Melati van Java: Prada
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1894


[18:]

II.

In een zijstraat lag het huis, waar freule Leonore Asseleyn woonde met haar vader en broeder.
Het was een echt kleinsteedsch huisje met geel gepleisterden gevel, groen beschilderde ramen, kleine ruiten, waarachter geelwitte gordijnen met ringsysteem en veel te blauwe franjes hingen.
De deur stond aan, want de meid was zeker uit; een logge groene deur, die uitkwam op een gang met roode vloersteenen en grof gewitte muren.
Toen zij binnenkwam, rilde Leonore; dit burgerlijk entree vervulde haar altijd met tegenzin en zelfs walg; maar in de laatste maanden, terwijl zij geëngageerd was, zag zij er nauwelijks meer naar om, zoo vervulde haar de gedachte dat het nog maar een kort poosje zou duren, en dat zij dan van hier heen zou gaan voorgoed, om in een omgeving te leven, haar persoonlijkheid volkomen waardig.

[19:]

Het petroleum-lampje walmde haar hoog tegen den muur en liet daar een langen, zwarten veeg achter; de benauwde lucht waaide haar tegemoet en steeg haar in de neusgaten.
Juist kwam, uit de deur tegenover; een jong man op twee krukken geleund aanhinken.
"Zoo, Prada," zeide hij op spottenden maar toch niet onvriendelijken toon, "ben je al thuis?"
"Dat zie je!" antwoordde zij kortaf,
"Och, je bent zoo gelukkig er bij te kunnen; zie je niet hoe die walm onzen mooi gestukadoorden muur bederft?"
"'t Zal wat hinderen."
"Nu ja, de toekomstige mevrouw Waelbeke hindert het misschien niet, maar de gepensionneerde luitenant Asseleyn zal het weer moeten laten witten."
Werktuiglijk draaide Leonore het lampje neer, en maakte toen de deur rechts open, die toegang gaf tot een kale, meer dan sober gemeubelde huiskamer.
De vloer was ruw bruin geschilderd; een uitgerafeld versleten kleed bedekte maar gedeeltelijk den grond: de stoelen waren bekleed met versleten trijp, dat eens groen geweest, nu ten hoogste meer grijs kon heeten; de tafel zag er met haar verkleurd tafellaken uit of het al jaren dienst had gedaan en of er een bende kinderen mede huis had gehouden; de kast alleen scheen uit betere tijden afkomstig, maar was slecht verzorgd, dof, bekrast, leelijke oleographieën hingen aan de muren met hun ordinair, hier en daar afgescheurd of door vochtigheid bevlekt behangsel; papieren bloemen in

[20:]

dubbeltjesvazen flankeerden een doodgewoonen wekker op den zwart geverfden houten schoorsteenmantel. De spiegel was verweerd en het verguldsel van zijn lijst viel haast uit elkander; de lamp brandde laag en bijna even walmerig als in de gang.
Alles verried bekrompen middelen en - wat erger- was - slordige onverschilligheid; nooit was de banaliteit harer omgeving Leonore zoo opgevallen als dezen avond, nooit te voren had zij er zich zoo gedrukt door gevoeld.
Zoolang haar herinneringen reikten, was het altijd bekrimping en ontbering geweest wat haar omringde. Haar vader, baron van Asseleyn, was als kapitein der cavalerie, wegens lichaamsgebreken, gepensionneerd; haar moeder, een verarmde freule, verstond evenmin als hij de kunst van huishouden, van passen en meten. Zij hadden verscheidene kinderen, maar toch zou menigeen met hun inkomsten nog aardig rondgekomen zijn. Bij hen daarentegen was altijd de armoede aan het woord, een armoede, die men bovendien nog zooveel mogelijk trachtte te vergulden, zonder te denken dat dit verguldsel het grootste gedeelte van het reeds zoo karige inkomen verslond.
Het huishouden der Asseleyns was door het geheele stadje Ankeloo om zijn vergulde armoede bekend; de kinderen gingen met gescheurde zijden japonnen naar school, droegen veeren op de hoeden, hadden goudleer en schoentjes aan, maar de zijde zat vol vlekken en scheuren, de veeren geleken meer op rattestaarten dan op iets anders; het goudleer zat slechts met eenige

[21:]

draden aan de zolen vast. Binnenshuis was het 't zelfde; voor de wereld toonden vader, moeder en kinderen zich altijd bijzonder lief, tehuis was het kibbelen, verwijten, schelden zonder einde.
In zulk een milieu was de mooie Leonore opgegroeid; op haar twaalfde jaar ontfermde zich gelukkig over haar de heer Waelbeke, de eenige met wien baron van Asseleyn zich verwaardigde omgang te houden, daar deze, hoewel een parvenu, toch nog draaglijke manieren en een vrij aangename conversatie had - eigenlijk omdat op de fabriekswoning de wijn letterlijk stroomde, het eten altijd op tafel stond, en de baron soms den burgerman de eer aandeed hem op zijn kosten te vergezellen naar Parijs, Londen of Berlijn, waar de oud-officier goed den weg wist.
De heer Waelbeke had kleine Leonore altijd een aardig kind gevonden; zij kwam veel op de fabriek met het oudste dochtertje spelen; de meisjes waren onafscheidelijke vriendinnen, en toen Lucie Waelbeke naar het pensionaat ging, dwong zij er, om, dat Leonore haar zou vergezellen.
De ouders van beide kanten vonden die gehechtheid alleraardigst; de Waelbeke's vroegen de gunst om Leonore met Lucie mee te mogen opvoeden en de Asseleyn's stonden die gunst genadig toe. Zoo gebeurde het onwillekeurig, dat Leonore meer op de fabriek was dan bij haar tehuis; zelfs toen Lucie twee jaar later begon weg te kwijnen en stierf, veranderde dit niet. Ter eere hunner doode lieveling bekostigden haar ouders ook verder Leonore's opvoeding. Zij stonden er op, dat zij

[22:]

examens zoude doen, en hoewel de Asseleyns dit overbodig vonden, want reeds sedert lang stond het bij hen vast, dat zij zich mésallieeren zou aan Otto - een mésalliance waarin zij zuchtend genoegen zouden nemen - hadden zij aan deze burgerlijke gril der parvenu's toegegeven.
De andere kinderen waren jong gestorven of sinds lang het huis uit, links en rechts over de wereld verspreid; van geen hunner was veel terechtgekomen, behalve van Willem, die van degelijker stof gemaakt dan de overige familie, zich reeds zeer vroeg had ontworsteld aan de ongezonde atmosfeer van het ouderlijke huis; hij was naar Kampen gegaan en had zich opgewerkt tot Indisch officier.
Voor het eerst van hun leven hadden Papa en Mama reden gehad, trotsch te zijn op een hunner kinderen: "Mijn zoon de officier" was het woord, dat de ex-kapitein onophoudelijk in den mond had; 't scheelde niet veel of hij nam telkens bij het noemen van dien titel zijn hoed af of sloeg aan.
Helaas! Nog geen twee jaar later kwam "mijn zoon de officier" terug, met de Willemsorde op de dappere borst, maar wreed verminkt. Een Atjehsche kogel had aan zijn carrière, die, zoo schitterend beloofde te worden, plotseling een einde gemaakt. Toen de arme jongen thuiskwam, vond hij zijn moeder gestorven en het huishouden nog erger in de war dan vroeger; hij en zijn vader zetten, geholpen door een kleine meid, hun jongeheeren-menage zoo goed en kwaad als het kon voort.
Gelukkig bezat Willem, bij de vele goede eigen

[23:]

schappen die hem kenmerkten, een onverstoorbaar goed humeur; nu zelfs, in zijn allertreurigste positie, verliet hem dit niet. Vader en zoon konden met hun beider pensioenen goed leven, als de andere jongens hun maar niet op den zak teerden.
Willern verdiende, nog wat met vertalen of het schrijven van kleine schetsen uit het Indische officiersleven, dat hij maar zoo kort had mogen kennen; het bracht wat op en 't leidde hem af.
Ongelukkig had zich echter bij den baron in de laatste jaren een treurige neiging ontwikkeld tot de flesch.
Willem trachtte die zooveel mogelijk tegen te gaan; hij had nog den meesten invloed op zijn vader,- dien hij lachend "zijn oud kind" noemde; toch zag hij met verlangen uit naar Leonores thuiskomst; maar ook deze illusie werd niet verwezenlijkt: Na behaald diploma, kwam Leonore thuis en begon dadelijk zoodra zij den drempel overschreed, - volgens Willem - een vies gezicht te zetten en legde dit gezicht niet af zoolang zij op de "villa Asseleyn" was; kwam zij op villa Arethuse, dan veranderde het geheel en al.
Nog geen drie maanden was zij thuis, - van deze drie maanden had, zij, altijd weer volgens Willem, er twee en half bij de Waelbeke's en een kwart op de wandeling doorgebracht - of zij was geëngageerd met Otto, tot groote vreugde van diens familie; er werden vele feesten gegeven ter eere van de heuglijke gebeurtenis.
Otto en Willem, die elkander in de laatste jaren een weinig uit het oog hadden verloren, vatten veel sympathie voor elkander op; de baron nam het air aan

[24:]

van iemand die zich in het onvermijdelijke tracht te schikken en dronk zich een paar roezen aan champagne.
En nu - stond Leonore weer in huis, nog armer dan zij er in gekomen was
Haar vader lag in de sombere, kale kamer op een Indischen leuningstoel; naast hem op tafel stonden de treurige overblijfselen van een soort g o û t e r - men at vroeg in Ankeloo, - nergens een bord, gebarsten kopjes zonder schotel, een paar korsten brood en een homp kaas zoo maar op het tafelkleed, een verroeste blikken koffiekan, een paar couranten, en een verdacht bitterglaasje met flesch.
Kapitein Asseleyn snurkte zwaar; hij sliep sedert een uur den slaap van rechtvaardigen en onrechtvaardigen; bij de beweging die Willem's kruk maakte en vooral bij den harden duw, waarmede Leonore de deur opende, richtte hij zich half op, wreef zich de oogen uit en keek hen dommelig aan.
"Ben jelui daar? He, jij ook, Prada?"
Prada - verguldsel - klatergoud, - zoo had Willem bij zijn terugkomst zijn zuster, met haar voorliefde tot alles wat blonk en schitterde, al was het dan ook maar zeer oppervlakkig, genoemd.
"Nu, wat zou dat?" vroeg Leonore bits.
"Wel, 't is een buitenkansje. Je verwent ons anders niet met je nooit genoeg te waardeeren tegenwoordigheid."
"Als je daarop gesteld bent, kan je voorloopig volop genieten."
"Hoe zoo? Gaat de familie op reis?"

[25:]

"Neen, mijn engagement is af!"
Het werd koud en droog gezegd, maar als de middelste dikke balk van het geelgeschilderde plafond met lamp en al naar omlaag ware gestort, zouden vader en zoon niet verschrikter hebben kunnen opzien.
"Wa - a - at ! vroeg de baron, en sperde zijn waterachtige, met bloed beloopen oogen wijduit elkander; nu was hij voorgoed wakker.
"Och, - kom!"
En Willem keek haar ongeloovig aan.
"Maar kind! Dat is toch niet, waar!"
"Prada, je droomt!"
"Ik wou dat het waar was. Ik heb 't zelf afgemaakt."
"Je bent gek "
"Is de boel op?"
Willem zag haar op die vraag van zijn vader scherp in de oogen; zij bleef onverschillig voor zich kijken.
"Ik hoorde van middag er over smoezelen in de soos, men durfde 't mij natuurlijk niet vragen, en ik vond het te gek om alleen te loopen.
"Zeg nu wat, Leonore!" 't Moest al heel ernstig zijn als Willem "Leonore" zeide; die naam, meende hij, paste wel op "Arethuse" maar niet hier in dezen kalen boel; "een man als Otto bedankt men toch niet om niemendal, nog geen week na den dood van zijn vader."
"Heb je met hem gekibbeld? Dan als de drommel pen en papier gehaald en hem excuses gemaakt. Jij kwaje meid! Toen ik bezwaren had tegen dat huwelijk, omdat het zulk grof bloed bracht in de aderen van een Asseleyn, heb je er je niet aan gestoord, en

[26:]

nu ik er in berust, ga jij 't afmaken. Dat zijn vrouwenkuren, niets meer. En ik wil 't niet, versta je? Je trouwt met Otto, of ik zal je toonen dat ik je vader ben en het recht heb je te commandeeren."
"Schei toch uit, Pa!" viel Willem in, "laten wij eerst hooren wat zij er over te zeggen heeft."
Leonore had met over-elkaar-geslagen handen tegenover beide mannen gezeten, een beeld van kalme gelatenheid en trotsche berusting.
Nu wendde zij even het hoofd naar haar vader en vroeg, altijd met dezelfde bedaardheid:
"Heeft Papa gedaan?"
"Nu, dat wil zeggen als...."
"'t Is waar wat de menschen zeggen, maar 't is een geheim; de zaken zijn daar in de war.... "
"En heeft de ouwe zich..."
Zij haalde de schouders en de wenkbrauwen op.
"Dat weet ik niet, daarover liet Otto zich niet uit. Hij heeft de boeken ingezien en er schijnt een verbazende verwarring te heerschen. Ik heb er de helft niet van begrepen. Die cijfers maken iemand duizelig."
Zij drukte, de hand op het hoofd en kneep de oogen toe.
"Maar dat is zeker, als nu de fabriek verkocht werd, dan zou er een belangrijk tekort zijn. En de stille firmant heeft zijn geld teruggevraagd. Daar staan hypotheken op alles. Zegt men dat zoo niet?"
"Maar mevrouw haar geld is er toch! Wanneer de fabriek nu liquideert, dan kan zij nog altijd goed leven, meer dan goed zelfs, en Otto kan zijn detacheering naar Indië vragen."

[27:]

"Neen, dat wil hij niet."
"Verduiveld, wat wil hij dan?"
"Met het geld van zijn moeder den vennoot betalen, zelf zijn ontslag nemen en de zaak voortzetten."
"Maar is de vent gek!"
"Dat heb ik hem ook gevraagd."
"Daar ken ik Otto aan, zoo'n beste, eerlijke vent. En heb je hem daarvoor bedankt, Prada!"
"Natuurlijk, ieder kan wel op zijn vingers uitrekenen dat het op die manier over een jaar weer misloopt, en wat moet Otto dan beginnen? Hoe wil hij nu fabrikant worden? 't Is te dwaas!"
"Maar 't is toch vreeselijk, de boel op! En toch verwondert het mij niet. Zij leefden er maar op los. Jongen, jongen! wat heb ik hem in Parijs en Berlijn het geld bij hoopen het raam uit zien gooien. Jongen, jongen! zei ik hem dikwijls...."
"Maar je moest je schamen, Leonore!"
"Waarom? Omdat ik bedank weer krimp te lijden? Ik zou een blok aan zijn heen zijn, meer niet."
"Heeft hij je zijn woord teruggegeven?"
"Hij liet het mij over!"
"En je hebt zonder verdriet, alleen uit koele berekening, hem bedankt!"
"Hoe weet je het, dat het mij geen verdriet doet?"'
"Dan had je stellig anders gedaan!"

[28:]

"En dat bouwen en dat vergrooten van de fabriek. 't Ging maar van den hoogen boom. Ik heb er altijd een zwaar hoofd in gehad, en die aap, die van geen toeten of blazen weet, wil die de boel weer releveeren? Kwajongenswerk."
"Vader en dochter schijnen het bij hooge uitzondering eens te zijn," zeide Willem met een bitteren lach.
"Ik vind het min van je, Leonore, heel min!"
"'t Spijt me, Willem," antwoordde zij, "maar ik kan niet anders handelen. Als hij naar Indië gedetacheerd was, zou ik bepaald met hem zijn meegegaan, al was dan ook ons lot niet schitterend... . "
"Maar nu hij zijn loopbaan verschopt om de eer van zijn vader te redden, nu laat je hem alleen ploeteren en werken en geeft hem niet eens hoop. Toen hij je vroeg, was hij rijk en jij niets. Hij deed je een eer met jou te vragen..."
"Behalve dat zij een Asseleyn is van Asserede, en zijn grootvader een gewoon smid. De eer was aan hem."
"Kinderpraatjes, en dat weet Leonore ook goed genoeg, daarbij heeft zij alles te danken aan de Waelbeke's."
"Nu nog mooier! Nadat zij mij in een stand hebben gebracht, en mij neigingen gegeven, veel te hoog voor mijn omstandigheden, zou ik uit dankbaarheid mijn leven verspillen in hopen op niets? Dank je wel, hoor! Ik hou er niet van mij vast te laten zetten aan een ketting van gegeven stukjes brood."
"Zwijg, Leonore, je gaat te ver!"
"Kinderen, geen gekibbel, wat ik je bidden mag!"

[29:]

"En wat ga jij nu doen, Prada?"
"Gouvernante worden, natuurlijk!"
"Ons in den steek laten?"
"Nu ja, dat zal u wat kunnen schelen."
"Als je een man als Otto verlaten kunt, dan zal het je niet moeilijk, vallen je ouden vader en hulpbehoevenden broeder aan hun lot over te laten."
"Och ja! U kan 't best stellen zonder mij en ik moet toch de wereld door!"
"Prada opzoeken, nadat je het echte goud hebt weggegooid. Je krijgt wat je verdient."
De oude baron draaide om de tafel, stak zijn sigaar aan bij de walmende vlam en sprak eindelijk:
"Je hebt mij met je nieuwtje zoo van streek gemaakt, Nore, dat ik maar een uurtje naar de soos ga."
"Zou u dat niet laten, Pa?" vroeg Willem, "in deze omstandigheden," en toen binnensmonds: "morgen is alles de stad door!"
"Wat denk je? Dat ik ooit over familiezaken in de societeit praat. Nooit of nimmer, hoor! Die zijn me te heilig! Je kent je vader slecht, Willem!"
Willem voelde zich te lusteloos om te antwoorden. Hij verzette zich niet verder tegen den uitgang van zijn vader, en Leonore en hij bleven een oogenblik alleen.
Een poos zwegen zij; eindelijk zeide Willem zuchtend:
"Die arme, arme Otto, wat zal hij teleurgesteld zijn."

[30:]

"Ja, in jou! Hij zag van jou ook niets anders dan het "prada" en ik liet hem in 't idee dat het zuiver goud was. Ik wist wel beter."
"Je bent vervelend, Willem, en je denkt volstrekt niet, hoe zwaar ik geslagen ben."
"Kom, jij! Adieu, ik ga uit!"
"Naar.... hem? Wees toch wijzer!"
"Goeienavond!"
Zij hoorde een poos het stooten van zijn kruk, eerst op de steenen van de gang, toen op de klinkers van het voetpad en eindelijk op den straatweg; in de bijna hoorbare stilte van het kleine stadje stierf dat hortende geluid langzaam weg.
Nu zij zich alleen wist, stond Leonore langzaam op en ging voor den spiegel staan.
"'t Is zoo jammer, zoo jammer," herhaalde zij telkens:
"Die illusie van mijn leven! 't Scheen zoo gauw te lukken, zoo verbazend gauw, en nu alles weg! Weer heel opnieuw beginnen: Maar hoe, maar wat!"
Zij draaide zich een weinig, om haar fraaie buste en bijna overdreven rijzige figuur in den spiegel te bewonderen.
"Willem heeft gelijk. Ik ben in deze kamer als verdwaald. Ik walg van alles, en alles kijkt, me verbaasd aan. Hoe eer, hoe beter moet ik van hier weg. Ik zal eerst opleven als ik weer mooie meubels en helder licht om mij heen zie. Gouvernante worden is niet alles, maar mijn diploma is mijn laagste kaart."
"Waar zullen wij nu heenschrijven? Ik wil twee, drie

[31:]

koorden op mijn boog hebben, en ik kan hem niet meer terugzien. Willem zal er weer op hameren dat ik hem mijn jawoord teruggeef. Dat kan je denken! Geen Don Quichotte tot man! Zonder practischen zin, kom je in onzen tijd niet meer door de wereld."
Zij wierp zich in den gemakkelijken stoel van haar vader en eensklaps dacht zij aan andere avonden op Arethuse, en al wilde zij 't zich ook niet bekennen, hoorde zij weer die volle, buigzame stem van Otto, voelde zij weer zijn arm om haar hals.
"'t Is toch jammer, 't is toch jammer!" herhaalde zij weer, en vóór dat zij 't wist, stopden haar droge, koude oogen vol tranen en nu snikte zij zacht: "'t is vreeselijk jammer, alles weer van voren af aan! maar zooals nu tref ik het nooit meer bij elkaar."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina