaarheid.
"Heeft Daisy goed geleerd?"
Zij antwoordde niet en haalde de schouders even op.
"Daisy doet haar best, maar freule houdt niet van Daisy."
"Heeft Daisy het er naar gemaakt?"
Verlegen blozend schudde zij van neen.
"Dat kan niet zoo in eens komen! Als Daisy volhoudt en de freule ziet dat het haar meenens is om goed te leeren en braaf op te passen, dan zal zij ook eens veel van je houden."
Het kind trok een lipje geheel op haar oude manier, dat Willem op zijn manier vertolkte:
"lk geef niets om haar liefde."
"Mag Daisy nu ook alle dagen een uurtje bij mijnheer zitten?" vroeg zij vleiend.

[170:]

"Ja kind! Telkens als je goed geleerd hebt, mag je des middags bij me komen."
"Alleen of met juffrouw Van Duin er bij?"
Hij begreep dat zij bedoelde: zonder Leonore.
"Goed, Daisy! Dat zullen wij wel eens zien."
Willem's genezing vorderde zeer langzaam; er waren dagen dat hij geweldig leed en dat de pijn hem onwillekeurig bitter deed kermen en steunen. Dan stond Daisy met gevouwen handen en benauwd gezichtje aan de deur te luisteren, een beeld, van berouw en spijt; maar er waren uren dat de pijn hem met rust liet en dan was het zijn grootste uitspanning met het kind, te praten, haar te vertellen of naar haar vorderingen te onderzoeken.
Zij leerde vlijtig bij Leonore, hoewel met weinig opgewektheid; - wanneer zij echter eens lezen mocht bij Willem, dan gloeiden haar wangen en schitterden haar oogen; dan deed zij op bijna aandoenlijke wijze haar best hem tevreden te stemmen.
Haar hartelijkheid deed hem goed; behalve van Otto had hij in zijn treurig en toestand nog zoo weinig hartelijkheid ondervonden, want de Asseleyns waren om hun prozaische natuur vanouds bekend; van zijn jonggestorven grootmoeder, die het in hun muffe atmosfeer niet lang had kunnen uithouden, had Willem zijn fijner gemoedsleven - dat zoo sterk met dat zijner familie contrasteerde, overgeërfd.
Hij kon alles van Daisy gedaan krijgen; kwam soms door een aanmerking of scherp gezegde van Leonore haar oude natuur weer boven, dan was een blik van Willem of een verwijtend:

[171:]

"Daisy, Daisy!" voldoende haar tot bedaren, te brengen. Hoewel Leonore haar nu geregeld les gaf, leidde hij toch haar studiën en verbaasde zich dagelijks over haar vlug, scherp verstand, dat zoo bitter verwaarloosd was geworden.
Groot was Daisy's vreugde toen zij den eersten brief van haar vader zonder haperen lezen en hem ook weer antwoorden kon.
De heer Mac Dunolly was even opgetogen en met den volgenden mail ontving Leonore van hem een stel diamanten soembings (javaansche oorringen), welke zij naar keuze kon laten zetten.
Natuurlijk had men hem het ongeluk medegedeeld dat Willem overkomen was, zonder er echter het aandeel bij te voegen dat Daisy er in gehad had.
Maar het meisje schreef het, zoodra zij ver genoeg was, zelf aan haar vader met de curieuze bijvoeging:
"Nu heb ik geen klappen meer van u noodig om zoet te zijn; als ik weer stout wil worden en mijnheer ziet mij aan, dan voelt Daisy hier binnen iets, alsof papa haar met de karwats sloeg, en zij kan dan niet meer stout wezen."
"Ik maak op schandelijke wijze van de gastvrijheid van je meester gebruik," zeide Willem tot Leonore, toen hij zijn bed voor de choise longue verlaten kon.
"Het wordt tijd dat ik naar huis ga."
"Mooie dingen!" antwoordde zij; "heb je dan jou ziekte niet aan zijn lieveling te danken en betaal je niet meer dan je kost door mij in mijn werk te helpen?"

[172:]

Toch schreef Willem Daisy's vader een oprechten, royalen brief, waarin hij zich over de genomen vrijheid verontschuldigde en beloofde heen te gaan, zoodra hij eenigszins vervoerbaar was:
Het antwoord kwam in den vorm van een telegram:
"Blijven, in elk geval!"
De oude baron was zijn kinderen ook eens komen opzoeken en Daisy scheen voor hem dezelfde antipathie te koesteren als voor Leonore.
"Waarom u toch.. zoo heel anders dan mijnheer - de freule?" vroeg zij.
"Goed praten, Daisy!" vermaande hij; "in 't hollandsch zegt men: Waarom is u?"
Zoo vermeed hij de moeilijke vraag, over welker oplossing hijzelf dikwijls genoeg tobde.
De baron hield zich gedurende de vier dagen, welke hij op de villa doorbracht, zeer netjes; het was echter hoog tijd dat hij wegging en Leonore drong niet op een langer verblijf aan.
Otto schreef dat hij 't goed maakte, soms wat te veel naar de societeit ging, maar verder geen reden tot klachten gaf; hij scheen zijn zoon en dochter weinig te missen.
Zoo ging dus de winter voorpij en de lente kwam, terwijl Willem altijd nog in Amsterdam bleef. Wanneer hij van vertrekken sprak, verduisterde dadelijk Daisy's gezichtje en zij bad en smeekte:
"Niet weggaan, niet weggaan, u moet hier blijven!"
"Mij dunkt," merkte Leonore half boos, half schertsend aan, "dat ik wel heen kan gaan. Miss Mac Dunolly

[173:]

heeft meer aan een gouverneur dan aan een gouvernante."
De vereering van het kind voor Willem nam als 't kon met den dag toe; hij was haar alles. Zij zag hem letterlijk naar de oogen; elke wensch van hem raadde zij voordat hij dien uitgesproken had. Om hem genoegen te doen, leerde zij vlijtig, trachtte zij zuiver hollandsch te spreken, kleedde zij zich volgens Leonore's smaak, was zij haar gouvernante in alles gehoorzaam.
"Ik begrijp het niet. Je hypnotiseert dat kind bepaald," zeide Leonore; "die bui duurt zoo lang! Maar o wee, als je weg bent. Je moet mij het recept van het tooverdrankje geven, dat je haar laat innemen om haar zoo te bedaren."
"Achting en genegenheid! Dat is het heele recept," antwoordde hij ernstig, en zij lachte er om.
Nu de mooie dagen aankwamen, rustte Daisy niet of Willem moest in een rolstoel gelegd worden om dan door het park te worden voortgeschoven. Zij ging altijd mede, liep dapper naast hem en vervroolijkte hem door haar aardig babbelen.
De verandering ook in haar uiterlijk was groot; zij droeg nu het haar langer, in afwachting dat het gevlochten kon worden; aan smaak ontbrak het bij haar toilet niet, want zij nam gedwee alles aan wat Leonore voor haar uitkoos; door het vele vriendelijk zien had haar gelaat ook geheel en al de stroeve uitdrukking van voorheen verloren en Leonore zag haar soms met voldoening aan en dacht dat haar vader tevreden zou zijn wanneer hij zien kon hoe zij onder haar leiding was veranderd, want langzamerhand begon zij te vergeten

[174:]

hoe zij in Willem een uitstekenden helper had gehad bij haar moeilijke taak.
Maar die uiterlijke verandering beteekende niets bij de innerlijke opvoeding, welke Willem zijn best deed haar te geven; dankbaar had hij in zijn eentonig, vreugdeloos leven de taak aangenomen, welke hem zoo onverwacht op de schouders was gelegd. Hij vond het een genot, den vormloozen klomp, welke deze meisjesziel tot nu toe geweest was, leven en bezieling in te blazen, haar te openen voor alles wat goed, edel en schoon was.
Daisy scheen voor zijn lessen goed vatbaar; hij vond in haar een dankbaren, vruchtbaren grond; elk goed zaadje, dat hij daarin strooide, groeide welig en bevallig op; zij hing aan zijn lippen als hij haar vertelde en voorlas, en zelf voelde hij hoe deze verhouding tusschen hem en zijn leerling er toe bijdroeg om hem op te heffen uit het donkere slijk van het alledaagsche, waarin hij vóór zijn vertrek uit Ankeloo steeds meer en meer dreigde weg te zinken.
"Mijn tombade heeft haar wakker geschud," zeide hij lachend; "wat noch jou opvoedingssysteem, Prada, noch de klappen van haar vader konden uitwerken, dat heeft die val gedaan; het heeft in haar donker zieltje het besef van verantwoordelijkheid en schuld doen ontstaan. Daardoor werd de grond losgewerkt en kan men er nu alle mogelijke soorten van planten met succes in doen groeien."
Leonore kon niet meer spreken van een voorbijgaande bui, maar erkennen hoe Willem haar geholpen had toen de zaak hopeloozer dan ooit scheen en zij op

[175:]

het punt was haar onderneming op te geven, dit bekende zij liever niet.
Het bewustzijn, dat hij eigenlijk veel meer dan zij, aan wie Daisy's opvoeding toevertrouwd was, het kind leerde, liet Willem er in, berusten zijn verblijf op de villa tot een onbepaalden tijd te rekken.
De brieven van het meisje aan haar vader waren vol over dien goeden mijnheer Wiliem, van wien zij nu eens dit en dan weer dat leerde; over Leonore bewaarde zij steeds een veelbeteekenend stilzwijgen.
Groot was Daisy's vreugde toen Willem een weinig begon te loopen en zich weer op zijn krukken kon voortbewegen. Zij week geen oogenblik van zijn zijde, maakte zich langer, opdat hij op haar steunen kon, en telkens vroeg zij:
"Is u nu waarlijk weer evengoed als voor het ongeluk?"
"Zeker kind, ik ben zelfs sterker dan vroeger."
Maar die eerste stappen deden hem nog zeer en hij vertrok pijnlijk zijn gezicht, zonder het zelf te weten.
Dadelijk sprongen haar de tranen in de oogen.
"Doet het erg, erg veel pijn? Wanneer zal het toch gedaan zijn? Daisy zou veel liever zelf pijn voelen dan het van u te zien."
"'t Beteekent niets," en hij lachte weer, "maar ik ben kleinzeerig als alle mannen."
"Neen, u is niet kleinzeerig!" riep zij heftig uit, "U is juist zoo geduldig; de vrouwen mochten aan u een voorbeeld nemen."
"Je maakt mij trotsch, Daisy, door mij zo te prijzen," schertste hij en dan glimlachte zij weer.

[176:]

Het was een betrekkelijk gelukkige tijd voor Willem, dit voorjaar en deze lente. Willem vond het een genot bij mooi weer in de tuin te zitten, terwijl zijn kleine vriendin hem gezelschap hield en hij met haar sprak over allerlei dingen, die haar geest en hart ontwikkelden.
Zij was gewoonlijk aan een handwerkje bezig, want op den wensch van Willem had zij ook gedwee hierin Leonore's lessen gevolgd; haar eerste werk was pantoffels voor Willem te borduren, haar tweede een bouffante te haken; wat haar derde zou wezen kon Willem niet zeggen en zij plaagde hem onophoudelijk om toch iets op te noemen, wat hij noodig had.
Hij wist niets. Eindelijk hoorde zij van juffrouw Van Duin, dat men heeren nog beursjes als handwerk kan geven en verder horlogehangers, pennenwisschers en schrijfmappen.
Daisy juichte van blijdschap, omdat de rij nog zoo lang was en zij nog zoo spoedig niet uitgeput zou raken in het geven van cadeaux.
"Dat kind is bepaald verliefd op jou," zeide Leonore spottend; "alleen verliefdheid kan een schepsel zoo veranderen en van een duivel een engel maken."
"Foei, Leonore!" antwoordde Willem en een wolk trok over zijn gelaat, "dat is bittere spot! Dat weet je beter, en daarenboven maak je misbruik van die goede verandering in haar door er zoo iets achter te zoeken."
"Och, je neemt alles ook zoo vervelend ernstig op!"
In Mei kreeg Willem bericht van Otto, dat de oude baron erg sukkelend werd; hij liet den brief aan zijn zuster lezen en vroeg haar toen:

[177:]

"Vind je niet, Prada, dat het een vingerwijzing voor mij is om naar huis terug te keeren? Je schiet zoo goed op met Daisy, dat je mij best missen kan."
"O, wat dat betreft," antwoordde Leonore uit de hoogte, alsof zij geheel alleen met Daisy was klaargekomen, "dat zal wel gaan, maar ik zie eigenlijk niet in wat je bij den baron zult doen."
"Hij dient op zijn ouden dag toch wel een van zijn kinderen bij zich te hebben; op zijn leeftijd is 't ergste te vreezen. Ik kan er niet zooveel aan doen alsof ik een dochter was, maar toch heeft hij ten minste eenige aanspraak aan mij als hij 't verlangt."
"Juist, als hij 't verlangt."
Willem zeide niets meer; zijn zuster met haar koele berekening, haar dor hart, stond hem steeds meer en meer tegen; hij vergeleek ze bij de rijke schatten van gevoel, die bij de arme Daisy nog zoo goed als braak lagen en waarin hij 't eerst sedert eenige maanden begonnen was te delven en zijn achting voor haar verminderde steeds meer en meer.
Hij begreep ook dat zij thans, nu zij meende hem niet meer noodig te hebben, veel liever ontslagen zou zijn van zijn tegenwoordigbeid die haar hinderlijk werd. Zij wist in hem geen groot bewonderaar te vinden, maar vooral vreesde zij niets zoo zeer dan in de oogen van Mac Dunolly niet de eenige te zijn, die de eer had gehad zijn dochter te beschaven en op te voeden.
Maar zoodra Daisy iets hoorde van Willems plan om heen te gaan, brak de oude duivel weer bij haar los;

[178:]

zij wierp haar werk over den grond, begon te stampvoeten en te schreeuwen en te roepen van:
"Ik wil niet, ik wil niet. Mijnheer Willem moet hier blijven of Daisy wordt weer stout."
Leonore stond met een minachtend lachje op haar dunne lippen het heftige tooneel aan te zien.
Willem hinkte op zijn krukken naar den hoek der kamer waar het mishandelde handwerkje lag, bukte met veel moeite om het op te rapen en bracht het toen hijgend van inspanning aan Daisy terug en vroeg haar niets anders dan:
"Komen de "adat Djawah" (javaansche kuren) nu al terug?"
Maar Daisy had zijn moeilijke poging om haar het weggeworpene terug te geven gezien, en dadelijk bedaarde haar woede en smolt in droefheid weg; zonder zich te schamen of aan Leonore's tegenwoordigheid te denken, wierp zij zich snikkend om zijn hals en schreide:
"Ach mijnheer, lieve mijnheer Willem niet weggaan, hier blijven bij Daisy of laat mij meegaan om uw Pa op te passen. Daisy zal hem voorlezen en eten voor hem koken en thee voor hem schenken en medicijn ingeven. Laat mij meegaan naar Ankeloo!"
Het hinderde Willem dat de spot van Leonore getuige zijn moest van dit teedere tooneel; hij begreep wat zij er van dacht en hoe belachelijk zij datgene vond, wat hem diep trof; hij wilde niets zeggen, wat Daisy kon troosten. Maar den eersten keer dat zij alleen waren, hield hij paar voor wat haar plicht en wat de zijne was; hij zou heengaan en nu was 't juist

[179:]

aan Daisy om te toonen of zij het meende met die verandering ten goede.
Zij moest Leonore gehoorzamen en voortgaan flink te leeren, dan kwam hij in het najaar zeker terug en zij moest hem in dien tusschentijd veel schrijven en zoo kalmeerde hij haar terwijl hij den arm om haar heen geslagen hield en zij zacht schreiend haar hoofd tegen zijn voorhoofd verborg.
"En dan nooit, nooit meer zulke scènes als daar straks! De oude Daisy is dood en de nieuwe, mijn lief vriendinnetje, moet hier blijven en ik moet haar in de verbeelding altijd zien zooals zij nu is, een lief, klein vrouwtje maar geen onbeschaafde furie, geen woedende, monjet (aap)."
Zij lachte door haar tranen heen.
"Mag ik dan met freule meegaan, als zij haar vader gaat bezoeken, want dat zal zij toch zeker wel eens doen."
"Ja, dat denk ik wel," antwoordde Willem bij wien het nog niet opgekomen was, dat zijn zuster dit verlangen ooit zou koesteren, "ik zal er met haar over spreken en als Daisy dan goed leert, gehoorzaam is en niet brutaal dan mag zij in Augustus eens naar Ankeloo komen."
Dat gaf hoop en droogde voor een oogenblik haar tranen; zij beloofde alles wat hij wilde, haar handen in de zijne, zijn oogen vast in de hare.
Het afscheid kostte ook menig traantje en zelfs Willem voelde zich aangedaan toen het kind vóór dat hij in het rijtuig gedragen werd, schreiend of haar hartje breken moest, om zijn hals hing.

[180:]

Zij wilde hem niet naar het spoor brengen en Leonore alleen ging met hem mede.
"Adieu Daisy, adieu! God zegen je, mijn lief kind! Tot wederziens," riep hij haar toe en zij bleef op het bordes staan wenken zoolang zij hem zien kon.
"Bespottelijk!" zeide Leonore verachtelijk, "dat kind is altijd even overdreven," en toen zij merkte dat Willem om zich goed te houden op zijn lippen beet, begon zij te lachen, een valschen lach, "'t mankeert er maar alleen aan dat je ook mee ging huilen. Die mannen zijn toch precies groote kinderen. Zij kunnen niet tegen vleien en troetelen. Dat maakt hun dadelijk week."
"Reken jij mij nog onder de mannen?" vroeg Willem scherp, "ik geloof dat ik er niet meer onder behoor en dat weet Daisy heel goed. Als haar gouvernante haar hart had weten te winnen dan zou zij 't mij niet gegeven hebben."
"Ik heb er geen tijd voor gehad, je hebt het dadelijk voor je gehouden," antwoordde zij spottend.
"En nu wat ik je bidden mag, Leonore, bederf niet aan dat kind, wat ik er met zooveel moeite aan heb goed gemaakt. Ga maar eenvoudig voort met je lessen en zij zal gewillig genoeg zijn! Als je dan in Augustus met haar in Ankeloo komt..."
"Waar dat nu voor dienen moet, die reis naar Ankeloo, Papa zal er geen minuutje beter door slapen als hij mij gezien heeft; wanneer je dat maar weet, in huis logeer ik niet. Ik bestel kamers voor ons beiden in het logement."
"Best Prada, heel best! Waar juffrouw Mac Dunolly zich in zal kunnen schikken, deugt niet voor haar gouvernante."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina